Aaltje staat opgelucht haar handen over elkaar te slaan en ploft zwaar neer op de bank. “Bram, hoe kun je toch zo onbeschoftelijk zijn? Mijn enige woonruimte is jouw flatje in Den Haag. Waar moet ik anders heen?” Ze drukt haar handpalm tegen haar hart. “Wie zal mijn hoofd nog steunen in de tijden van hoge leeftijd?”
“Ma,” bromt Bram met opgeheven ogen, “waar heb je het over? Het gaat toch alleen over Maura? Ik wilde haar met je laten kennismaken…” Hij schudt zijn hoofd, verbaasd hoe het gesprek zo snel omsloeg.
“Jawel, jawel! En je weet beter dan te denken dat ik niet zie waarom jonge mensen hun vrienden aan ouders voorstellen. Alleen maar om te proberen bij te zijn met het goedkezingseffect, en zodra ze het getjirpt hebben…” Haar vingers krullen zich om een trouwe zakdoek, hoewel haar ogen droog blijven. “… dan is er plotse reis naar een nieuw nest! Waar blijf ik dan woonachtig?”
“Ik snap echt niet waarom je zo’n draai naar het ergste nastreeft,” protesteert Bram worstelend met zijn ellebogen op tafel. Hij was immers toch voornemens Maura te laten kennismaken aan zijn moeder vanavond. De afgelopen half jaar is het verloop tussen hen gespannen geworden. Ondanks haar vijfenvijftig jaar is Aaltje nog steeds knap, maar sinds de pensioenperiode is ze voortdurend bezig met haar enige zoon. Haar jonge jaren leken verloren gegaan.
“Misschien wil je dat morgen wel opschorten?” fluistert Bram in de telefoon, terwijl hij in zijn hal wacht tot Maura aankomt. “Ja, sorry. Mama zit met een beetje griepsymptomen.”
Terug in de huiskamer, zit Aaltje al aan de koffietafel, zingend haar favoriete liedje: “Mijn Tuin in de Zon”. Bram herinnert zich het van jongs Af—een van haar opwachtelelijk opzwepende ballades. Vandaag voelt het als een zachte toon onder gegenereerde verborgenheid.
“Je hebt het afspraakje geannuleerd? Dat is mooi! Ik heb een stoofpotje klaargemaakt. Laten we eten,” zegt ze, terwijl ze een stevige lading stoofpotje opschept. “Eet op, jongen, je bent te mager geworden.”
Bram pakt zijn lepel, maar de emotie is overdonderend. In haar aanwezigheid voelt hij zich weer een kind.
“Ma, ik ben toch achttien jaar oud. Misschien is het nu tijd dat ik mijn eigen keuzes maak,” zegt hij, terwijl hij een happen neemt.
“Zesentwintig? Jawel!” valt Aaltje plots opgetogen in. “En toch geen gezin, geen kinderen! Alleen maar verglissantes met sproeten!” Ze buigt zich aan haar tafel voort, terwijl ze op de stoel archieven. “Nee, jongen, dat klopt niet. Neem nou mevrouw Janseen, haar dochter Els! Ze werkt niet aan computers, maar verbale doeken. Zij zorgt goed voor een man!”
Bram zucht. Els is al jaren geleden zijn leerkracht geweest en hij ervoor gekozen om haar weg te duwen door te verhuizen.
“Ma, laten we dit onderwerp gesloten laten?” zegt hij vermoeid. “Ik zou mijn leven zelf moeten kunnen regisseren.”
Aaltje’s ogen schitteren vochtig. “Je laat vandaag je moeder herhaalde vormen van liefde niet meer zeggen. Al gerookt, opgevoed en zelfstandig gemaakt. En het wordt: laat haar uit je leven verdwijnen!” Ze steekt haar hand op naar haar hart. “Dat is de dank…”
Dat trucje werkt elke keer weer. Bram voelt schaamte, ook al weet hij dat het manipulatie is.
