Vertrokken zonder vaarwel

“Jij durft me niet zo te behandelen!” roep Willem de Vries en hij slaat met zijn vuist op tafel, zodat de mok melk die hij halfgeleden heeft van zijn ontbijt klettert en de stroopwafel onderaan verdwenen in een gitzwarte plas. De witte tafelkleed verandert zin glans in een weerspiegeling van de nacht.

“Wat denk jij wel niet van jezelf? Denk je dat ik mijn hele leven jouw gebral gewoon zal slikken?” deelt Liesbeth haar protest, haar handen stevig op haar heupen en haar blik scherp als een scheermes.

“Wat voor gebral? Het feit dat ik verwacht dat mijn vrouw thuis is als ik van mijn werk terugkom, niet omgequilt met wiens verjaardag of wie eerst mag schalen?” probeert Willem de vuile tafelkleed te droogwrijven, maar het vlekje wordt maar groter.

“Ik ben niet jouw schoonmaakster, niet jouw peuter, nog niet eens jouw echtgenote, als dat bestaat!” woedt Liesbeth en ze laat haar witte haar los, de zilveren lokken wapperend als vlaggen van een ander leven.

Willem blijft achter als een ruin in het land der leegtes. Vijfenveertig jaar samen zijn nog nooit zo gevaarlijk geweest. Liesbeth is stil als een nacht in Noord-Holland en heeft zijn verwachtingsvolle ogen nooit echt gezien. En nu…

“Lies, verdorie, wat ontbreekt je?” vraagt hij, betrapt door zijn eigen wanhop.

“Niks ontbreekt. Ik ben gewoon oud,” antwoordt ze, een oude koffer van boven de boekenkast halend, die ze gebruikt hebben voor hun laatste vakantie naar de Mondriaanhaven.

“Waar ga je naartoe?” vraagt hij, zijn hart echogend als een hardloper in het bos.

“Naar Ides,” zegt Liesbeth, kleren uit een kast halend en zorgvuldig opvouwend.

“Naar je dochter? In Eindhoven? Nu?” stamelt hij. “Lies, kun je dat gemoedelijk doen? Wie moet dan mijn maaltijden maken, het vuil vuilgoed wassen?”

Liesbeth kijkt hem aan met de kalmte van een zonsondergang in de Wadden. “Ik zal Margriet Janssen laten overschakelen. Ze zit op het cafétje voor de winkel. Hier is de postcode. Ze doet het al jaren.”

“Nou, dat is onzin. Ik wil geen vreemde binnen! Die wasmachine?” protesteert hij, het briefje in het vuilnis gooien. “Je bent gek!”

“En ik ben geen dienstmeisje, Willem,” zegt ze zacht. “Ida is dringend met vakantie en nodigde me uit. Toe, ga ervoor.”

“Voor hoelang?” vraagt hij, de stilte om zich heen voelend als een luchtledig.

“Tot ik genoeg heb gehad,” zegt ze, de koffer sluitend.

Ze trekt haar jas aan en opent de deur. Taxis zijn een vlek op straat. “Tot ziens, Willem.” De deur neemt haar weg, even snel als hun liefde voor elkaar.

De eerste dagen zijn een deel van eten dat smaakt als steenkool en het gevoel van een leeg huis dat niet echt leeg is. Margriet komt met glimlach en een schaal sandwiches, maar de kamer is levenloos. Hij belt Liesbeth, maar haar stem is dood. Hij belt Ides: “Zeg haar dat ik hier zit, dat ik naar haar zoek…”

“Pap, het is beter als je haar rust laat,” zegt Ides, met een stem die groeit als een bos om hem heen. “Ze wil nog niet praten.”

“Hoe dan?” vraagt hij, “ik ben haar echtgenoot, heb ik al jaren op mezelf gericht.”

“Waarom denk je dat ze weg is?” vraagt Ides, als een nare lucht in haar adem. “Wie was jij voor haar, pap?”

Vijf weken later, op een regenachtige nacht, verschijnt er een brief. Liesbeth had leren schilderen, zegt ze, in een kleur die niet bestond in hun verdere dagen. Ze zwemt elke ochtend in een bad aan de rand van Eindhoven. “Ik voel me jonger. Ik ben me.”

Willem leest het briefje en zijn hart dreunt in zijn borst als een stoel die tegen een muur klettert. Hij zoekt een school in Alkmaar, belt een schilder, schrijft een brief, leert om ergens anders echte emotie te tonen. Vijf maanden later, op een zittend platform, koopt hij een treinsticker naar Eindhoven.

Liesbeth opent de deur. Hij houdt bloemen vast, uit een weiland. “Ik ben me, Lies. En ik ben jou.”

Ze grijpt de bloemen, haar ogen volgens een stroom van gevoel. “Kom binnen,” zegt ze.

Ze drinken samen een kop thee, spelen de rol van een echtpaar dat nieuw begint. “Ik denk,” zegt Willem, “dat het leven iets zegt als het is… niet alleen. We zijn beiden verloren gegaan.”

Liesbeth glimlacht, haar hand op zijn knie. “Misschien was dat niet het einde, maar slechts een begin.”

En zo, in het licht van een nieuwe dag in Nederland, vinden ze iets wat ze al jaren verloren hadden.

Rate article