Goedemorgen, schatje.

**Dagboek**

Goedemorgen, lieverd.
Hij werd, zoals altijd, een minuut voor de wekker wakker. Een gewoonte die was blijven hangen sinds zijn legerdienst. Hij rolde uit bed en deed met gesloten ogen een paar push-ups. Het bloed begon lekker te stromen, de laatste slaperigheid verdween.

Ik ga de jongens wakker maken, Lien.

De “jongens” zijn tienjarige tweelingzonen sliepen in de kamer ernaast. Twee kleine kopieën van hem, met hun mondjes half open, alsof ze dezelfde droom deelden. De verwarming had de hele nacht haperend gewerkt, dus hij had besloten de ochtendloop over te slaan en ze niet vroeger te wekken. Hij keek naar hun stevige postuur, zo anders dan hijzelf op die leeftijd.

Hij was vroeger precies het tegenovergestelde: mager, onhandig, met een bochel. Verlegen, wat klasgenoten aanzagen voor lafheid. School ging hem makkelijk af, maar het pesten van anderen niet. Hij kon niet terugvechten; hij wist dat hij zwakker was. Bij gymnastiek gaf hij zijn best, maar de spot van de gymleraar maakte alles kapot. Sportclubs? Daar was zijn moeder helder over:

Ik heb geen intelligente Joodse jongen grootgebracht om zijn neus te laten breken.

Die verlegenheid bleef hem achtervolgen, totdat hij na de middelbare school het leger in vluchtte. Twee jaar later kwam hij terug als een getraind sportman. Die tengere, zachte jongen was nu een sterke bokserskandidaat, tot verdriet van zijn moeder en vreugde van het sportinstituut.

De studententijd bracht een nieuw leven: wedstrijden, een studentenhuis, nieuwe vrienden. En één nieuw probleem: meisjes. Ondanks zijn boksprestaties bleef hij verlegen. Een meisje uit vragen, een gesprek beginnen op zijn twintigste nog net zo moeilijk als op zijn tiende. Totdat zij kwam.

Lien was de opkomende ster van het instituut. Kampioen schoonspringen, slank, blond, met groene ogen. Slim, vriendelijk, maar stil, alsof ze ergens anders was. Daarom noemden ze haar “De Marsbewoner”. Ze werden meteen vrienden.

Samen was het gemakkelijk. Urenlang zwijgend wandelen. Voor elkaar juichen bij wedstrijden. Na hun eerste kus vroeg hij haar ten huwelijk.

“Hun buitenaardse bruiloft” werd gevierd door de hele klas. Iedereen hield van hun zachtheid en openheid.

Een jaar later nam Lien tijdelijk pauze zwangerschap. ‘s Avonds werkte hij als sjouwer op Utrecht Centraal. Vreemd genoeg voelde hij zich voor het eerst echt sterk. Niet door de zware zakken, maar omdat hij wist: hij kon alles aan, zijn gezin steunen, zijn kinderen grootbrengen. Hij was sterk, en hij had háár.

Lien maakte zich zorgen, maar de arts stelde haar gerust:

Het enige waar ik u mee kan teleurstellen is dit: als u niet van kinderen houdt, wordt het twee keer erger u krijgt een tweeling.

s Nachts droomden ze samen. Hoe hun kinderen zouden zijn, welk huis ze aan zee zouden kopen… Maar nachten zijn er om te dromen.

De avond voor de bevalling pakte ze zijn hand en vroeg:

Beloof me dat je ze nooit alleen laat.

Hij schrok, wilde boos worden, maar knikte alleen. De volgende dag begonnen de weeën. Het duurde lang, het was zwaar. Bijna een dag lang was ze bewusteloos. Toen ze de bloeding ontdekten, was het te laat.

Wat er die nacht gebeurde, herinnert hij zich niet. Hij werd wakker in een plas op Utrecht Centraal, misselijk, met een kater. Maar één gedachte maakte hem meteen nuchter: zijn twee jongens hadden hem nodig.

Hij rondde zijn studie af, maar deed niet meer mee aan wedstrijden. Hij kreeg een flat van de sportbond, waar hij met de “jongens” introk. Eerst hielp zijn moeder, later regelden ze het zelf. Hij gaf trainingen bij de sportclub, maar toen de jongens naar school gingen, werd hij gymleraar. Hij bleef werken op het station een leraarssalaris is niet veel maar sjouwen hoefde niet meer, hij was nu ploegleider.

Langzaam kwam alles op zijn plaats, maar vanbinnen bleef het zwaar. Alsof hij iets wilde zeggen, maar zonder Lien was hij stom geworden.

Vrienden probeerden hem aan iemand voor te stellen. Maar hij hield het nooit langer dan een uur vol. De een keek zoals Lien, de ander streek haar haar op dezelfde manier achter haar oor…

s Nachts begon hij tegen haar te praten. Eerst werd hij boos omdat hij haar niet voelde. Later werd het normaal. Hij vertelde, vroeg advies. Gisteren nog de jongens waren trots op hun cijfers:

Ik zei dat mannen niet moeten opscheppen. En dat ze zich moeten schamen als ze geen tienen halen. Maar stiekem was ik trots. Ze worden goed, Lien. Sterk, slim, niet gemeen… Weet je, mijn legerinstructeur zei ooit: “Moed is de kunst van bang zijn zonder het te laten zien.” Maar ik ben bang om ze te veel te prijzen, om zwak te lijken. Ik heb ze nog nooit verteld dat ik van ze hou… Maar ze weten het toch, hè Lien?

Op dat moment brak zijn hart bijna. Hij stond op om ze te omhelzen, te zeggen hoe veel hij van ze hield… Maar hij deed het niet het was nacht, hij wilde ze niet wakker maken.

In de keuken is het fris. Buiten staat de thermometer op min vijf. Een mooie, droge winter. Alleen sneeuwt het maar niet. Een oudere vrouw van de tweede verdieping veegt de stoep. Praat ze tegen zichzelf? De “jongens” stormen de kamer in. De oudste vijf minuten eerder geboren zet thee. De jongste pakt de pan vandaag is het zijn beurt om ontbijt te maken.

Dan duwt de een de ander aan. Ze komen onwennig naar hun vader, omhelzen hem en zeggen:

Pap, we weten dat je soms tegen mam praat… Zeg tegen haar dat we haar niet goed meer kennen, maar wel heel erg veel van haar houden. En van jou ook, pap.

Rate article