“Ik zei alleen dat ik mijn eigen keuzes wil maken,” zegt hij toon aanpassend. “Jij bent belangrijk voor me, maar…”
“O, een arm kind,” huilt Aaltje plots. “Jij bent veel te naief.” Haar hand streelt zijn arm. “Je bent een begeerlijk figuur. Ingenieur met een eigen woning. Wie weet waar je Maura nu al plannetjes maakt over verlovingsjurkjes.”
Bram weet dat Maura al lang genoeg werkzaam is in luxeproducten, maar hij zegt niets. Er is geen zin.
“Later,” zegt hij terwijl hij naar zijn kamer loopt. Zijn flat heeft drie kamers, maar in zijn geest krimpen de muren. Hij herinnert zich zijn vader, die vijftien jaar geleden verwees: “Geef haar niet ruimte als een poel.” Hij had toen niet verstaan. Nu geluidzijlend genoeg.
Tegen de ochtend ruikt hij gebakken brood en ziet het een bord met koekjes op tafel. Schoonheidsglans.
“Goedemorgen, mijn spotzonnig!” zegt Aaltje terwijl ze het bord bij hem grijpt. “Ik heb je vanochtend op de werkplek al aangemeld, zeg dat je ziek was. We kunnen samen tv kussen.”
“Ik kan werk toch niet ontbreken,” antwoordt Bram terwijl hij de tijd checkt. Het is bijna laat.
“Om zo’n dag geeft de zon niet,” zegt Aaltje kortweg. “En ik heb je nodig. Die kasten moeten dekken, die antieke laden uitmesten.”
“Ma, ik neem morgen de boel op,” zegt hij, terwijl hij zich omdraait. Helemaal naar de deur.
Aaltje verstrakt, haar gezicht bezwijkt in verstilling.
Bram overweegt of hij iets moet zeggen. Hij besluit in de badkamer te gaan liggen en over de situatie na te denken. Waarom is hij zo snel gezegd gek op haar manipulatieve taal?
Toen hij weer naar buiten kwam, zat Aaltje in de hal met vochtige ogen. “Ik had last van hoofdpijn vannacht. Ik dacht, ik zou het nooit volhouden tot morgenochtend,” zegt ze, terwijl ze in de vloer kijkt.
Bram wil oponthoud. Hij denkt aan de werkplek. En aan de laatste woorden.
“Mijn hoofd nog steeds beklagen?” vraagt hij bezorgd.
“Een beetje losgeraakt,” zegt ze terwijl ze zwak glimlacht. “Maar weet je, op je leeftijd? Weet je, er gebeurt toch frikandel…”
Het laatste weet hij niet. Maar hij is er niet in geslaagd om weg te gaan. Hij belt zijn werkplek en zegt dat hij toch ziek is.
‘s Avonds, toen Aaltje op de bank zit met oude films worstelend, zoemt de voordeur.
“Ik verwacht toch iemand?” vraagt hij, fronsend.
“Nee,” zegt hij afwerend. Hij opent de deur. Achter de drempel staat Maura, met een taartje in haar hand.
“Goedenavond, ik kom mijn zieke toekomen,” zegt ze opgewekt. “Mag ik binnen?”
Bram staart haar aan. Dan kijkt hij via zijn ooghoeken naar de huiskamer. Aaltje is daar.
“Ja, natuurlijk,” zegt hij, terwijl hij haar binnenlaat.
“O, wacht nog, dat meisje! Ik ben Maura. Een genialiteit, Aaltje. Ik wilde graag met u kennismaken,” zegt Maura, terwijl ze naar Aaltjes kant kijkt.
Aaltje bekeek haar koud. “Eerlijk, mijn zoon heeft het traag gekregen. Hij heeft rust nodig, geen andere bezoekjes op dit moment.”
“Ma, je drukt me te veel,” zegt hij, tegenwoordig spraakzaam. “Maura overdrijft. Ik ben pinkerig gesloten geweest.”
“Mijn zorg is jouw gezondheid,” zegt Aaltje honend. “Ooit in de ochtend leken je te langzaam wakker, ja.”
“Wel zo’n zorg,” zuchtt Maura bezorgd. “Misschien is het beter dat ik vertrek?”
“Nee!” zegt Bram, tegen het verlangen in.
