Kleine baas

Hé, luister even, ik moet je een verhaal vertellen over Tijn, zijn moeder Marjolein en hun oma Greet.

— Tijn, ik moet over een half jaar op zakenreis naar Brussel, dat moet, ik verdien er wat extra euro’s mee, en jij moet goed luisteren naar oma Greet — zei Marjolein, terwijl ze haar tas pakte.

— Mam, ga je ver weg? — vroeg Tijn een beetje bang, hij had nog nooit zonder haar gelogeerd, al was hij bijna elf.

— Ik ga geld verdienen en dan kopen we samen een appartement in Rotterdam. Het is een eindje weg, maar de tijd vliegt, en zolang je met oma Greet samenwoont, ben ik er via de telefoon — stelde Marjolein hem gerust.

Marjolein vertrok, en Tijn bleef bij oma Greet. Ze wonen al drie jaar in dat kleine huisje in het dorp Heeze, sinds Tijn’s vader twee jaar geleden was overleden. Vroeger woonden ze bij oma Hendrika, de moeder van zijn vader, maar toen ze hun vader begrafen, zette ze hen uit haar appartement.

— Ga weg uit mijn appartement — riep oma Hendrika tegen Marjolein, Tijn hoorde het al. — Ik wil alleen, ik ben het zat, vooral nu mijn zoon er niet meer is.

— Waar moeten we heen? — snikte Marjolein, tranen in haar ogen. — Je weet toch dat mijn eigen moeder al lang dood is.

— Dat zijn jouw problemen, ik wil jullie hier niet meer — antwoordde Hendrika scherp.

Tijn herinnert zich nog hoe ze de spullen inpakten, een kleine bestelwagen kwam, laadde het paar koffers, en ze reden naar oma Greet in Heeze, dicht bij Rotterdam. Greet is de zus van Marjolein, ze woont alleen in haar eigen huis. Tijn kende haar niet; ze was al overleden voordat hij geboren werd, maar ze is nu zijn tante‑grootmoeder.

Drie jaar later is het leven met oma Greet “geen kattenpis” (zoals oma zelf zegt). Marjolein heeft een bescheiden salaris, genoeg voor eten, maar krap voor kleren; ze leven bescheiden.

— Greet, ik moet over een half jaar op zakenreis, kun je op Tijn passen? — vroeg Marjolein. — Er zit een mooie bonus bij, misschien kan ik een klein appartement in Rotterdam kopen.

— Geen probleem, ik kijk wel even. Tien jaar is al niet meer klein. Tijn is hier braaf en rustig. Ga maar, God zal je helpen — zei oma Greet.

Greet stemde toe om Tijn te verzorgen, hem te voeren, naar school te brengen en op te halen. Hij zit in groep 4, doet het goed en maakt geen problemen.

Greet heeft een zoon, André, veertig‑drie, die in een eenkamerappartement in Rotterdam woont. Hij is gescheiden, drinkt vaak, en ziet er niet al te best uit: een gezwollen geel gezicht, donkere kringen, hij is wat zwaarlijvig en strompelt. Tijn heeft medelijden met hem; André is eigenlijk wel een aardige en kalme man, maar oma Greet maakt hem constant op het matje voor zijn drank. Het afgelopen half jaar heeft André niets gewerkt, hij werd ontslagen omdat hij te vaak afwezig was, en zwierf zonder werk door de stad, dronk met vrienden, maar elke zaterdag kwam hij naar het dorp om zijn moeder te helpen: hout hakken, een poortje repareren, de schutting een beetje bijwerken.

— Genoeg gerommeld, André — riep oma Greet als hij thuiskwam — je bent al in je vijftigste, en je blijft maar hangen. Zoek een fatsoenlijke vrouw, dan kun je rustig gaan wonen.

André luisterde, lachte soms, en zei steeds:

— Waar vind ik zo’n normale vrouw die naar mij kijkt?

— Precies — zei oma — stop met drinken, niemand wil zo’n man. Word een mens, dan vind je wel een goede partner.

Op een zaterdag bakt oma Greet pannenkoeken. André houdt van pannenkoeken, net als Tijn, dus oma verwent beide elke week. Tijn zit op een klein krukje naast het fornuis en kijkt hoe oma de pannenkoeken omdraait, ze legt ze op een stapel en smeert ze royaal met roomboter. Hij pakt al een pannenkoek, en als oma de laatste pannenkoek op de boter smeert, zegt ze:

— Deze is voor jou, Tijn. — Hij weet dat de laatste pannenkoek altijd de lekkerste is. Ze eten samen, drinken thee en wachten op André.

Net toen oma de thee inschenk, begint Bello, de hond, luid te blaffen in de tuin en er klopte iemand aan de poort.

— Ik kom eraan — riep oma, terwijl ze zich snel aantrok, het is buiten koud.

Terwijl oma even weg is, pakt Tijn stukjes van de pannenkoek, slurpt ze met de warme thee, genietend. Hij neemt nog een pannenkoek, verliest de tijd, en merkt pas dat oma Greet terugkomt, tranen in haar ogen.

— Oma, wat is er?

— Tijn, André is overleden — mompelt ze, nog in haar jas.

— Hoe? En wat nu met al die pannenkoeken? — vraagt Tijn, geschokt, terwijl hij naar de stapel kijkt.

Hij heeft nog geen tijd om het te verwerken, en als hij het gegil uit de kamer hoort, barst hij ook in tranen. Hij gaat naast de bank zitten, legt een hand op oma’s rug en huilt harder.

Ze huilen samen een tijdje, tot oma kalmeert, opstaat en Tijn een glas water in een theekopje brengt. Ze drinkt het, omhelst hem, streelt zachtjes over zijn hoofd, alsof ze de pijn even wil vergeten.

— Oké, trek je aan, we gaan naar de stad voor een appartement. Ik ga even wat geld lenen bij tante Anke en tante Katja, want ik heb niet genoeg voor de begrafenis. Kleed je maar snel aan…

Als oma terugkomt, zit Tijn nog steeds op de bank.

Rate article