15juni2026
Lief dagboek,
Vandaag voelde ik me nog steeds de oude, dronken man die hij al jaren niet meer was. Ik, Bram Jansen, sta hier met een klein, glanzend flesje in mijn hand, nog een halfvolle glazen pot water die ik nauwelijks kan vasthouden. De koelkast zoemt zachtjes; de geur van vers brood en gekookte eieren dringt door de keukendeur. Ik had net een flesje water geleegd met een klein, kristallen drinkglas op de tafel geklopt een reflex die ik al jaren niet meer had gehad.
Sanne, mijn zus, zat in de woonkamer met haar handen op het aanrecht, haar blik strak als een kist op de markt. Hou je stil, Bram! De kinderen slapen! fluisterde ze, haar stem trillerig van de vermoeidheid. Jij wist toch niet wat een pasgeborene betekent. Ik had al drie kinderen opgevoed, en ze kwamen allemaal uit een luier. Ze trok een diepe zucht en mompelde: Weet je, als de schoen past, dan draag je hem. Ik voelde een steek van schaamte, want ik had geen idee waar ik zat.
Ik had te veel gedronken. Niet vaak dit was de tweede keer sinds het overlijden van mijn vrouw. De eerste keer was na haar begrafenis. Linde, mijn vrouw, was gestorven kort na de bevalling. Niet precies bij de geboorte, maar in de dagen daarna. De vroege ochtend had ik een verpleegster, Mariska, zien binnenkomen met een chocoladereep in haar hand. Ze liep op haar oude, versleten klompen over de trap en kwam terug met een lachende stem: Jonge man, er is een meisje, drie maanden en acht dagen oud.
Mijn mond trok een brede glimlach, een rare, ongemakkelijke grijns. Een meisje? dacht ik, terwijl ik hoopte op een zoon. Hoe gaat het met Linde? Wanneer kan ik haar zien? De verpleegster rolde met haar ogen en zei: Ik weet het niet. De bevalling was zwaar, er was veel bloedverlies. Kom morgen terug. Ik had het bloeden niet serieus genomen; ik dacht dat al het bloedverlies bij bevallingen normaal was. Mannen begrijpen het niet, zo dacht ik.
De volgende dag, tegen het einde van de avond, reed ik naar Zwijndrecht, waar Sanne met haar gezin woonde. Ik liep langs een rij met kale wilgen, onder de kastanjebomen die hun bruine noten droegen, en keek naar de bruine bakstenen huizen. De zon scheen door de natte rabarberstruiken, de lucht rook naar natte grond en houtrook van de open haard.
Mijn tas was licht: een vers broodje, een paar gekookte eieren, twee appels en een handvol druiven genoeg om een kleine baby te voeren, zo stelde de verpleegkundige me gerust. Ik wachtte in de gang, mijn handen nog vol met vette spaarren van het werk, en voelde de koude lucht langs mijn gezicht glijden. De dokter, dr. van den Berg, kwam binnen, haar blik serieus: We hebben ons best gedaan, maar het bloedverlies was te ernstig. Het is een complicatie van de bevalling. Onze deelneming.
Ik keek haar aan, niet begrijpend. Is is ze dood? vroeg ik, mijn stem breekend. Ja, uw vrouw is overleden. Onze oprechte meelevingen. Ik knikte, een zware stilte viel over me. Ik voelde de kamer vol met ongeziene blikken, mensen die zich verzamelden om het verlies te delen. Ik stond op, liep naar de deur, en pakte mijn tas weer op.
Sanne hield me tegen. We houden het meisje een tijdje langer bij ons, maak je geen zorgen. Het lichaam van je vrouw wordt in het mortuarium gelegd. Wanneer kom je terug? vroeg ze. Ik voelde me verward: Het meisje? Ja. Ik kon niet meer duidelijk denken, ik had de baby nog niet eens gezien. Is ze levend? vroeg ik. Ja, gezond en vrolijk. Het meisje is in orde, maar neem de tijd voor de begrafenis, wij verzorgen het kind. Ik knikte en verliet het huis, de kou van de avond wervelde om me heen.
Thuis voelde de pijn als een scherpe wind die door mijn ribben brak. Linde Linde, mijn Linde Het leek alsof mijn ziel weigerde het te accepteren. Ik dacht terug aan mijn jeugd in Barendrecht, waar ik in de coöperatie werkte, nooit snel getrouwd, vaak alleen. Mijn moeder was overleden; ik verbleef bij Sanne, die altijd scherp en vermoeid was met haar handen in het huishouden. Toen de fabriek in Zwijndrecht me een baan gaf, vertrok ik, vond daar Linde een stille, vriendelijke vrouw die als weeskind in een weeshuis had geleefd. Haar grootmoeder, een krakkemikkige oude dame, woonde naast ons, de enige die haar een thuis gaf.
Ons huis was een krakkemikkige bijgebouwd aan een verder vervallen boerderij: twee kleine kamers, een keuken zonder ramen, een oude, versleten badkuip en een kleine veranda. De muren waren bezaaid met een eigenaardige schimmel die de vloer en de onderkant van de muren op at; stoelen zakten weg, tafels wiebelden. Het huis stond in een oude wijk, dicht bij de markt, in een stille steeg waar alleen de lokale bewoners en af en toe een dronken stamper van de kroeg De Zilverne Meeuw passeerden.
Ik had nooit veel gedronken, maar de druppel van mijn laatste glas had de stilte van de nacht doorbroken. Het was de tweede keer sinds Lindes dood de eerste keer was meteen na de begrafenis. Nu, met een klein meisje in mijn armen, voelde ik mijn wereld omslaan.
