Samen in Vrede — Tot de Gasten Aanbelden

De lucht stond helder. We leefden gelukkig – tot de bezoekjes kwamen.

‘Maakt geen geheid,’ zei Mariska en sloeg met haar hand op tafel. De kopjes met theespootjes verstrooiden op het aanrecht. ‘Morgen komen Eline met haar echtgenoot, daarna mijn ouders, en op zaterdag kruipen Liesje en de kinderen onaangekondigd binnen. En wat moeten we hun nou laten zien? Precies.’

Wim keek op van zijn krant en betastte zachtjes het keukenlapje dat al tien jaar op zijn plek lag.

‘Is er iets mis? Het is een gewoon huis, alles is op zijn plaats. Waarom ben je zo opgezet?’

‘Hoe groot is er niet? Kijk jij soms niet naar deze muren? De verf vliegt eraf op de verwarming, het linoleum is kapot bij de deur, en onze koelkast is honderd jaar oud! Wat staat daar in de woonkamer? Die bank is niet eens van boven?’

Wim vouwde de krant dicht en keek zijn vrouw scherp aan. Hij had dit tijdrovende, zenuwachtige Mariska niet meer gezien sinds hun huwelijk. Vroeger noemde hij haar ‘mijn lieve papierliefde’, omdat ze zo glimlachte als ze een boekje kocht dat ze al had, maar nu had ze meer van een storm in haar ogen.

‘Lieve, we kunnen toch mensen laten binnenkomen zonder dat het meteen wereldtentoonstelling moet zijn? Alles is samen, het is onze liefde. Wat zouden we ooit kunnen bezitten waar we trots genoeg voor zijn?’

‘Pff! Jij hebt er helemaal geen grip op. Eline is getrouwd met die directeur van een bankje. Ze wonen als een moderne sprookjeskoningin, met een donkere moderne renovatie, een nieuwe auto en een zomertuintje. Wat hebben wij? Vierentwintig jaar trouw geweest, en we leven nog steeds als studenten die niet weten hoe een bank zit.’

Wim voelde zich opeens zwaarder worden. Dacht ze echt zo over hun huishouden? Zijn leven in een automatische machine op een eigenbedrijf had hem altijd genoeg gegeven. Mariska als leermeesteres in de kleuterschool, samen een zaterdagochtend in het park, een beetje opslaan voor de zomer. Maar niks van dat alles leek belangrijk te zijn voor haar.

‘Lieve, we hebben geen schulden, we leven goed, kalmpjes. Waarom moet het nu zo schijnheilig zijn?’

‘Alsof het schijnheilig is?!’ Haar ogen glinsterden. ‘Jij gelooft toch niet dat ze ons oude verf of afgedankte meubels mooi vinden? Weet je wat mama me via de telefoon zei? “Ik hoop dat jullie wenigstens een beetje nette lakens op het bed hebben, want de vorige keer hebben we op zo’n schminkige witte doek geslapen dat ik erbij neerzag.” Zoals zij het zegt!’

Wim deed zijn ogen dicht. Mieke had hem nooit echt aangenamen, dacht dat hun dochter beter kon doen. Maar hij had altijd gedacht dat Mariska hem wilde beschermen, samen met hem. Nu gebeurde er iets wat hij niet begreep.

‘Oké,’ zei hij zacht. ‘Wat moeten we doen?’

Mariska knipperde plotseling, alsof er een đèn opging. Een glinstering in haar ogen deed haar weer vol vertrouwen lijken.

‘Precies! We hebben genoeg opzij gezet, we kunnen tenminste iets verbeteren. Laat me wat vrije muren schilderen, het linoleum vervangen, en deze oude koelkast niet meteen verhuren met een mooie glimp in de zon.’

‘Dat kost veel. We spaarden voor een zomertuintje.’

‘Dan maken we later een tweede plek. Nu moet het huis er simpel gewoon weerug op zijn.’

Wim knikte, ook al verkruimelden zijn dromen van een zomerhuis steeds meer. Het begon donker te worden, en buiten klonk het geluid van kinderen die terugkwamen van de speeltuin. Weer stonden ze voor de keuze: vooruitgaan, of alleen het hier proberen verder te houden.

De volgende dag sprintten ze langs winkels. Mariska stond tussen planken met verfbanken, koos de duurste doekversie. Ze moest alles aanvoelen, proeven, alsof iedere cent kon breken het hoge standaardbeeld dat ze wilde tonen.

‘Wat een prijs,’ zei Wim. ‘Moeten we echt zo’n patroon verkoopen?’

‘Niet luisteren. Het moet mooi zijn, want we willen niet gezegd willen dat we armer zijn dan wie dan ook.’