De avond is gespannen. Aaltje probeert Maura onderzoeken, zegt over gemoeddelijkheid en peinsend terwijl ze antwoorden op elkaar afuifvoegt.
“Vroeger wachtten vrouwen, tot de man hen om een date vroeg,” zegt ze, terwijl Maura vertelt dat zij het initiatief schonk.
“Wel jullie tijden zijn veranderd,” zegt Bram, merkend dat Maura zich schaamt.
“Jazeker, jazeker,” zegt Aaltje toonwindend. “Maar wat vrouwen zoeken is hetgeen mannen goed doen. En wat mannen zoeken is…” Ze glimlacht mysterieus.
“Goed, misschien willen we teruggaan?” stelde Bram.
“Op dit uur?” protesteert Aaltje. “Jij bent ziek, vergeet dat niet!”
“Eenmaal genoeg,” zegt Bram. “Morgen op tijd kom ik terug. En niet wachten tot elf uur in de nacht.”
Aaltje’s gezicht verstarde in teleurstelling.
“Wat dacht je dat je deed?” fluistert ze met pijn.
Bram wil het hoor niet. Maura’s hand is losgelaten. Ze rept over vroeg.
“Straks zie ik je,” zegt Bram, maar ze zegt niets. Ze draagt al haar handtas.
Wanneer Maura de deur achter zich dichtdeed, legger een zware stilte de kamer plat.
“Dankbaar?” vraagt Bram, zijn moeder aankijkend.
“Verpest die televisie goed?” snauwt ze terug. “Een andere vrouw zorgt al voor jou dan ik, norneboe.”
“Nee, ik ben niet ziek,” zegt hij, zijn boekendruk uitdrukking veranderend. “Ik was gewoon thuis, want jij zei dat je ziek was. En nu wil ik naar buiten met Maura.”
Aaltje zit op de bank, hand op haar borst. “Mijn hart… Ik voel me niet goed.”
Bram weet dat dit weer dat spelletje is. Hij moet dit keer zijn onschuld kunnen bewaren.
“Ik ga niet,” zegt hij vastberaden. “Een einde eraan. Ik ga weg.”
“Waartoe?” vraagt Aaltje verwonderd. “Naar je eigen programmiste?”
“Ik weet niet,” zegt Bram eerlijk. “Misschien naar het hotel.”
Aaltje zwijgt. Ze zit op de oorsprong.
“Ik snapt wat je bedoelt,” zegt ze plots. “Je kiest haar boven je moeder.”
“Ik kies geen keuze,” zegt Bram. “Ik kies gezondheid. En ik kan dit niet meer draaien.”
Hij pakt schoenen, jas, en laat de deur achter zich dichtvallen. Het is koud buiten. Regendruppels kotsen op stenen.
Maura belt hem. “Je bent niet oké?”
Bram glimlacht en belt haar. “Ik weet nu waarom.”
‘s Dag is een nacht ervoor. Het is drie dagen later. Bram is weer bij zijn moeder om spullen op te halen. Aaltje is rustiger. Ze heeft soms een kop thee klaargemaakt en een etentje gebakken.
“Je bent veranderd,” zegt Bram, terwijl ze binnenkomen.
“Niet,” zegt Aaltje. “Ik leerde iets.”
Ze zitten tegenover elkaar. Er is rust.
“Van een buurvrouw, Inge,” zegt ze. “Haar zoon woont in Canada. Zij belt alleen elke zes maanden. Ik wil niet zoals zij. Ik wil dat jij er bent. De laatste tijd wou ik je gewoon stevig vasthouden, want ik heb vrees voor alleen zijn. Net als toen papa.”
Bram luistert.
“Ik wil geen verlaten relatie. Ik wil dat jij je eigen leven leidt. Ik vertrek nu naar mijn zuster in het Maasland voor een tijdje. Jij en je vriendin, houden jullie contact. Maura mag me ook bezoeken,” zegt ze lachend. “En kijk, natuurlijk, overweeg ik alweer welke nieuwe bloemen ik in de tuin mag planten!”
Bram glimlacht. Nog niets is gebroken. Nog geen einde. Alleen een begin.






