Zaterdag zonder mama

Zaterdag zonder mam

De pan met boekweit stond zachtjes te pruttelen op het fornuis. Dat geluid was voor Marieke allang niet meer zomaar een geluidhet was een soort metronoom geworden die de dag in stukken sneed. Nog twee uur tot Diederik naar bed moest. Nog veertig minuten tot Oscar aan tafel zijn hoofd zou laten zakken van de slaap. Nog vijftien minuten om zelf even staand wat te eten bij het aanrecht, voordat beide jongens tegelijk wakker zouden worden.

Diederik, twee jaar en vier maanden, zat midden op het keukenvinyl geconcentreerd plastic groentes uit zijn speelgoedpannetje te sorteren. Wortels schoot hij naar rechts, broccoli naar links, een maïskolf vloog in een sierlijke boog en verdween onder de koelkast. Oscar, vijf jaar, was vandaag erg serieus omdat het vrijdag was, en stond voor het raam te vertellen wat er buiten allemaal gebeurde. Dat vond hij belangrijk werk.

Mam, waarom heeft die mevrouw zon grote hond? Is dat een beer?

Oscar, ga even bij het raam vandaan alsjeblieft.

Maar mam! Echt, hij is net een beer! Of misschien zelfs groter. Hoor je me, mam?

Marieke hoorde alles. Ze hoorde altijd alles, ook als ze het niet wilde. Ze roerde ondertussen in de boekweit, duwde met haar linkervoet de maïskolf verder weg bij Diederik zodat hij daar niet op zou sabbelen, en hield een oog op het melk pannetje dat op het andere pitje stond. Het melk voor Diederiks pap had de neiging om over te koken precies op het moment dat ze zich omdraaide.

Oscar, ik hoor je. Het is vast zon ras. Grote honden heb je ook.

Hoe heet zon hond dan?

Weet ik niet, schat.

Waarom weet je dat niet? Jij bent een volwassene.

Diederik liet het speelgoedpannetje vallen. Een bonk die zelfs Oscar even liet opschrikken. Diederik keek verbaasd naar de pan alsof die zonder zijn toedoen gevallen was, keek op en zei:

Boem.

Boem, zei Marieke instemmend.

Op het nippertje haalde ze het melk pannetje van het vuur voordat het begon over te koken. Kleine overwinning nummer zoveel deze avondze zuchtte opgelucht. Net op dat moment hoorde ze het slot van de voordeur klikken.

Oscar vloog meteen weg bij het raam.

Papa! Papaaa! Pap, er is buiten een mevrouw met een beer, kom kijken!

Sander kwam binnen met het gezicht van iemand die de hele dag vrachtwagens had gelost, terwijl hij de dag op kantoor, achter de computer in Amsterdam-Noord, had doorgebracht. Zijn colbert hing open, zijn stropdas was scheef. Hij aaide Oscar, stapte over Diederiks laarsjes die in de gang lagen, en boog zich in de keuken.

Hoi. Is er al eten?

Marieke keek hem even zwijgend aan en draaide zich toen terug naar het fornuis.

Boekweit is over tien minuten klaar.

Boekweit, herhaalde hij, op een toon die niets zei, en toch alles.

Boekweit met gehaktballen. De ballen staan nog in de oven.

Aha, oké dan. Hij wandelde naar de keuken, dook de koelkast in alsof het een wijds landschap was, en rechtte zich weer. Ben je vandaag eigenlijk nog naar buiten geweest?

Ja, naar de Albert Heijn.

Lekker frisse neus gehaald?

Er was niets mis met de vraag. Of misschien zat alles er juist in. Marieke wist het zelf niet.

Jawel. Toen ik met boodschappentassen én Diederik in de buggy liep, had ik lucht zat.

Sander schonk zichzelf een glas Jus dOrange in, dronk, en ondertussen had Diederik zich vastgeklampt aan zijn broekspijp alsof hij eindelijk iets terugkreeg dat lang kwijt was geweest.

Pa-pa, zei hij plechtig.

Hallo kerel, lachte Sander, tilde hem op en gaf een kleine luchtworp. Diederik lachte zo opgetogen als alleen peuters kunnen; wat er in zon lach past, past nergens anders in. Wat ben je zwaar geworden! Eet hij wel?, vroeg hij, terwijl hij Marieke aankeek.

Eet prima.

Hij is voller geworden, valt me op.

Hij groeit gewoon, San.