Ze kochten verfbanken, een spoel groot genoeg voor een veisslopen, en een nieuwe koelkast die letterlijk naar de glans van een type zeven glimt. Met elke uitgave voelde Wim de muntjes in zijn portemonnee verdwijnen. De zomerhuisdroom was ver weg.

Tegen de avond werd het huis een chaos. Wim besloten om vrije dagen te nemen, terwijl hij de muren schilderde en vloeren legde. Mariska zat steeds aan alles te poetsen, deed het schoon, herstelde het weer. De bank moest eruit, sinds ze nieuwe voeten vond voor het zonlicht.

‘Dat huis, me dacht even te veel terug om opruimen,’ zei ze bij de lunch. ‘Kan je niet even een dekbed kopen? Want deze bank is behoorlijk gescheurd.’

Wim keek naar het zachte groene bankje. Het had al tien jaar gezeten in hun woonkamer. Hij had er altijd in gewoon geslapen, met Mariska naast hem, en dacht dat de lelijke plekjes hun liefde symboliseerden. Haar stem begon donkerder te klinken, alsof ze iets verloren had.

‘Ja, misschien een dekbed,’ stamelde hij.

De renovatie duurde. Elke dag vond Mariska nieuwe manieren om het huis te verbeteren. Vrouwenkussen moest worden veranderd, en zelfs de bloemen in de vaas moesten het patroon volgen.

‘Lieve, ben je nu echt ziek geworden?’ vroeg hij op een avond. ‘We hebben bezoek, niet een vertoning.’

‘Niet begrijpen!’ riep ze. ‘Eline kijkt naar alles, en ze gaat alles zeiden. Dan vertelt ze aan mama, en mamma weet al dat ze niet denkt dat we beter zijn.’

‘Wij zijn toch beter? Voor mij was jij altijd genoeg.’

‘Die oude tijd was ook zo gek. Ik dacht niet zoveel.’

Eline en haar man kwamen. Ze knikten, klapten in hun handen. De koelkast gaf een geluid, de bank zag eruit als voorjaar, en Mariska was blij. Eline vertelde over hun nieuwe flat, vroeg over zomereindjes, en sprak van hun toekomstplanning.

‘En jullie? Gaat het zomerhuis al goed?’ vroeg haar man.

Niet. Het was helaas verder gekomen.

‘Wij namen afstand om eerst wat te verbeteren,’ antwoordde Wim.

‘Ah, zie ik, jullie hebben ook investeerder. Hebben jullie zelf een architect besteld? Dat is nodig, want ik heb een architect die alle details behoud.’

Mariska werd donkerrood. Niets was genoeg meer. Haar ogen begonnen wateren. De glimlach van haar was versbarsten, zoals ruiten die geen zonlicht meer doorlaten.

De volgende dag kwamen haar ouders. Mieke controleerde alles met handen langs de planken en keek kritisch. Ze bekeek de koelkast met een glimlach en stelde vervolgens met een onverwachte onthaal: ‘Hebt ge ontworpen nieuwe lakens? Of is het nog steeds die oude stoffen?’

‘Sjoeit, alsjeblieft,’ stamelde Mariska. Ze had in de afgelopen uren lang vernieuwd belast en kon nergens genoeg corridor vinden.

Wim dacht aan zijn vader als hij zo raar was. Hij stond op het balkon, keek naar de straat, waar kinderen met speelgoed rondjes liepen. Het leven ging zijn weg. Wat gebeurde er in de woning, was een wereld apart.

De nacht daarna lag Mariska weer in huilen. Haar ogen waren rood. ‘Ze zei dat alles beter kon. Ik dacht zoveel, en nu is het verkeerd.’

Wim sloeg zijn arm om haar heen. ‘Lieve, waarom luister je naar haar oordeel? Wij bouwden het voor ons, niet voor hen.’

Ze huilde hard. ‘Ik heb geen idee. Ik wilde gewoon goed doen.’

De zaterdag kwam. Liesje bracht de kinderen, die gingen razend door het huis. Ze renden de koelkast in, sprongen op de bank, en wierpen op een stuk op de nieuwe tafel. Mariska sprintte het koudste weg te poetsen en scheen ontzettend gepikt.

‘Eline, waarom is ze zo?’ vroeg Liesje.

‘Misschien is het een beetje gebrek aan plezier,’ gokte Mariska, ook al liep ze tamelijk vloekend over hare verbeelding.

De nacht was lang. Wim lag te staren naar het plafond. Hij wist niet meer wat Mariska was: een vrouw, of een onbekende die alleen op het moment van bezoekjes leefde. De droom van samen avonden in het park verdween als sneeuw op de zomerzon.

Toen de laatste bezoeker wegging, voelde Wim dat de woning plaagde. Mariska stond op en legde zachte glimlachend op alles wat is aangelegd. ‘Zie je, al het goed is te over. Nu is er geen schaamte meer.’

