Femke stond in de deuropening met haar armen klem op elkaar, haar ogen vonkenden van woede. “Je hebt gehoord wat ik zei, Lotte. Ga nu. Onmiddellijk!” Haar stem overschreed de rookmelder bijna, zoveel schrilheid zat erin.
Lotte keek haar ontdaan aan. “Wát is er in godsnaam met jou aan de hand?” Haar stem klonk alsof ze net een worst in de raderen kwijt was geraakt. “Jij hebt me zelf uitgenodigd. Jouw laatste briefje luidde: ‘Kom logeren, we hebben zoveel te vertellen, of naar je zus gelooft het niet!'”
“Ik had me vergist,” beet Femke haar toe, “je bent hier geen dag langer welkom. In een halve eeuw heeft geen spier geknipperd, maar nu wil jij ineens overal met die opgeschoten babbel van je?”
Lotte wierp een blik op haar koffer. Die stond netjes geplastificeerd en geadverteerd bij de bank. Ze had net de afwas in de kraam van Femkes vriendin gezet en al half haar sokken opgerold toen het misging. “Femke, alsjeblieft. Wat is er tussen ons misgegaan?” Haar stem zakte af, alsof ze een onweer in haar keel had.
Femke stak zenuwachtig haar nagel in haar voorhoofd, alsof ze een app had die ze uit moest schakelen. Haar gezicht was nuchter als een offerteboek, behalve die ene knikker die ze wachtte als een gijzeldame. “Er is niets misgegaan. Jij past niet in mijn tuin.”
Lotte had alles in haar koffer, willen of niet willen. Ze voelde zich als een container op een perron. Daar stond ze, met Femkes oogsten als terugkeerregeling, en plotseling wijd en zijd geen persbericht over hereniging. Nog geen week eerder had Femke haar opgezocht met een briefje: “Kom langs, we zitten er midden in, de ouders zijn erbij, we delen de taart, koffie-hapjes!” En nu dat.
De deur knalde in haar rug, alsof Femkes kloon daarachter stond. Lotte zat bij een Albert Heijn op een krukje en probeerde haar koffer op wielen. “Onderwater”, mompelde ze en stond op. De tijd gleed als stroopwafels uit haar handen.
“Jij weet waar ik zit, hè?” fluisterde de voicemail in haar telefoon. “De taxi komt erover tweeëndertig minuten. Loop maar die kant op.”
De neerslag had het uiterlijk weg van een zachte worst met krenten. Lotte pakte haar koffer en liep langs paaltjes waar mensen hun fietsen vastmaakten. Een man had zijn hond bij de riem, en deze snoof haar geur en bepaalde onmiddellijk dat ze geen vriendin was. “U bent onverwacht,” zei de hond en liep verder.
Jeroen, tijdens zijn logeerpartij bij zijn zus in Duitsland, had haar via kennismakingswebsite al vijf keer gevraagd: “Waarom trek jij nog naar Nijmegen?” En nu stond ze hier, opnieuw zonder koffer op wielen, met een telefoon vol ongemak.
“Jezus, Jeroen, ik moet echt snel ergens zijn waar ik warme koffie krijg. Ik heb Femke makkelijk kunnen genezen, maar nu is ze zo koud als de achterkant van een vleeslazerpunt.”
Jeroen had haar binnen in zijn driekamerflat kunnen proeven als espresso, maar de cafeïne wreef via zijn glimlach mooi weg. “We passen het aan. Er zijn genoeg houten stoelen en bloempotten die je koffie aanbieden.”
De overloop van Femkes woning was een theaterstuk. Lotte had zichzelf beter voorbereid op een interviewsessie, maar de set had een boekhouder veranderd in Scooby Doo. Ze zag de administratie van hun moeder’s nalatenschap voor zich: een inventaris waarin Femke had zitten tellen of een hertenbok in een doos.
Femke had geprobeerd het te versterken met gezelligheid, maar “koffie met stroopwafel” en “grachtenwandeling” waren niet het juiste antwoord op “moederlijk geheugen”. Lotte had de woning gekocht en Femkes aandelen opgekocht, zoals een verzamelaar een zeldzaam kaartje koopt. Het was nooit een echte deal geweest, meer een zinloos gevecht om een sprookje te redden.
Die avond, in Jeroens flat, had ze haar tranen opgestoken met een calmerende muziekplaat. Jeroen had nooit iets gezegd over het verleden, behalve dat Femke op dat moment “misschien haar vliegtu en geen drankje” meende.
Uiteindelijk hadden ze besloten dat ze zouden zorgen. “Het is niet fijn, maar het moet,” zei Jeroen, terwijl ze met elkaar in de bank zaten. “Je zus zit in haar eentje te denken, net als jij. Morgen zijn jullie weer normale vrouwen.”
De volgende ochtend stond Femke voor Lotte’s deur. Haar ogen stonden zoveel op als een pannenkoek in een pan. “Ik heb een verklaring ingeschakeld,” zei ze. “Je zus…”
“Wat is het nu weer?” vroeg Lotte, terwijl ze met haar hand uitstak voor een handdruk. “Heb je al duizend excuses gemaakt?”
“Neem me gewoon onder,” zei Femke, en ze pakte haar zusters hand als een niet terugkerende aanbod.
Lotte keek haar aan en dacht aan de laatste drankvergunning die ze had getekend. “Niet te doen.”
Ze trok aan Femkes arm en liet de deur dichtvallen. Het was weer een dag geweest. Een dag waarop ze begreep dat familie niet altijd hetzelfde was als een koffieshop in de gracht. Maar soms, ook al was het raar, was het ook mooi.