Oscar kwam weer binnen, nestelde zich tussen zijn ouders als een diplomaat bij een vredesoverleg.

Papa, ben je moe?

Heel moe, jongen.

Is mama ook moe?

Sander keek naar Marieke, die de boekweit stond te roeren.

Mama was thuis, zei hij neutraal. Alleen een feit. Mama heeft gerust.

De lepel in Mariekes hand stopte voor een tel. Toen maakte ze de cirkel af en zei:

Oscar, ga je handen wassen.

Maar mam…

Handen. Wassen. Alsjeblieft.

Oscar sloop weg als een stokoude man die plotseling gestoord wordt in een belangrijk overleg. Diederik wiebelde op Sanders arm en bereikte naar Marieke. Sander zette hem neer, hij strompelde kordaat richting haar spijkerbroek en riep zijn favoriete woord:

Mam. Mam. Mam.

Ik ben hier, Diederik.

Mam!

Hier, ik hoor je.

Sander ging aan tafel zitten, trok zijn mobiel tevoorschijn, het licht van het scherm blauwde op.

Heb je dat lamsvlees trouwens besteld dat ik vroeg?

Morgen ga ik dat doen.

Ik zei vorige week vrijdag al…

Ik weet het. Morgen bestel ik het.

Morgen is te laat joh, ik wilde juist in het weekend barbecuen…

San, zei Marieke. Haar stem was rustig, zacht bijna, maar er zat iets in waardoor hij opkeek van zijn telefoon. Ik ben er al sinds zeven uur vanmorgen. Diederik was wakker vóór half zeven, dus slapen zat er niet in. Eerst ontbijt, toen Oscar naar de peuterspeelzaal brengen, boodschappen, lunch, tijdens het middaguur sliep Diederik niet, huilde anderhalf uur, toen had Oscar de Duplo over de hele woonkamer verspreid, alles weer opgeruimd, en daarna direct aan het avondeten begonnen.

Sander luisterde. Hij hield zijn mobiel vast, maar keek er niet op.

Dat begrijp ik, echt. Maar je bent thuis. Dat is toch anders dan werken.

Marieke opende de oven. De gehaktballen waren perfect bruin.

Je hebt gelijk, zei ze. Het is inderdaad anders.

Met ovenwanten haalde ze het bakblik eruit.

In haar toon was iets veranderd, Sander keek haar nog eens aan, maar Marieke dekte de tafel in stilte, haar gezicht volkomen onbewogen. Zon kalmte die mensen hebben die al iets besloten hebben, en nu alleen het noodzakelijke afmaken.

Het avondeten verliep zoals gewoonlijk. Oscar vertelde over de “beerhond” buiten en eiste dat ze morgen gingen zoeken. Diederik maakte een schilderij van boekweit op zijn kinderstoel. Sander at, keek soms op zijn telefoon en gaf af en toe een kort antwoord aan de jongens. Marieke at staand, omdat Diederik begon te mopperen en vermaakt moest worden. Toen viel er een beker water om, Marieke droogde tafel, kinderstoel, vloer én Diederik. Daarna wilde Oscar een extra gehaktbal. Er bleek geen extra, wat hem oprecht verdrietig maakte, alsof het niet om gehakt, maar om iets veel belangrijkers ging.

Wil je een boterham met pindakaas?

Nee, mama. Ik wil een gehaktbal.

Er zijn geen gehaktballen meer, Oscar.

Waarom heb je er niet meer gemaakt?!

Ik heb er zoveel kunnen maken als ik kon, schat.

Maar mam!

Diederik zei zachtjes:

Nee.

Iedereen keek naar hem.

Nee, zei hij voldaan, en tikte met zijn hand in de berg boekweit.

Oscar begon te lachen. De hele spanning viel weg. Marieke ruimde af, deed de afwas, waste Diederik in bad terwijl Sander op de bank naar voetbal keek. Daarna poetste ze Oscars tanden, bracht Diederik naar bed met zijn flesje en Knuffelbeer (die in zijn ledikant lag, waar ze hem altijd neerlegde), en las Oscar veertig minuten voor over graafmachines, omdat hij telkens om één bladzijde extra vroeg. Daarna leunde ze, eenmaal op de gang, vermoeid tegen de muur.

In de woonkamer murmelde de televisie. Buiten klonk de drukke vrijdagavond op de grachten.

