Lotte keek zenuwachtig op haar horloge. Haar ex-man, Jop, had weer verwachtingsvol vertraging. Vijf lichte seconden per minuut, zoals het al twintig jaar lang was. Ze was gewend aan zijn aarzelingen, maar vandaag kwam het als een vreemde taal, fluisterend door de hoekjes van de koffiebar. De geur van verse koffie wolkte haar om, zoals een sjaal die te dik was geweven van herinneringen.
“Denk je niet dat dit over is, Lotte?” vroeg Wilma, haar vriendin, die de enige was die wist van het plan. Haar stem had de warmte van een koude winterse windvlaag.
“Denk ik wel,” fluisterde Lotte, haar vingers door haar haar haarde, alsof ze daarmee haar taal kon verzetten tegen de tijd. “Alles is uitgestippeld.”
Het café waar ze zaten had een vloer van geplastronneerde plavuizen, en de muren waren bedekt met oude schilderijen van stadsgezichten uit de 19e eeuw. De zon gleed als een flapje aan een jeneverglas. Lotte had hier vrienden en verhalen, maar tegenwoordig kwam ze alleen terug om te wachten op de tijd of op een spreuk. Haar woning, een benedenverdieping in het centrum, was leeg als een lijst zonder schilderij.
“Zou je er niet over nadenken, Loetje? Dit is… dit is alles.” Wilma’s hand, met haar vingers als riettjes, had haar schouder aangeraakt.
“Lieve Help, ik heb een andere woning in Drenthe. En zo ben jij weer de stem uit een reclamefilm, alsof ik door iemand gegijzeld ben.” Lotte grinnikte, hoewel er geen glucosespiegel onder haar taal lag. “Jij herhaalt maar: ‘Geef hem niet, geef hem niet’.”
“En je ook: ‘Laat hem eruit, laat hem eruit’.” Wilma lachte, maar haar schouders spanden als ranken onder een raam. “Maar hij is jouw stille neef, altijd onder je vel, en nu ben je vrij.”
Lotte keek naar buiten. De parkeerplaats rimpelde als een plasje vloeibare zon. Daar stond de oude Volkswagen van Jop, zijn voertuig als een gedaam van vergeten verhalen.
“Daar is hij,” zei ze, kalmer alsof ze zelf de zin van het versierde water had bepaald. “Wilma, wil je aub…”
“Laat me nog een laatste keer over redelijkheid denken.” Wilma haalde haar munten uit haar tas, gooide ze op tafel, drukte een kus op Lotte’s wang, en verdween mee met de schuifdeur, waarbij ze bijna tegen Jop’s opkomende schaduw botste.
“Hallo,” zei Jop, en hij nam vlug de plek van Wilma in. Zijn stem had een onbekende hoek, alsof hij zich verdiept had in een Nederlands dialect dat alleen bestond in dromen.
“Dertig minuten.” Lotte probeerde haar ademhaling lichter te maken, zoals een vogel die geen kraai meer is. “Hoe gaat het?”
“Alles zit in het waterbouwken,” mompelde Jop, zijn das strakker aanrakend, alsof hij probeerde het neergaande schip van zijn manieren weer opkrik. Zijn haar had zilveren strepen, en zijn ogen zeilden als die van iemand die maar half wakker is.
“Ik doe wat je nodig hebt.” Ze sprak de woorden alsof ze samen te veel melk in thee hadden gegoten. “Zonder voorwaarden.”
“Bezweer je dat?” Jop had zijn armen als een zwerver tegen zijn borst geklemd. “Als ik deze dingen herstel, zal ik je terugbetalen, als er zulke dingen zijn.”
“Ik weet dat je nooit iets je selfie ooit veroorzaakt,” fluisterde ze, haar mond weer in een glimlach van scherpere sier. De ironie in hun huwelijk was jarenlang slechts in deze glimlach blijven steken. In twintig jaar had Jop al zijn woorden als losse stukken in een schilderij geschilderd, en Lotte had ze weggezet in een kluis van vergeet.
Jop keek maar vlug. De tafel voor hen was een spiegel van vreemde personeel en haar eigen schaduwen.
“Tien miljoen,” zei Lotte, de woorden als een vliegzandstorm in zijn mond. “Alles, wat ik had.”
Hij bleef stil, alsof hij in een droom naar het geluid van zijn eigen naam zocht. De serveerster kwam, maar Jop wees haar weg, zijn aandacht alleen voor Lotte.
“Is het over Joris?” vroeg hij, zijn stem nu alsof hij diep in een boek met verbroken pagina’s zocht.
Daar had ze genoeg van. Joris was vierentwintig, en sinds zijn ouders结婚 had hij haar meer als een zeldzame pavinee worden gestoken. Zijn ogen, vol verontwaardiging, waren de laatste keer die ze hadden gezien.
“Laat dat.” Lotte’s stem gleed als vloeibaar glas. “Niet het verbinden.”
Ze pakte haar aktetas, haalde er formaat en ideeën uit, en overhandigde ze aan Jop. Haar gedachten waren als de wind rond de windmolens in Utrecht, maar haar handen waren vast als de grachtstenen in de hoofdstad.
“Laat ons hier,” fluisterde Jop, zijn vingers als een opdringerig bloemblad naar haar hand uitstekend. “Is het echt zo eindelijk?”