De volgende ochtend stond ik vroeg op, de eerste zonnestralen brachten een koude mist over de grachten. Ik liep met de baby, een teer meisje van drie maanden, naar de kindercrèche in het centrum van Zwijndrecht. De verpleegster, Marieke, keek me streng aan: Waar is het kind van? Het is niet schoon, het is niet Ze keek me aan alsof ik een rotte appel had gebracht. Heb je een luier? Heb je een flesje? vroeg ze, terwijl ze het meisje in een schone deken wikkelde. Ik was te onhandig om te weten hoe je een baby moest verschonen, maar ik probeerde.
De crèche was vol met kinderen die gillend speelden, het geluid van rinkelende kinderwagens en het zachte gezoem van de koelkast. Ik gaf haar een flesje melk, maar ze spande haar mond open en keek naar mij alsof ik een vreemde was. De baby, die ik Saskje noemde een naam die alleen in Nederland voorkomt keek me met grote, zoekende ogen aan. Ik voelde een ongekende rust in haar kleine lichaam, een kalmte die ik niet eerder had gekend.
Op de bus halte, terwijl ik haar tegen me aan hield, hoorde ik een vrouw roepen: Pas op, je laat de baby vallen! Ik hield haar stevig tegen mijn borst, haar lippen trilden en ze lachte in haar slaap. Ik voelde een vreemde warme gloed door mijn lichaam stromen, alsof ik eindelijk tot leven kwam.
De dagen daarna waren een aaneenschakeling van slapeloze nachten, gefrustreerde kreten en de constante angst om het niet goed te doen. Ik probeerde te voeden, te verschonen, te troosten, maar elke keer leek het alsof ik een stap terug deed. De buurvrouw, Mevrouw de Vries, kwam langs en zei: Als je niet met je handen schoonmaakt, krijg je geen kind dat je moet voeden. Ze gaf me een klein flesje met babyvoeding en een zak puimsteen om de vlekken te verwijderen, maar ik voelde me nog altijd onbekwaam.
Op een avond, toen ik de baby in de krabbelwinkel van de markt had neergezet, kwam Katja, de administratief medewerker van de fabriek, langs met een mand vol cadeautjes: een zachte wollen deken, een setje katoenen rompertjes, kleine kniebroeks en een schattig jurkje. Ik wist niet dat er zoveel babyspullen bestonden. Ik voelde me een beetje beschaamd, maar ook dankbaar.
De volgende ochtend stond ik op met een glimlach op mijn gezicht. De baby voelde zich nog steeds een beetje onrustig, maar ze lachte toen ik haar een knuffel gaf. Ik realiseerde me dat ik eindelijk begreep wat een vader moet doen: er moet geduld zijn, een routine, een liefde die niet verzaakt wordt, zelfs als de wereld om ons heen vergaat. Ik begon de stappen van mijn beroep als draaier te vergelijken met het verzorgen van een kind: eerst vastzetten, dan draaien, dan controleren.
Ik hoorde een harde klap op de deur en hoorde de stem van Sanne: Wie is daar? De deur ging open en een groepje dronken mannen van de kroeg De Zilverne Meeuw kwam naar binnen, hun stemmen luid en ruig. Ze wilden hun avondbiertjes op het tapijt van ons krakkemikkige huis. Ik voelde de woede opwellen, maar ook een onverwacht gevoel van bescherming. Ik sprong op, pakte een van de mannen bij de borst en duwde hem weg. Een ander sloeg me in de schouder; de pijn gierde, maar ik liet me niet tegenhouden. Met een vuist op de buik van de derde duwde ik hem tegen de muur. De mannen vielen uit elkaar, hun lachen veranderde in gekreun.
San
e kwam naar me toe, haar ogen wijd open. Bram, je moet naar het ziekenhuis! zei ze, maar ik lachte alleen maar. Het zal vanzelf overgaan, mompelde ik. Uiteindelijk was het niet meer dan een kneuzing, geen breuk. Ik kreeg een verband, maar ik bleef thuis, waar Nienke de marktverkoper die ons vaak hielp ons bezoek bracht met een flesje verse geitenmelk. Ze vertelde me over haar eigen kinderen, die ze alleen kon verzorgen omdat haar echtgenoot werkeloos was.
De dagen werden korter, de nachten langer, maar ik voelde een groeiende band met Saskje. Ik voelde hoe mijn hart sneller klopte als ik haar aanstond, hoe ik haar zachte handjes voelde tegen mijn kin. Ik keek in de spiegel en zag een man met een baard die ik niet langer hoefde te scheren. Ik nam een scheermes en schuurde de haartjes af, een symbool van een nieuw begin.
Ik besefte dat deze kleine mens van mij was, dat zij mijn toekomst was. De oude schimmel in het huis leek plots niet meer zo relevant; ik zou een nieuw leven opbouwen, een nieuw huis, een nieuwe toekomst. De dood van Linde was een harde realiteit, maar de geboorte van Saskje gaf mij een reden om te blijven vechten.
Ik ben nu een vader, een alleenstaande, die zich staand op de fiets door de grachten van Zwijndrecht waait, die de markt bezoekt en de kinderen voedt met warme, zelfgemaakte stamppot. Het is nog een lange weg, maar ik zie het licht achter de horizon, net zoals de ochtendzon over de grachten glinstert.
Ik sluit mijn dagboek af met een gevoel van hoop, een beetje rust en een nieuwe, onstuimige liefde voor mijn dochter, die ik Saskje noem, en die mij elke dag leert wat het betekent om echt te leven.
Tot morgen,
Bram.






