Gisteren trof ik opnieuw oude Janssen bij het hek van zijn perceel in het dorpje De Lier, zoals hij al jaren doet. Hij zit om half negen met een donkerbruine mok koffie van vijf eurocent, terwijl hij een broodje kaas in stukjes breekt om het aan zijn vriendin, de zwarte raaf Liesbeth, te geven. Elke ochtend wacht ze op het zonnige bankje naast de poort, haar zwarte veren glinsterend in het grauwe nederlands weer. Het is bijna een ritueel geworden, alsof de raaf zelf is opgenomen in het dorp als een soort zweverige buurman.
Toen ik gisteren niet zag dat ze kwam, besefte ik dat Janssen ziek was. De raaf maakte zich zorgen, dat wist ik, want ik zag haar dagenlang rondcirkelen boven het boerenhuis. Toen ik op een ochtend langs fietsde, vond ik haar op de drempel, net als vroeger, maar nu bij zijn bed. Hij lag te slapen, of misschien te zwak om te slapen. De raaf had een wilde blauwe plant meegebracht, stekende als een kruis gewortel op de oever. Janssen zei loaf dat hij het op een smoes wilde koken, voor wat extra kracht.
De maandag daarna was het raar stil, en de dorpelingen wisten niet wat te denken. De kinderen van Janssen arriveerden, net als altijd laat en zichtbaar onwetend over de kleine dingen, zoals zijn metgezel. Eline, zijn jongste dochter, knikte koud naar me. De oudste, Ronald, liep woest rond en smeet de koffiemok op de grond.
Toen raaf Liesbeth hem opvloog om iets te vertellen – of misschien gewoon te schelden voor haar onverwachte aanwezigheid – barstte Ronald in lachen uit. “Wil je een kraai kweken en krijg je een eend thuis?”, gooide hij het zoute raafspreekwoord wel en weinig bij. Janssen, die zich plots ternauwernood ophipte, keek hem met wat leek op trots in de ogen en bromde: “Soms heeft een kraai meer dankbaarheid in haar hart dan een erven wachter. Kruiven zien, harten weten.”
Hij stierf dat nacht.






