Aafje van Dijk begint haar ochtend zonder op te frunniken. Ze weet al dat vandaag zal beginnen met ruzie. Ze rijdt de koffietent op in Almere, waar haar zoon Ivo en schoondochter Fleur samenwonen. Haar tas bevat een dik winterjas en flink wat stroopwafels, zoals iedere keer. Maar de deur hoeft nog niet open te gaan of het is duidelijk: iets verkeerd is.
“Wat bedoel je, het is niet jouw zaak?” Aafje’s stem beeft. “Ik ben zijn moeder! Hoe kan dat nou niet mijn zaak zijn?”
“Juist omdat je zijn moeder bent,” antwoordt Ivo, zijn ogen gericht op zijn smartphone. “Ik ben veertig, mam. Veertig! Wanneer begrijp jij dat eindelijk?”
“Daar lachen we al jaren om,” kaatst Fleur terug, die in de keuken staat met een kop koffie. “Ze stelt zich elke dag op als een soort dienstregeling.”
Aafje kijkt naar Fleur, nu in een zomerse, lichte jurk, die een paar tientallen euro’s kost, tegenover de jas die ze net uit haar tas haalde. “Ik spreek met mijn zoon,” zegt ze, ijskoud.
“En ik met mijn man,” gaat Fleur verder. “En ik heb genoeg van al je adviezen over die chinees-met-broodjies, winkelstraten en wie zijn tellen moet leren.”
“Oke, hou op,” probeert Ivo tussen te komen, maar Fleur luistert niet.
“Néé, laat buten!” Ze zet haar kop koffie neer, zo hard dat de inhoud opschuimt. “Jij bent gewoon aan het controleren! Alles moet via jou runnen. ‘Beter koken’, ‘beter winkelen’, ‘beter opvoeden’. Ik heb ook een brein op mijn schouders!”
Aafje voelt de hitte in haar borst. Ze is gekomen zoals altijd, met stroopwafels en een nieuwe jas voor Ivo, want die oude was roetzwart van de vuiligheid. Maar alweer: niemand wil hulp in Nederland. Alleen dringend advies.
“Ik bedoel het goed,” probeert ze, terwijl ze haar handen wringt. “Ik wil je alleen helpen.”
“Helpen?” Fleur grijnst spottend. “Nou, jij wilt het zeker allemaal zelf doen. Elke dag thuiskomen met jouw nieuwe ‘tip van de week’. Geef ons ons leven terug, alsjeblieft!”
Ivo zucht, legt zijn telefoon neer. “Mam, we hebben gewoon… een beetje ruimte nodig.”
Aafje kijkt naar hem. Haar Ivo. Die ze allemaal zelf heeft opgevoed, nadat die stommeling van een vader haar in de steek liet. Die hij niet eens omraakte om een opleiding, niet dat hij er echt een had nodig. “Ik bemoei me niet met jullie,” fluistert ze. “Ik zie alleen mijn kleindochter…”
“Jij denkt aan je kleindochter,” onderbreekt hij. “Maar wij kunnen ook kaas kopen, hoor. En koken.”
“Zeker, nu jij zondag het vaste maaltje hebt gemaakt uit ingevroren viesheid,” zegt Aafje, haar stem snijdend.
“Daar heb ik geen speelgoedhaard voor nodig,” vlamt Fleur op. “Ik zit niet de hele dag thuis, hoor! Ik werkt!”
“En ik heb ook werk,” verdedigt Aafje zich. “Ik heb een tuin, een kroeg, een doodbak met mieren.”
“Als je dat werk noemt,” spot Fleur. “Jij zit gewoon elke dag op de bank te zeuren over wie wat moet doen.”
“Elke dag?” roept Aafje, haar handen vuistend. “Ik ben toch ook levenslang geen sportschoolganger geweest?”
“Kijk waar dat jou leidt,” beet Fleur haar toe. “Als ik niet vertrouw op mijn eigen ogen, waarom dan? Jij bent de enige die ooit voor me is, of zo?”
“Jij bent mijn zoon,” snéé Aafje in, plots huilend. “Toch?”
Ivo staat op en loopt naar haar. “Mam, we bedoelen niet dat je niet mag komen. Alleen… iets minder vaak, misschien?”
“Veel minder,” voegt Fleur eraan toe, terwijl Ivo haar degelijk op zijn hoofd stompt.
“Moet dat?” bromt hij.
“Wat moet dat? Jij wilt gewoon geen eind loze. Rijd naar huis, ga je tijd daar doorbrengen.”
Aafje pakt haar tas. De jas en stroopwafels zitten er nog in. Ze voelt zich leeg, alsof ze plots niets waard is. “Waar ga je heen?” vraagt Ivo.
“Naar huis,” zegt ze. “Als ik hier een last ben, toch.”
“Mam, niet doen,” smeekt hij. “We verjagen je niet!”
“Je verjaagt me,” fluistert ze, terwijl ze aan haar jas trekt. “Alleen op een zachte manier.”
“Mam, breek alsjeblieft niet op. Fleur heeft er gewoon een wat.”
Ze belt haar zus Alja in Utrecht. “Ik kom naar jou,” zegt ze. “Ik weet niet waar ik anders heen moet.”
Herfstregens vallen toen ze de tram neemt. De wegen zijn nat, de lichten glinsteren. In het treinwagentje ziet ze jonge stellen, kinderen met harde stemmen. Geen ouwe tante meer.
Alja mist haar gelijk. “Waar gaat het over?”
Aafje vertelt in één adem. “Ik ben gewoon diegene die je altijd moet helpen, hè?”
“En wanneer heb jij ooit hulp gekregen?” kaatst Alja terug. “Misschien is het tijd om je eigen leven te pakken. Hoeveel stroopwafels heb je al aan ze gegeven? Zelfs die jas zit doof!”
De avond verstrekt. Aafje keert terug naar haar Almeerse woning. De jas ligt nog in de tas. Er is een datum per kledingstuk: 2010. Haar zoon was toen zestien. Ze opent haar laptop. Er zijn cursussen in het Italiaans beschikbaar. En een theaterclub voor vrouwen boven de zestig. Misschien is het tijd om een rol te spelen. Niet die van de bemoeiende oma, maar de actrice in haar.
Ivo belt laat. “Ik wilde zeggen…”
“Wat?”
“Dat ik me rot voel over vandaag. Fleur heeft overhaast gereageerd.”
“Misschien heeft ze gelijk.” Aafje glimlacht. “Misschien is het tijd voor mij om eindelijk eens voor mezelf te beginnen.”
“In ieder geval,” eindigt ze. “We zien elkaar als ze me uitnodigen. Niet andersom.”
De jas ligt nog in de kast. Maar nu is het een symbool voor onafhankelijkheid. Niet voor controle. Overmorgen treedt ze op in haar eerste theateravond. Een rol als oma uitkomt niet. Maar misschien wel een jonge liefde in een Italiaanse film. Aafje ziet zichzelf glimmen onder die verlichting. Ze weet nu zeker: dit is pas haar echte leven.






