**UITNODIGING**
Toen mijn hond Binkje zijn gebruikelijke bui had, rukte hij plotseling woedend aan de riem. Net zoals altijd zag hij niets moois in de brievenbus, vooral niet als daar een postbode bij zat. De man, op zijn fiets, gooide gauw een levendige envelop in onze halfgesmolten brievenbus en verdween haastig. Mijn hond keek de achtervolging na met opgezette oren, alsof de fietsist werkelijk een zonde had begaan.
Ik hield de envelop aan met een vage frons. Brieven hadden tegenwoordig de eigenschappen van briefjes in de wind — onverwacht, vaak onrelevant, en meestal een vonnis in het formaat van een huurbon of een rekening.
Een vlaag nostalgie stond mijn adem in. Ik zag mezelf als kind, die rare uitnodigingen uit de brievenbus checkte: oude vakantiefoto’s, cadeaubonnen, een brief van een verloren neef uit Java. Tijdens de jaren tachtig had de brievenbus een eigen ziel, net als wij. Je kreeg de laatste nieuwtjes van notenverkopers, verjaardagskaarten van je oma en af en toe een brieftje met rozen. Nu was het vooral papierwerk.
Toch had ik me verheugd op een stille communicatie. In mijn jeugd klonken de zinnen van verre ooms liever in het hondertaal dan in WhatsApp. Maar die tijd was voorbij.
Ik vouwde het envelop open. Een mooi vleeskleurig doekje omgaf een uitnodiging voor een Foamopstand in het huis van mijn nichtje in Leiden. Ja, de Foamopstand. Ze waren er trots op. Een kind dat groeit, een toekomst die迎来s.
“Lang geleden,” mompelde ik, mijn blik op de kaart vestigend. De laatste keer dat ik haar zag was in 1993, toen ze in Hilversum een modepop was, en ik met een studentenboek in mijn rug op een fietskar naar haar flat reed. We hadden samen barbecues op het balkon, we hadden geen zin om naar huis te gaan. Nu was ze een half honderd kilometer verderop, en ik had haar alweer jaren niet gezien.
Mijn vader zou gek geweest zijn als hij me nu zag terugkijken naar die tijd. Toen was ik nog jong, vrij, en niet verantwoordelijk voor wasknopen of aanvragen om een nieuwe SUV.
Uw oma, mijn moeder, was uit een gezin met tien zussen, allemaal gemengd met mensen met een weinig traditionele achtergrond. Sommigen gingen naar Suriname, anderen naar Zaandam. De rest zat op goedkope feesten met erven en frites. Het was een wirwar van accenten, trekken en oud dolkblad.
Nu was ik alleen, met een half leeg huis en de beloften van mijn vader, die hij toen nooit tegen me liet vallen. Om eerlijk te zijn was ik me daar pas bewuste toen ik mezelf zag staan voor de deur van mijn nichtje.
De uitnodiging was fraai. Ze hadden er zwaar op gegeven. Foamopstands waren nu gewoon extra feest, maar vroeger was het een rite of passage. Een moment dat je groeide en je ouders een beetje verloren, ook al zouden jullie elkaar later opnieuw vinden.
Ik keek naar de treinreis. Duur. De hitte in Zuid-Holland in juli was allicht een test van mijn lichaam. Buiten had de zon het al volledig gebruind, en ik moest weer een shirt kopen, want het enige wat ik had, was van vorig jaar en te klein geworden.
Ik dacht aan het gevaar van oud wandelen. In je hoofd heb je altijd hetzelfde plaatje van hen — net als destijds. Maar ze verouderen, en jij verandert niet met ze. Ik kon de oude foto’s ophalen, de zinnen die we vroeger liepen te zeggen, en ik kon in de weerspiegeling van hun ogen zien hoe de jaren er een aantal seconden van weg pakten.
Ik besloot. Een kort bericht naar mijn nichtje, een cadeau in de post, en dan zou ik er geen tijd meer aan besteden. Beter om de herinneringen te laten rusten, zoals de briefjes in mijn brievenbus.
Ik gooide Binkje los op de tuin, stuurde mijn dochter een berichtje en probeerde mezelf te overtuigen dat ik niets miste.
“Er is genoeg van alles,” zei ik tegen het niets. “Je houdt er maar niet meer bij.”