Even bleef Marieke zo staan, toen liep ze naar de slaapkamer, haalde van onder het bed een kleine koffer en begon stilletjes haar spullen te pakken. Ze deed het rustig, als iemand die allang wist wat hij moest doen en alleen het juiste moment afwachtte.

Sander keek binnen rond elf uur.

Wat doe je?

Spullen pakken.

Dat zie ik. Waar ga je heen?

Naar “De Stille Rietlanden”. Een bed and breakfast net buiten Haarlem. Ik had woensdag al gebeld, gereserveerd voor twee nachten.

Sander zakte op het bed, zichtbaar even van zijn stuk gebracht.

Dus… zomaar? In het weekend?

Ja, in het weekend.

En wij dan? En de jongens?

Marieke legde een boek in haar koffer dat ze al een halfjaar niet had aangeraakt.

Jij kunt het wel, San. Je hebt op je werk een hele week kunnen uitrusten.

Ze zei het zonder nare toon, zonder verwijt, en dat zei genoeg.

Sander deed zijn mond open. Dicht. Weer open.

Is het om het vlees? Of door wat ik zei?

Nee.

Waar dan om?

Om niks speciaals. Ze maakte haar koffer dicht. Ik heb gewoon twee dagen rust nodig. Ik ben morgenmorgen weg, zondagavond weer terug. Koelkast zit vol. Diederiks pap staat op de middelste plank, alles staat erop. Oscar eet alles, behalve gekookte ui. Diederik slaapt alleen met flesje én beer, de beer ligt in zijn bedje. Ze vinden wassen leuk, ze maken geen drama. Dat is alles.

Marieke…

San, ik wil heel graag slapen. Kunnen we morgenochtend verder praten?

De volgende ochtend was ze al weg vóórdat hij wakker werd.

Hij hoorde de voordeur, bleef nog even liggen, starend naar het plafond in een lichte roes. Daarna besloot hij: dit kan ik. Twee kinderen. Eén dag. Hoe moeilijk kan het zijn?

Om zes-vijfenveertig liet Diederik van zich horen.

Sander begreep niet meteen waar het geluid vandaan kwam. Dacht eerst dat het buiten was. Daarna drong door dat het uit de kinderkamer kwam. Diederik was niet zomaar aan het jengelenhij brulde alsof het menens was, een noodsituatie.

Sander strompelde naar de kinderkamer. Diederik stond in zijn bedje, handen aan het spijlenrek, met een gezicht waarin verwarring en ongeduld streden.

Hoi, Diederik.

Mam! riep hij.

Papa. Ik ben papa.

Mam!

Mama is er niet. Papa is er.

Diederik dacht even na. Maar het beviel hem allerminst.

Mam, zei hij nog eens stellig, alsof Sander niet goed hoorde.

Mama is er niet. Kom, ik ga je eten geven.

Hij tilde hem op. Diederik raakte zijn wang aan, trok aan zijn oor en zei opnieuw:

Mam.

Ja, kom maar, we gaan naar de keuken.

De keuken was stil in het ochtendlicht, maar Sander had geen idee wat nu te doen. Diederik op de kinderstoel. Koelkast open. Inderdaad, veel bakjes met viltstift erop. Diederik pap. 2 min in magnetron. Schep boter. Ochtend. Sander vond het bakje, vond de steelpan, warmde het op. Boter, waarschijnlijk bedoelde Marieke roomboter. Hij voegde het toe, proefde, deed er een snufje zout bij omdat het zo flauw smaakte.

Diederik keek naar zijn pap.

Nee, zei hij beslist.

Dit is jouw pap.

Nee.

Diederik, mama heeft het gemaakt, het is lekker.

NEE!

Gisteren nog gegeten.

Diederik keek nog eens, keek Sander recht aan en zei met waardigheid:

Wil niet.

Sander zette de lepel voor hem neer. Fout. Diederik schoof de pap kordaat opzij, de bak had bijna de rand gehaald voordat Sander hem opving. Toen probeerde Diederik op de stoel te klimmen. Dan handjes in de pap.

Diederik, niet met je handen.

Niet met handen, papegaai-de Diederik, en stopte er nog een vinger in.

Diederik!

A!

Sander nam de lepel, bracht hem naar Diederiks mond. Maar die kneep zijn lippen stijf op elkaar. De lepel bleef hangen. Sander hield de lepel. Niets. Uit de kinderkamer klonk gestommel: Oscar, in pyjama, met verward haar en een ernstig gezicht.

