Zondagsillusie
Rond de tafel in hun kleine appartement in Den Haag, waar de regen onophoudelijk tegen de ramen tikte alsof het probeerde binnen te komen, balancerend tussen de geur van pannenkoeken en de stilte van een ochtend, zat Anne. Ze legde de tweede schaal met gloedhete pannenkoeken neer. Haar blik bleef hangen op de rug van Sjaak, haar man, die met een krant bij het raam zat en het nieuws las dat daar maar bleef praten zonder naar hem terug te spreken. Anne’s gedachten waren als stroop, traag en zwaar, steeds weer datzelfde, sinds maanden al, dat wat haar op vrijdag al de vreugde op zondag ontneemt.
Sjaak, begon ze, haar stem een fluistering die dreigde op te lossen in het geruis van de regen.
Hij trok zijn brillenglazen iets naar beneden en keek haar aan alsof ze haar nog nooit eerder had gezien.
Wat is er, Annetje?
Zullen we het haar vandaag zeggen? Dat we haar niet aan tafel verwachten vanavond?
Sjaak’s schouders trokken zich samen tot die gekrompen, herkenbare houdingwanneer hij niet wist waar hij zijn ongemak moest laten.
Wie bedoel je?
Je zus. Myriam. Ze komt weer straks. Met die kinderen. Ze eet alles op wat ik maak, stelt altijd haar vragen alsof ze een inspecteur is, en de kinderen leggen mijn boeken overal neer en knoeien met limonade, weet je nog van vorige week dat Daan die bloemenvaas van mijn moeder
An, ze is familie. Alleenstaand. Haar man is naar Spanje vertrokken. Het is niet makkelijk voor haar.
Drie jaar is hij weg! Drie jaar dat zij iedere zondag arriveert, alsof het haar huis is. Annes stem bibberde haast, net als haar vingers altijd deden tijdens dit soort zondagenalsof de spanning er wurmen liet groeien. En ik? Ik, die heel de week in de bibliotheek sta, alles regel, en dan één zondag rust wil proeven? Maar haar kinderen rennen mijn huiskamer plat, en Myriam kijkt me altijd aan alsof ik haar huishoudster ben.
De kinderen zijn nog jong…
Daan is twaalf! Noor is acht! Op die leeftijd weet je wanneer je iemand lastigvalt. Maar zij laat alles toe.
Sjaak zei niets. Hij keek naar buiten, waar de Amsterdamse regen de lucht vervaagde tot een grijze soep, waar kinderen schreeuwend over het natte pleintje achter hun flat renden.
Misschien moeten we haar gewoon bellen. En zeggen dat we plannen hebben. Of Duitsland. Ja, dat we naar Hans gaan, jouw oude makker.
Dus liegen, Anne?
Neeof, ja. Gewoon een keertje niet de waarheid. Om bij te komen. Mag dat soms niet?
Sjaak schudde zijn hoofd met die berusting die hij altijd toondeFamilie is familie, An. Alsof bloed belangrijker was dan grenzen, belangrijker dan iemands huis. Alsof er in de polderlucht een onzichtbare regel zweefde: familie boven alles, ook boven je eigen rust.
Zeg het haar dan eerlijk. Zeg dat het te veel wordt.
Ze zal zich gekwetst voelen…
En ik dan? Anne stond abrupt op, pakte de borden bij elkaar alsof ze een orkest van porselein dirigeerde. Ik, die iedere zondag haar tips aanhoor over schoonmaken en schilderwerk en die haar kinderen de slaapkamer zie veranderen in een speeltuin. Wanneer ik het weer op moet ruimen alsof hun chaos een storm is en mijn huis de polder.
Goed, goed. Ik zeg het wel. Ooit.
Ooit, dacht Anne. Dat betekent: nooit.
***
Myriam belde om kwart over vijf, precies toen Anne de ovenschaal met aardappeltjes en kip uit de oven haalde. De geur had haar doen vergeten wie er zou komen eten. Even alleen, dacht ze, zouden haar en Sjaak deze maaltijd delen. Maar het lot droop alweer van haar vingers af; Myriam racete door de hoorn: We zijn onderweg! Twintig minuutjes! Ik heb gevulde koeken bij de kiosk gehaald, zo sta ik niet met lege handen.
Anne dacht even aan de koeken, die voor 1,50 geen ruil waren voor een driegangendiner. Maar ze zei niets.
Sjaak zat bewegingsloos voor de televisie, zijn schouders een brug die ieder moment kon instorten onder de last van zondagsbezoek. Anne legde een hagelwitte tafelkleed neer en haalde haar mooiste servies tevoorschijnzoals altijden terwijl ze de kom sla neerzette, vroeg ze zich af wanneer haar huis haar weer toe zou behoren.
Om precies zes uur klingelde de bel. Myriam stormde binnen als een kustwolk, haar jas dampend op de mat geworpen, kinderen erachteraan als jongetjes op klompen die karren over een dijk stuwen. Daan, met zijn eeuwige koptelefoon, zei geen woord. Noor, haar moeder in miniformaat, schreeuwde een begroeting en verdween.