“Ja,” zei Lotte, zich losmakend. “Hij is de vader, en jij was de spiegel. Dat is genoeg.”
Ze liepen de drukkende lucht in, waar het regende, zachtjes, alsof de lucht zelf zijn ego vertraagde. In de auto spraken ze niet. Lotte zag herinneringen aan hun huwelijk in de regenplassen drijven. Joris als een baby in haar armen. Jop’s hand om een camera, voor de eerste keer serieus genomen. De laatste zomer met zijn ouders, met gebroken zonweringen, en het verlies van een steun als een boom.
In de bank was alles snel. De computer klikte, als een oude zender die lawaai maakte bij de overdracht. Lotte’s bankrekening was leeg. Haar ogen droogden als een droogvloedse kust.
“Bedankt,” zei Jop, en hij keek haar aan met die diepe blik die alleen zoouw in wat niet is gezegd. “Hoe zal ik terugbetalen?”
“Geef me terug geen droom.” Ze pakte het zadel van haar tas en ging erlangs, alsof ze een droom uitschudde. “En zeg Joris niets, alsjeblieft.”
Ze liep de straat in, waar de regen was opgehouden. Het was februari, maar de lucht had de geur van een vroeg voorjaar. Haar mooie woning stond leeg. De muren waren wit, zonder herinneringen. Soms kwam Wilma langs, of een briefjes, maar meestal zat ze alleen met haar koffie, terwijl ze buiten keek.
Ze had al lang geen post meer ontvangen van Jop of Joris. Haar leven was een nette lijst van keuzes: vakanties naar de camping bij Drenthe, cursussen digitale visie, en een tuin met peperkoekstruiken. Soms had ze haar eigen naam met een vreemde lach uitgesproken, alsof ze zich wist los te maken van iets oudermans.
Toen ze thuiskwam, had ze bijna niets. Haar handen trilden niet, anders dan normaal. Ze zat in haar kamer, de ramen wijd open. De regen had de lucht schoon.
Later die ochtend kwam Jop, met zijn jas vochtig van de laatste natte adem van het nacht. Zijn ogen waren diep als een onopgevraagde geheimen.
“Wat?” vroeg Lotte, haar stem alsof het een ei was dat de punt van haar keel verteerde.
“Ik sliep niet,” fluisterde Jop. “Ik denk niet dat je wel wilt dat je dit doet.”
“Waarom?” Ze tikte met haar vingers op het kussen, alsof ze een sleutel kon vinden in een wolk van ruis.
“Je gaf mij alles,” zei hij, zijn hand in zijn zak als een bloem die hoopt op zon. “Ik denk dat je iets probeert te schenken aan jouzelf, zonder te weten wat je terugkrijgt.”
Ze lachte, een geluid als brak glas in een sprookjesmuziek. “Misschien.” Haar knieën raakten het tapijt, alsof ze wilde dat haar woorden verwijderd klonken. “Ik wil vrijheid, Jop. Niet de soort die je liegt aan het eind van een droom, maar de diepe, waarin ik geen pijlen meer volg naar jou of Joris.”
Hij staarde haar aan, alsof hij in spiegel kon zien without her. Toen vertrok hij, zijn voetstappen als die van iemand die in een ander leven had geleefd.
Een week later kwam Wilma, haar ogen zwaar als windmolens in een storm. Ze had een kaart gebreid van Drenthe, met bloemen van het veld.
“Ben je er echt klaar voor?” vroeg ze, terwijl ze handen hadden als koffie bekers die te veel warmte verliezen.
“Ja,” zei Lotte. “Ik verkoop mijn woning in de stad. Ik heb verkoperen van bloemen, kanalen, en vrije lucht verkopen.”
In april was alles afgerond. Haar spullen stonden in dozen. En op een ochtend kwam Joris, binnenkomend alsof hij zijn eigen naam had vergeten.
“M-moeder,” zei hij, zijn voeten als die van iemand die nooit de moed had om een plek te verlaten.
Lotte keek op van een kaart naar Drenthe, en glimlachte alsof ze hem had verwacht. Ze had hem niet gezien sinds het einde van hun vaders huwelijk. Het was vijf jaar, en de afstand had als een ongekende lichtkrans op zijn rug gezeten.
Ze speken lang. Hij vertelde haar over zijn leven, over zijn vrouw met gouden haar en een hart als een buitenlands kunstschilder. Hij fluisterde verwijten, en ze luisterde alsof het een lied was van vroeger, maar zonder de toekomst.
Later die nacht sloot ze hem in haar armen. De regen was droog, en de kustmaan had een glinstering als een ring van oude liefde.
Ze woont nu in Drenthe, in een woning met zonneschermen van geraniums. De stad van Drenthe heeft diepe nachten en zon op de ondergronden. Jop stuurt soms geld, zachtjes, alsof het een uitlening in een ander leven is. En Joris komt vaak, als een levend akkoord op een oude plek.
Soms, nadat ze heeft gesproken met Joris, kijkt ze naar de zee en glimlacht. De golven rijden tegen de kust en verspreiden zich in schaduw. De herinneringen aan haar huwelijk zijn verloren, maar het nu is als een nieuwe flora, groeiend in een eeuwige herfst van de ziel.