Pap, waarom heeft mama mij niet wakker gemaakt? Ze maakt me altijd wakker.

Mama is naar een bed and breakfast.

Wat is dat?

Een plekje waar mensen uitrusten.

Waarom mochten wij niet mee?

Mama wilde alleen even uitrusten.

Oscar dacht daar over na.

Van ons?

Van… nee. Gewoon om bij te komen.

Is daar een zwembad?

Geen idee.

En een glijbaan?

Echt geen idee.

Kun je het niet vragen aan mama?

Mama heeft haar telefoon uitgezet.

Oscar keek hem ernstig aan, als iemand die gekke dingen hoort.

Zij zet nooit haar telefoon uit, als ik bel neemt ze altijd…

Dit keer even niet.

Pauze.

Pap, zei Oscar langzaam, kun jij pannenkoeken bakken?

Pannenkoeken?

Mama bakt altijd pannenkoeken op zaterdag. Het is zaterdag.

Sander keek naar Diederik, die deze stilte gebruikte om zijn hele hand in de pap te soppen. Dan naar Oscar. Dan naar de klok. Zeven uur en veertien minuten.

Ja, zei hij. Dat kan ik.

Hij kon het niet echt. Vroeger, ergens rond zijn tienerjaren, had hij het wel eens gedaan. Hoeveel melk, hoeveel eierengeen idee. Hij tikte pannenkoeken recept makkelijk in op zijn telefoon, vond iets, begon. Oscar zat naast hem te kijken als een stagiair op zijn eerste dag, ondertussen aan het knagen op een stuk brood.

De eerste pannenkoek werd, zoals het hoort, mislukte drama. Vastgekoekt aan de pan, uiteengereten. Sander schraapte restjes los en gooide weg.

Pap, het lukte niet.

Zag ik.

Waarom niet?

De pan moet goed heet.

Mama smeert eerst boter in de pan.

Weet ik, Oscar.

Ben je dat vergeten?

Nee, even… nu komt het goed.

De tweede lukte beter. Geen moeder-pannenkoek, maar eetbaar. Oscar at hem met stroop die hij zelf uit de kast pakte. Diederik werd schoongeveegd en kreeg een banaan.

Rond tien uur zakte Sander uitgeput met een koffie neer. Diederik speelde op het speelkleed in de woonkamer, Oscar bouwde met Lego. De koffie was heerlijk. Buiten later herfstzon.

Precies toen vond Diederik het snoer van de telefoonlader.

Het duurde even voor Sander het doorhad. Een raar geluid, het werd harder, toen viel er iets. Sander sprong net op tijd van de bank, zag dat Diederik met zijn kleine hand aan het snoer van de laptop trok. De laptop schoof naar de rand.

Sander dook, ving de laptop net op, maar zijn koffiemok, die te dichtbij stond, kiepte om. Koffie over het toetsenbord. Langzaam, onafwendbaar, zoals dingen die gebeuren en toch niet mogen gebeuren.

De laptop voelde zich beledigd en sloeg uit.

Nee toch, mompelde Sander.

Wat? vroeg Oscar meteen vanuit zijn hoek.

Niks. Oscar, waar liggen de keukenrollen?

In de keuken, aan het rekje!

Sander depte de olieachtige koffievlek. Laptop aan, sommige toetsen deden niks meer. Sander pakte er een externe toetsenbord bij, maar dat werkte half. Diederik keek geïnteresseerd toe, snoer nog in zijn vuist.

Geef dat snoer.

Nee.

Diederik, toe nou.

Nee!

Dit is geen speelgoed.

Van mij!

Na vijf minuten onderhandelen ruilde Sander het snoer voor een speelgoedautootje. Diederik vertrok tevreden. Sander keek naar de laptopdaar stond die belangrijke presentatie voor maandag op.

Hij sloot zijn ogen, haalde diep adem en begon direct oplossingen te zoeken.

Oscar was stil met zijn bouwstenendat werkte kalmerend. Sander las dat rijst vocht opnam, dus legde hij de laptop in een zak rijst. Vervolgens bedacht hij dat de oplader in de auto lag. Hij liep naar buiten, terug, Oscar zat nog op zijn plek.

Diederik was dus verdwenen.

Oscar, waar is Diederik?

Weet niet. Hij ging ergens heen.

Waarheen?

Ik denk daarheen. Oscar wees vaag naar de gang.

Sander checkte de gang, zn kamer, de badkamer, allemaal leeg.

