Leven in al zijn facetten

Op een zonnige dag had Joris zijn broodje gemist, maar had hij wel een nieuwe klus gevonden: helpen met zware tassen in de keuken van een welgestelde heer in Hilversum. Toen Mevrouw van der Meer de deur opende, keek ze hem met open mond aan, alsof hij haar opeens van vreemde melodieën was aangezongen.

“Goedemorgen, wilt u misschien helpen aan die tassen? Het lijkt wel alsof ze er elk moment uit kunnen glippen,” zei Joris, terwijl hij met een knipoog haar last overnam.

“Mooi zo, dankjewel! Ze weegt wel een fewe,” lachte Femke zenuwachtig, terwijl ze haar ellebogen verdedigend voor haar borst vouwde.

Joris tilde de tassen alsof het zakken suiker waren, en Femke, roodwangig als een erwtenbroodje met kastanjebruine krullen die bij elke tree wild dantzenden, moest haast maken om bij te blijven. “Als je nog sneller blijft struinen, ga jij straks als de gastvrouw voorop,” grinnikte Joris, terwijl hij zijn stappen wist te vertragen.

“Sorry, dwaalde even af in mijn gedachten,” mompelde hij, met diepe pupillen.

“O ja? En in welke wereld denk je dan vaak?” vroeg Femke nieuwsgierig, want Joris zag eruit als iemand die nooit in de zomer leefde: gescheurd, met jaapjes op zijn trui die net zo leken als zijn levensverhaal – halfverborgen, vol gaten.

“Allerlei dingen,” haalde hij zijn schouders op. “Soms denk ik aan het feit dat ik geen naam heb.”

“Geen naam?!” riep Femke uit, maar bedaarde zich meteen. “Verleden jaar vond een man je bij de Boezemweg, halfdood, hongerig en verward. Ze noemden je toen Viktor, maar …”

“Ik weet het niet. Ik heb geen herinneringen. Soms flitsen beelden: een harmonica, een tramhalte, een raam vol zonlicht. Toen ik uit het ziekenhuis kwam, gingen ze me opnemen in een jeugdherberg. Viktor was mijn codenaam, meer niet.”

“Dus je hebt eigenlijk geen eigen geschiedenis?”

“Klopt. Ik leerde opnieuw lopen – althans, leven.”

“Dat is een beetje ongelukkig,” zei Femke, “maar ik heet Femke, maar mag ik liever Lieske. En jij mag met jouw Viktor óf Joris óf … wat wil je?”

Hij glimlachte. “Ik ben begonnen met Joris. Misschien pas ik er wel aan.”

Toen ze bij het hek van de villa aankwamen, dat omringd was door bloeiende lila’s en een fontein die sproetjes in het zonnetje schoten, stond Joris even stil. Hij voelde zich alsof hij thuiskwam bij een vergeten verhaal.

“Binnen is het warm, net als vandaag,” fluisterde Femke, en ze duwde hem met haar elleboog. “Lieve hemel, jij bent net zo lang als een rietvarken!”

De keuken was het soort plek waar lieve schotels worden gebekookt: gouden boter, de geur van verse bessen en een haak alweer zwaar van het vloeibare goud.

“Daar ben jij, liefedje. En deze tijger hier zoekt werk. Misschien kun jij iets vinden voor hem?” zei Femke tegen Mevrouw van der Meer, die onder het glas van haar bril knikte.

“Uiteraard. Maar zorg dat hij geen stof raakt – de hond heeft een neus als een snuffelman.”

Joris keek rond, een beetje verbouwereerd – alsof hij zich plots herinnerde dat hij al eerder hier was geweest.

“Lieve, als jij even ijskoffie voor me wil zetten,” zei Mevrouw van der Meer, terwijl ze langzaam haar bril af zette. “En Viktor,” keek ze Joris aan, “als je wilt, kun je hier in de tuin wachten tot papa thuiskomt.”

“Of in ieder geval tot de hond niet meer knort,” fluisterde Femke, en ze lachte zachtjes.

Rate article