Een Geschenk om Je voor te Schamen

De mand met fruit stond op de keukentafel als een stille verwijten. Neeltje van der Meulen keek ernaar en zuchtte diep. Uit de woonkamer klonk het geluid van de televisie – haar man Jacob zat weer eens geboeid naar een vissersprogramma te kijken. Hij maakte zich nergens druk om.

“Neeltje, kom je nog? De thee wordt koud,” riep Jacob.

Ze fronste. Zelfs zijn thee kon hij niet opwarmen.

“Kom eraan,” antwoordde ze terwijl ze jam uit de koelkast pakte.

In de gang streek ze automatisch een grijze lok uit haar gezicht. De tijd vloog voorbij. Het leek alsof ze gisteren nog met Jacob was getrouwd, en nu vierden ze alweer de zestigste verjaardag van hun dochter.

Hun dochter. Bij de gedachte aan Maartje kneep haar hart samen. Al een week waren ze in onmin sinds hun ruzie, en Maartje belde niet. En zoals altijd was Neeltje de schuldige. Terwijl ze het zo goed had bedoeld.

Naast Jacobs vieze kopje stond een foto in een houten lijstje – hun trouwdag. Jong en gelukkig. Neeltje in een wijde jurk, Jacob in een net pak. Wie had gedacht dat hun leven veertig jaar later zo saai zou zijn, vol misverstanden en wrok?

“Blijf je daar nou hangen?” klonk Jacobs stem weer.

Ze schudde de herinneringen van zich af en bracht de thee naar de woonkamer.

“Ben je nog steeds aan het piekeren?” vroeg Jacob, zonder van het scherm op te kijken.

“Jij blijkbaar niet!” flapte Neeltje eruit. “Je had Maartje kunnen bellen, excuses kunnen maken.”

“Waarvoor?” Jacob draaide zich nu om. “Omdat we haar een cadeau hebben gegeven? Wat een onzin.”

Neeltje zette het dienblad neer en ging op de rand van de bank zitten.

“Het was een vreselijk cadeau, Jacob. Dat snap ik zelf ook.”

“Een gewoon servies,” haalde hij zijn schouders op. “Duur, trouwens. We hebben er driehonderd euro voor betaald.”

“Het gaat niet om het geld,” zuchtte Neeltje. “Had je haar gezicht maar gezien toen ze de doos opende. Ze vond dat servies dertig jaar geleden al niks, en wij bewaarden het om het haar nu te geven! Ze dacht dat we haar voor de gek hielden.”

“We hielden haar niet voor de gek!” riep Jacob uit. “We dachten dat het een mooi cadeau was. Het is bijna een antiekstuk!”

Neeltje schudde haar hoofd. Mannen begrepen sommige dingen gewoon niet. Dat servies hadden ze ooit gekregen van Jacobs verre familie. Ze herinnerde zich nog hoe Maartje als kind een kopje bekeek en zei: “Mam, wat een oubollig gedoe. Al die bloemetjes, het lijkt wel een bloemenperkje.” Sindsdien stond het servies ongebruikt in de vitrinekast, tot het idee opkwam om het aan Maartje te geven voor haar verjaardag.

“Smaken veranderen,” hield Jacob vol. “Tegenwoordig is vintage in. Al die hippe types zijn er dol op.”

“Maartje is geen hipster!” riep Neeltje. “Ze is hoofdaccountant bij een groot bedrijf. Haar huis is minimalistisch, geen oma’s vitrinekast.”

“Dan had ze gewoon ‘dank je’ kunnen zeggen en het ergens neerzetten,” mopperde Jacob. “In plaats van een scène te maken voor alle gasten.”

Neeltje dacht terug aan dat moment. Maartje opende de doos, keek stil naar het servies en richtte toen haar blik op hen.

“Is dit… dat servies uit de vitrine?” vroeg ze zachtjes.

“Ja, lieverd!” had Neeltje vrolijk geantwoord. “Weet je nog hoe je altijd zei hoe mooi je het vond?”

Er viel een stilte. Maartje werd bleek.

“Ik heb nooit gezegd dat het mooi was. Ik haatte het, en dat wisten jullie.”

“Ach, je overdrijft weer,” zei Jacob, nippend aan zijn thee. “Een cadeau dat niet bevalt. Alsof we geen grotere problemen hebben.”

“Die hebben we, Jacob. Het grootste? Dat we onze eigen dochter niet kennen. We weten niet wat ze leuk vindt, waar ze van houdt.”

Jacob grinnikte.

“Doe niet zo dramatisch. Ze heeft gewoon een moeilijk karakter, net als jij.”

Neeltje wilde iets terugzeggen, maar de telefoon ging. Haastig stond ze op, hopend dat het Maartje was.

“Hallo?”

“Neeltje? Met Margreet,” klonk de stem van de buurvrouw. “Kun je langs komen? Ik snap die nieuwe medicijnen niet.”

“Ik kom eraan,” antwoordde Neeltje en legde neer.

“Wie was dat?” vroeg Jacob.

“Margreet. Ik ga even helpen met haar medicijnen.”

“Altijd maar die goede doelen,” mopperde hij. “Wie maakt er eten?”

Neeltje zuchtte.

“Er staat erwtensoep in de koelkast, even opwarmen.”

Ze trok een jasje aan en liep de gang in. De trap rook naar gebakken vis van de onderburen en sigarettenrook van het stel van de vijfde verdieping.

Margreet deed meteen open.

“Kom binnen, schat! Ik heb appeltaart gebakken.”

Neeltje wilde bedanken, maar Margreet drong aan. Terwijl de buurvrouw thee inZe nam een hap van de taart en besefte opeens dat het nooit te laat was om iets goed te maken, zolang je maar bereid was te luisteren.

Rate article