Wat ruikt het weer lekker! Kip, toch? Anne, jij bent echt geweldig. Altijd alles perfect! Myriam paradeerde naar de keuken zonder haar laarzen uit te doen, terwijl Anne de natte afdrukken op de linoleumvloer inspecteerde en zich voornam straks alles te dweilen.
Myriam neemt altijd plaats aan het hoofd van de tafel, dacht Anne, terwijl ze de borden vulde. Sjaak drentelde de kamer binnen, was opgelaten. Myriam was de kapitein, Anne voelde zich de matroos die haar schip niet durfde te laten zinken.
Het gesprek aan tafel was als een toneelstuk. Myriam zuchtte over haar ex, de achterstallige alimentatie, en vroeg daarna of Anne nog oude gordijnen over had, Want van die vorige zijn de katten van de buren overheen gelopen.
Die zijn naar de kerk gegaan, hield Anne vol. Milde leugen, maar ze sprak hem uit alsof het een gebed was.
Kinderen kregen dubbele porties. Myriam schonk zichzelf koffie in en Sjaak luisterde, knikte, knikte, knikte.
Anne staarde naar de regen die aan het raam droop, vloeide door haar gedachten. Hoe bescherm je een grens die je zelf in het zand hebt getekend maar niemand gelooft dat die bestaat? Zeg je: Hier, tot hier en niet verder? Kun je dat, in Nederland, met familie? Of verwacht men dat je eeuwig gezellig blijft, zelfs als je ten onder gaat in je eigen keuken?
Anne, kom je zitten voor de thee? riep Myriam, net toegevend dat ze de koeken vergeten was, maar straks zouden ze verschijnen als troostprijs.
Anne schudde haar hoofd. Ik hoef niet, mompelde ze, haar stem weggeblazen door het lawaai van de tv en de stemmen van kinderen die de bank als springplank gebruikten.
***
Ze gingen pas om half elf wegMyriam, die het vertrek uit haar rijk aanzag als verlies, haar kinderen met kruimels op hun truien en een spoor van chaos achterlatend. Anne deed alsof ze las. Sjaak kwam naast haar zitten, probeerde haar hand te pakken.
Sorry, fluisterde hij.
Waarvoor?
Ik weet dat dit niet werkt, maar ik kan haar geen pijn doen. Ze is mijn zus.
En ik dan? Ik besta ook nog, Sjaak. Maar voor jou is haar gevoel belangrijker.
Sjaak zweeg. Anne wist dat zijn stilte zijn antwoord was.
Ik ga iets bedenken, zei Anne vastberaden. En laat mij maar even.
Wat ga je dan doen?
Geen idee. Maar er moet iets veranderen.
Sjaak kniktegelukkig dat hij het niet zelf hoefde op te lossen.
***
Het idee kwam in de bibliotheek op een woensdag, tussen de stapels boeken, terwijl buiten hagelstenen tegen de ruiten roffelden en een oudere vrouw tegen haar vriendin zei: Dokter zegt alleen nog maar havermout op water, zonder suiker, maandenlang. Mijn buik trekt het niet meer.
Anne voelde zich licht worden, alsof ze door de bibliotheek zweefde. De regen buiten klonk nu als applaus.
Thuis zei ze tegen Sjaak: Wij zitten voortaan op doktersdieet. Havermout. Zonder smaak. Een paar maanden lang.
Sjaak glimlachte cynisch. Je meent het niet?
Jawel. Myriam komt binnen, krijgt een bord pap. Wil ze terugkomen? Graag, nog meer pap.
Sjaak liet de krant zakken, dacht even na, en knikte toen goedkeurend.
***
Op zondag bereidde Anne alles voor. Geen feestkleed, enkel een oude theedoek als tafelloper. Twaalf eurocent havermout, kokend water, geen suiker, geen melk. Ze verdeelde de grauwe smurrie over hun oudste schalendie met barsten, van de vlooienmarkt. De koelkast: leeg, enkel wat havermout en een rozijn.
Myriam belde. We komen eraan! Vijf minuten!
Let op, Myriam, zei Anne gedecideerd, We zijn op dieet. Alleen havermout. De dokter verplicht het.
Een moment stilte.
O… eh… nou ja.
Kom maar, dacht Anne. Kom maar af op de luchtspiegeling van je zondagse maaltje.
Toen ze binnenkwamen was alles anders. Geen geuren van kip, geen warme tafel, enkel de bevroren werkelijkheid van lauwe havermout.
Daan schudde zijn hoofd, Noor stak haar tong uit. Myriam keek verward naar het tafereel, als een boerin op een zeedijk die plots beseft dat het water nooit meer zal wijken.
Is dit alles?
Alles wat de dokter goedkeurt, zei Anne.
Voor de kinderen?
Ze leren er vast wat van, glimlachte ze.