‘Lieve… we deden vroeger zoveel beter,’ zei hij, terwijl hij zijn hand over hare keel dacht. ‘We aten eenvoudig maar lekker, spraken tot de ochtend en lachten als het een ramp was.’

‘Dat was vroeger. Nu weet ik wat belangrijk is.’

‘Wat is belangrijk? Echt waar?’

Ze keek hem aan. Er was iets in haar ogen: vermoeidheid, boosheid, een wens om wat anders te zijn.

‘Ik dacht dat we gelukkig waren. Maar sinds ik deze praat van Eline ken, voel ik als ik te weinig heb.’

‘Dat was niet zo eerder. Wij waren gelukkig.’

‘Als ik eerlijk ben… neem me niet dikwiek. Ik denk dat ik de zin van deze levens soms verloor. Maar nu weet ik tot diep wat mooi is.’

De volgende week was weer werk. Maar Wim kon niet stoppen met denken aan het gesprek, aan de wijze waarop zijn vrouw stond. Was ze echt gelukkig? Had hij herinneringen?

Die avond kwam drijfregen. Wim zat in de keuken en zag Mariska, die bezig was met het overschot van fruit. ‘Eline zei dat alles nog steeds geweldig is. Ze zou willen wat we nu hebben, maar ze wil ook verder.’

‘Zegt ze dat altijd? Of leert ze het soms?’

‘De Oude vrouw zei dat ze aan haar vriendin zei, dat ik al gelukkig ben. Maar ze noemde nog de oude bank.’

‘Ik herinner me dat we deze bank kochten. Tien jaar geleden. We hadden het hele maand erover gedaan. Jij zei dat we erop zijn vooral kussen zouden raken en samen nostalgie zouden delen. Als we soldaten in de oorlog geen mensen hadden om naar verlangen, dan zouden jullie me niet zo dichtgeplakt hebben.’

Mariska keek hem vreemd aan. ‘Josh, dit is een oude bank. Ik denk gewoon dat hij al oud is.’

‘Niet oud. Het is zacht. De plekken zijn de restanten van ons geluk. Jij keek er nu anders naar, net als jij niet meer ziet dat alles wat we hebben genoeg is.’

‘Voor wie moet ik nu dan waarde toekennen? Voor mijn zus, mijn moeder, of andere geneugtelijke mensen?’

‘Je moet het voor jezelf vinden. Zegt jouw hart waar je gelukkig bent.’

Ze werd zwijgzaam. Het licht van de zon zakte naar beneden, en buiten was het park stil geworden.

‘Ik weet dat ik verloren ben. Maar als ik naar Eline kijk, denk ik dat ik misschien té weinig van het leven verwacht. Dat ik misschien niet echt geboren wordt.’

‘Wat verliest je dan? Voel je het in je hart?’

‘Nee,’ fluisterde ze. ‘Ik heb geen idee meer. Alles twijfelt. Maar ik hoop wel dat jij me niet verlaat op mijn eigen raadsel.’

Hij omhelsde haar.

‘Je denkt soms aan vorige najaar. Jij stond in de tuin, zocht levensgroen, en zei dat de herfst de mooiste tijd was. Dat ningen de beeldhouwkunst van elke geur niet zagen. Herinner je je die zomertuint waar jij wilde boomplanten zetten? Dat de kinderen zouden kunnen klimmen.’

‘Ik weet het. Maar ik ben te oud geworden.’

‘Misschien niet. Misschien komen ze van de buurkinderen, of van je neefjes. Het belangrijkste is, dat we samen dromen.’

Ze keek hem aan. In zijn ogen waren de herinneringen teruggekeerd.

‘Ik denk dat we de droom niet meer nodig zijn. We hebben alles eraan horen zitten.’

‘Dan moeten we nieuwe dromen maken. Misschien bezitten we niet genoeg, maar we houden van elkaar genoeg.’

Ze drukte zich tegen hem aan. ‘Wim, laten we niemand meer als bezoekje nodig hebben.’

‘Niet helemaal. Liesje mag wel komen.’

‘En Eline? Zij houdt van ons als we zijn.’

‘Als ze wil, kom ze. Maar ik wil niet meer worden.’

Ze lagen in de donkere keuken, alleen met de stem van hun liefde. Buiten stonden de lichten aan in andere huizen, elk met hun eigen verhalen. De wereld zag eruit alsof het normaal was, maar het was een kaart van mensen die leren om liefde te vinden in wat ze hebben.

‘Denk eraan,’ zei Wim, ‘laten we de bank behouden. Zonder dekbed, zoals vroeger. Met die plekken waar we verliefd waren.’

Mariska knikte. Het leek alsof ze langzaam zichzelf terugvond, in de armen van iemand die haar nooit verliet. Het leven wachtte niet, maar deze nacht leek lang genoeg voor alles wat ze los moesten laten.

Rate article