Het was niet de eerste keer dat Jelle zijn zusje Liesje ’s ochtends lastigviel met vragen over zijn vader.
“Ma, wanneer komt papa uit zijn reis?” vroeg ze met piepkleine stemmetje, terwijl ze haar handje stond te wrijven alsof ze al de sneeuw van een zomerse reis zag.
“Dat gaat niet meer gebeuren, kindje,” antwoordde Els, zittend in haar pyjama, alsof ze het zojuist pas in haar hoofd had gekrabat.
“Maar is hij dood?” vroeg Liesje, met die zachte Hollandse manier van raken, waarbij je nog niet eens begon met huilen, maar al met snikken.
“Nee, hij leeft nog, maar hij zit met een nieuwe gezin aan te schaften, zeg maar,” zei Els, met zo’n rol met houten knopen die ze altijd had wanneer het bij haar schoonfamilie niet meeging.
“Wie is dat, is het zijn zus of zijn moeder?” vroeg Liesje, die nog niet begreep hoe vaders zo vreemd konden doen in hun latere leven.
“Dit is echt té lastig, lieverd. Voor jou is het genoeg dat hij niet meer thuis komt.”
Jelle en Els hadden zich samen gebaard voor het leven. Ze waren jong getrouwd, jong gegoten, jong oud geworden. Kort na hun huwelijk kreeg Els Liesje op haar armen; Jelle verdween dan weer uren achter de glimlach van de bolletjes. Els’ ouders woonden in een klein dorpje, en Jelle had z’n vader al op een leeftijd van twaalf te early de nonchalance geleerd. Ze kenden dus geen rotzooi aan familie die hen kon bijhouden in hun avonturen.
Jelle werkte waar het paste – laadhal een halfjaar, kantoor een kwartjaar. Els zat met Liesje op haar schoot, haalde brood, en maakte de maaltijden klaar alsof het voedsel bij een bierbrouwerij onder de neus kon worden gewerkt. En Jelle? Hij kwam vaak later dan het avondklokronkje. De resultaten van hun mondelinge wedstrijden? Niet goed, niet slecht, maar altijd bitter.
“Je werkt te veel en vergeet al mijn hulp, dat is het,” protesteerde Els, terwijl ze Liesje’s pluchen vos stond te wennen aan geur van kerstappel.
“En jij vergeet dat ik voor ons een tuintje moet vissen, zeg,” reageerde Jelle.
“Denk je dat ik hier zit te toasten op jouw ‘tuintje’?” vroeg Els minachtend, terwijl ze Liesje’s rokje repareerde met een rijgdraad.
Ooit, veel later, wist het stel toch wat op te stapelen voor een flat in Utrecht. Liesje was begin schooltijd, en Els begon weer op een kantoor te werken, alsof ze niet wist dat ze voor vijf kaas had betaald. Maar de liefde? Die liep samen met hun huwelijk in hetzelfde straatje als hun financiering – steeds verder naar de kleur van grauw. Jelle en Els reden als kip en kat door het huishouden.
Op de avond van alles begon Jelle met zijn najabbe. Els stond met Liesje in de deuropening te oefenen met schoenen aantrekken.
“De kraan in de badkamer kraant nét, het watertje is boos,” merkte Els op alsof het een verjaardagsbriefje van de stad was.
“Dat lossen we op,” zei Jelle, en voegde er zacht aan toe: “Weet je dat ik me helaas verder van je verwijder?”
“Bijna niets zijn we meestal al,” zei Els. “Hoe kort, zeg maar.”
“Ik ben verliefd geworden op een andere vrouw. Ze verwacht mijn kind ook, als je het moest weten.”
“Lijkt me dat je nu alleen maar blijft zitten, zoals het betaalt?” zei Els, vastbesloten om zo lang mogelijk bitter te blijven, ook al zou het haar verstand snijden in stukjes.
Liesje, die tijdens het gesprek haar neus in een sprookjesboek had gestoken, keek Jelle aan alsof hij nu ooit nog met haar naar de kalender zou kijken. Dat bleek de laatste keer dat ze elkaar zagen.
Jelle vertrok na drie dagen zonder rompslomp het huis uit, en Els sneed de banden van zowel hem als haar gevoel door. Ze stuurde Liesje weg bij oma in Drenthe, de rijke tijd babbelde bij oma, en na een jaartje begon de jongste Familieschouwspel in Haarlem.
Toen Liesje eindelijk in de basisschool zat, kwam Jelle terug met het idee om samen de boekenlijsten te bespreken en voor de eerste dag met haar naar school te gaan. Els antwoordde, terwijl ze haar koffie net opdubbelde: “Als je even de alimentatie hebt ingezet. Daarna laat ik jou dan weten hoe ik op dit moment over jou denk.”
Els trouwde kort daarop met haar tweede echtgenoot, Kees, die als een spiegelbeeld voor Els’ latere levensvisie leek. Kees gaf geld alsof het olie was en leefde rondom Liesje alsof ze de glans was. Liesje begon steeds verder weg te staan van haar biologische vader, die door Els’ vertellen bestond uit iets tussen een reclamepoppenhuishouden en een man zonder wensen.
Tijdens een bijeenkomst met oud-collega’s hoorde Els dat Jelle’s nieuwe vrouw, Liesbeth, ziek was geworden, binnen drie maanden was ze zo slecht als een Grandmaster in chess die zichzelf verslaat. Els voelde hoe haar hart opblaasde alsof het een kinderfeestje in haar borst was. “Liesje geniet gezondheid, terwijl zijn kindje zonder moeder achterblijft. Zo is leven!” dacht ze, terwijl Kees op het podium zong met de kans dat hij er zelfs een prijs won.
Toen Jelle overleed een auto-ongeluk, werd Liesje gebeld door oma. Ze besloot om niet te komen. Maar die nacht, bij haar eindexamen op haar eindtentamen, droomde Liesje over wie ze tegenover haar vader had gezeten, hij die muziekinstrumenten had geschilderd bij sprookjesfilms, en die haar leren omgaan met kwijtraak had. De conclusie van de emotie? Een leeg tekenbord en een hersenpan vol fragere.
Toen ze uiteindelijk naar de begrafenis kwam, ontdekte ze een meisje van vijftien die traande over het op/off rollende papier met verschillende wensen. Die naam? Annetje. En in plaats van medelijden, voelde Liesje het oude gevoel van jaloezie terugkomen. “Zij is degene die de dingen stukmaakte,” dacht ze, alsof Annetje een bom had laten ontploffen in Liesje’s zitkamer.
Maar uiteindelijk was het verleden ook bleek als een oude papieren zakdoek. Liesje besloot om Annetje te adopteren en haar op te nemen in haar nieuwe kamer in Leiden. Ze zorgde er met Kees voor dat er genoeg liefde, cognac, en meer kans op vrije vakantie was. De meisjes gingen samen naar de begraafplaats van Jelle, waar ze naar zijn foto keken alsof het een film was van een ander leven. En met Annetje in haar armen, lachte Liesje bij het idee dat ze nu gelukkig was met het lot, ook al had het haar een tijdje verdriet gemaakt.