Niemand at. Zelfs Myriam niet. De stilte was als een weiland dat door mist bedekt isje ziet niets, hoort niets, bent alleen.
Na het snelste bezoek ooit, trok Myriam haar jas aan en sloeg de deur dicht, haar kinderen protesteerden niet eens meer.
Het is gelukt, zei Sjaak, terwijl hij een lepel havermout omhooghield. De grens is getrokken.
Heb je wel eens pap geproefd dat smaakt naar overwinning?
***
De week erna geen belletje. Zelfs geen appje. Een maand geen bezoek. De zondagen werden weer van hen samen, de geur in huis was van verse koffie, geen storm meer, alleen het trage druppen van regen op gebakken stenen.
Maar soms, terwijl Anne een kaars aanstak of een boek opensloeg, voelde ze een vreemd soort verdriet. Niet voor zichzelf, maar voor Myriam. Misschien was die zondagse maaltijd haar anker, de plek waar ze niet alleen hoefde te zijn, niet economisch maar emotioneel. Ooit praten, dachten ze, misschien.
Toen de eerste sneeuw viel in januari, zei Sjaak op een dag: Myriam belde. Vroeg of we nog steeds op dieet waren.
En?
Ik zei van wel. Ze reageerde teleurgesteld.
Ze zaten zwijgend naast elkaar. Keken naar buiten. Anne wilde vragen of dit het einde was, of het begin.
***
Aan het eind van het jaar, tijdens die vreemde oud-Hollandse nachten vol vuurwerk, belde Myriam zelf.
Hoi, Anne, het is Myriam. Zijn jullie met oud en nieuw thuis? Kunnen we even langskomen?
Sorry, Myriam, antwoordde Anne kalm. Sjaak en ik willen het dit jaar rustig houden. Het voor ons tweetjes vieren.
Ja, nee, tuurlijk. Ik snap het. Fijn jaar verder.
Anne hing op, het gevoel van een mislukte landing bleef hangen. Vreemd dat de grens bewaken ook pijn deed. Maar sterker was het idee: geef je nu toe, dan ben je die grens weer kwijt.
Sjaak was opgelucht. Nu is het echt van ons.
***
Ze vierden samen, alleen. Anne bakte appelbollen, Sjaak kocht een fles bubbeltjeswijn bij de Lidl. Ze waren samenzelf gekozen, niet per ongeluk.
Als een soort echo uit de polder, werd hun huis eindelijk weer hun land.
***
Maanden gingen voorbij. Myriam verhuisde naar Almelo, dichter bij hun moeder, werk vond ze niet meteen, de kinderen werden ouder en zelfstandiger. Als ze contact had, altijd kort, altijd netjes.
Tot op een dag in maart. De bel klonk. Myriam stond in de hal, een bos witte tulpen en een zelfgebakken appeltaart in haar handen. Daan en Noor lachten ietwat schuchter. Myriam keek om zich heen, alsof ze voor het eerst binnenliep. Ze bleef bij de deur staan.
Mag ik even blijven? Geen eten nodig, gewoon… samen zijn. Ik heb nagedacht. Wilde even zeggen: sorry. Voor alles. Voor het nemen, nooit geven. Ik wist niet hoe het anders moest.
Anne kreeg het onverwacht warm. Ze glimlachte, zette thee. Ze aten taart, praatten over de kinderen, over alles wat er misging, maar nu konden ze er samen om lachen.
Als Myriam later weggaat, omhelst ze Anne. Dank je. Voor alles.
Sjaak pakt haar hand. Zie je wel? Soms helpt een klein toneelstuk. Havermout op zijn tijd.
***
Sindsdien kwamen er alleen nog aangekondigde bezoekjes. Soms bracht Myriam zelfs een eigen stoofpot mee, of stond Anne met haar bij de snackbar om de hoek frikandellen af te rekenen: alles eerlijk gedeeld, niets vanzelfsprekend. Daan groette beleefd, Noor kwam meehelpen afruimen. De zondagen dropen niet langer van het onuitgesproken ongemak, maar kregen hun oude kalmte terug.
Op een lome julizondag zaten Anne en Sjaak in hun volkstuin in Scheveningen, druivenplanten rondom, schapen klagend in de verte.
Hebben we het goed opgelost? vroeg Sjaak.
We hebben onze grenzen gevonden. Bitter, maar nodig.
En onze familie?
Die vond ons later weer.
De zon zakte weg in de schaduw van een wolk. Anne keek naar Sjaak, naar hun handen die vanzelf in elkaar vielen. Weet je, zei ze, soms heeft liefde een daad van havermout nodig. Dan weten de mensen dat de grens is bereikt.
Tussen het wuiven van de wilgenbladeren en het ruisen van de regen, voelde Anne diepe rust.
Zelfs als iemand ooit langs zou komen, onverwacht, wist ze: nu kon ze nee zeggen, zonder de regen in haar hart binnen te laten.






