Zeven jaar lang werkte ik bij een bedrijf waar het leek alsof ik alles had: een goede functie, een vast salaris, aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden en werktijden waar velen jaloers op waren. Iedere keer dat iemand vroeg hoe het met me ging, antwoordde ik steevast hetzelfde: “Goed, druk op het werk.” Niemand vond dat vreemd. En ikzelf zei er verder niets over. ’s Ochtends om acht uur zat ik op kantoor, vaak vertrok ik pas na zeven uur ’s avonds. Niet omdat iemand me dat oplegde, maar omdat er altijd wel weer iets ‘dringends’ was. E-mails aan het eind van de dag, plotselinge vergaderingen, telefoontjes in het weekend. Langzaam stopte ik met rustig lunchen, afspreken met vrienden en tijd nemen voor mezelf. Alles draaide om mijn werk. Mijn leidinggevende vertrouwde volledig op mij, maar dat ‘vertrouwen’ werd een last. Ging er iets mis – dan loste ík het op. Was er iemand ziek – dan nam ík het werk over. Werden er fouten gemaakt – dan nam ík de verantwoordelijkheid. Ik weigerde nooit iets, ik zei nooit “nee”. Steeds meer taken kwamen op mijn bord, maar mijn salaris of positie veranderde nooit. Mijn lijf begon de tol te betalen: voortdurende hoofdpijn, slapeloze nachten, een bonzend hart. Alleen al de gedachte om op te staan voor werk gaf me stress. Regelmatig huilde ik op het toilet op kantoor, zonder te begrijpen waarom. Toch bleef ik gewoon doorgaan. Ik hield mezelf voor dat vertrekken gek zou zijn, ondankbaar en een teken van falen. Op een dag, tijdens een meeting, presenteerde mijn leidinggevende een project waar ik maanden aan had gewerkt – als zijn eigen idee. Mijn naam werd niet één keer genoemd. Diezelfde week heb ik ontslag genomen. Ik heb geen loonsverhoging gevraagd, niet onderhandeld. Ik ben gewoon weggegaan. De reacties waren direct: “Je overdrijft,” “Je vindt nooit iets beters,” “Met deze baan had je het goed voor elkaar.” Mijn familie snapte het niet. Vrienden vonden me gek. Niemand zag mijn uitputting – men zag alleen de mooie functie. Nu heb ik geen zo goedbetaalde baan meer als vroeger. Maar ik slaap. Ik adem. Ik lééf. En voor het eerst voel ik niet dat ik mezelf kwijtraak om aan andermans verwachtingen te voldoen.

Het lijkt wel eeuwen geleden sinds ik zeven jaar lang werkte bij een groot bedrijf in Amsterdam. Van buitenaf leek het alsof ik alles had: een goede functie, een vast contract, een degelijk salaris in euros, én werktijden waar velen van droomden. Als men mij vroeg hoe het ging, zei ik altijd hetzelfde, haast automatisch: “Goed, druk op het werk.” Niemand vond er iets vreemds aan. Ook ikzelf sprak nooit anders.

Elke ochtend stapte ik om acht uur het kantoorpand binnen, en meer dan eens verliet ik het pas na zeven uur s avonds. Dat was niet omdat het van mij werd geëist, maar omdat er altijd weer iets dringends was. Laat op de dag nog e-mails, onverwachte vergaderingen, zelfs telefoontjes in het weekend. Langzaam maar zeker stopte ik met een rustige lunch, hield ik op met uitgaan met vriendinnen als Maartje en Lotte, en was er geen tijd meer over voor mezelf. Mijn hele leven draaide om werk.

Mijn leidinggevendelaten we haar mevrouw Bakker noemenvertrouwde volledig op mij, maar dat vertrouwen voelde steeds zwaarder. Ging er iets mis? Ik loste het op. Was een collega afwezig? Ik nam het werk over. Werden er fouten gemaakt? Ik nam de verantwoordelijkheid. Nee zeggen deed ik nooit. En dus werden mijn taken er steeds meer, terwijl mijn salaris en functie onaangeroerd bleven.

Op een bepaald moment begon mijn lichaam protest aan te tekenen. Steeds vaker had ik last van hoofdpijn, sliep ik slecht en voelde ik mijn hart tekeergaan. Uiteindelijk werd ik al nerveus bij de gedachte aan een nieuwe werkdag. Soms zat ik te huilen op het damestoilet, zonder te weten waarom. Toch bleef ik gaan. Ik hield mezelf voor dat stoppen met deze baan dwaas zou zijn, ondankbaar zelfsof erger nog, dat het een grote nederlaag zou zijn.

De barst kwam tijdens een vergadering. Mevrouw Bakker presenteerde een project waar ik maanden aan gewerkt had, maar sprak erover alsof het haar eigen idee was. Mijn naam werd in geen enkel opzicht genoemd.

Diezelfde week diende ik mijn ontslag in. Ik vroeg niet om opslag, ik onderhandelde niet. Ik ging gewoon weg.

De reacties waren direct: Jij overdrijft, Waar vind je ooit iets beters? Met deze baan was je echt binnen. Mijn familie begreep er niets van. Mijn vrienden verklaarden me voor gek. Niemand zag de uitputting, alleen mijn functie telde.

Inmiddels heb ik geen baan meer met zon hoog salaris als toen. Maar ik slaap weer. Ik adem. Ik leef. En voor het eerst in lange tijd heb ik niet het gevoel mezelf kwijt te raken om maar te voldoen aan andermans verwachtingen.

Rate article