Diederik!

Stilte.

Diederik!

A! klonk het uit de slaapkamer.

Sander vond Diederik in de kast, gezeten tussen een lading gevallen kleren, met Mariekes sjaal in zijn hand en tevreden als een vorst.

Hoe ben je daar gekomen?

Dikkie! zei Diederik feestelijk.

Kom je eruit?

Nee.

Toe nou.

Nee!

Sander ging door de knieën, stak zijn handen uit. Diederik keek van de sjaal naar Sander, legde de sjaal verrassend netjes terug en kroop eigenwijs zelf uit de kast.

Goed zo, zei Sander.

Goed zo, herhaalde Diederik ernstig.

Met het middageten leerde Sander belangrijke dingen. 1) Als kinderen klein zijn, kunnen ze toch razendsnel verdwijnen. 2) Willen twee peuters tegelijk iets andersdan is er nooit een goeie oplossing. 3) Koken én op Diederik letten is alsof je met twee dingen tegelijk jongleert, waarvan één leeft en ineens een andere kant op loopt.

Voor het gemak kookte Sander diepvrieskroketten en frietjes. Oscar zei dat hij geen friet meer lustte.

Nu niet meer? Je hebt altijd frietjes gegeten.

Vroeger wel. Nu niet.

Waarom niet?

Geen zin in friet.

Oscar, ze zijn lekker joh.

Weet ik, maar ik wil liever soep.

Sander zuchtte, vond kippenbouillon in de koelkast (“soep, gewoon opwarmen”), sneed wat wortel, aardappel, kookte twintig minuten. Oscar volgde alles, gaf advies. Diederik lag uiteindelijk in bed met zijn flesje en beer.

De soep smaakte waterig maar werd gegeten. Oscar zei: Lekker, maar niet zoals bij mama en rende daarna weg. Sander at staand de rest van de kroketten.

Tijdens Diederiks middagdut probeerde hij apparaat-issues op te lossen. Laptop uit de rijst, toetsen nog steeds traag. Tussen zijn getypen door merkte hij ineens: het werd gevaarlijk stil in de kinderkamer.

Met Oscar is stilte altijd verdacht. Geluid is normaal; stilte betekent iets.

Sander vond Oscar op de grond, Lego om zich heen, viltstift open, en een witte kussensloop waarop hij een raket tekende.

Oscar.

Oscar keek op, totaal verdiept in zijn kunst.

Pap, ik teken een raket voor Diederik. Is een cadeautje.

Dat is een kussensloop.

Maakt niet uit toch? Mooi geworden zo!

Oscar, op beddengoed tekenen mag niet.

Ik deed alleen dit hoekje. Kijkde raket, sterren

Papier is om te tekenen, niet kussenslopen. Geef de stift.

Oscar gaf de stift met de teleurstelling van iemand die onbegrepen is.

Sander nam de sloop meedacht weer even aan de was die Marieke gisteren had genoemd. Hij besloot nu meteen het beddengoed te wassen.

De Miele stond in de badkamer. Sander laadde alles in, goot wasmiddel, zette op 60 graden, liep weer terug naar zn laptop.

Toen Diederik wakker werd, kwam het leven weer in de felle stroomversnelling.

Na zijn slaap was Diederik altijd klaar voor avontuur, niet bepaald goed of slecht gehumeurd, maar avontuurlijk. Hij moest ineens alles herontdekken, bang dat de wereld iets had gemist terwijl hij sliep. Sander gaf hem appelmoes als tussendoortje (“Diederik, vieruurtje”), begon Mariekes systeem te waarderen.

Om een uur of vier was de was klaar.

De was bleek… roze.

Niet alles, maar toch. De witte kussenslopen zachtroze, het witte lakentje van Diederik babyroze, Sanders blauwe overhemd plots een soort paars. Een paar witte sokken feestelijk zalmroze.

Sander staarde naar het wasrek. Toen bedacht hij: die raketen-kussensloop lag er ook in.

Viltstift…

Oscar!

Ja?

Kom eens.

Oscar kwam, keek naar het roze beddengoed. Hij begreep: gesprek komt eraan.

Dat is viltstift, hè?

Vast wel, zei Oscar voorzichtig.

Dus niet zomaar gekleurd? Met de stift die je net gebruikte?

Maar ik heb het getekend voor Diederik als cadeau…

Kijk eens, Oscar. Wat is er met het beddengoed?

Oscar keek aandachtig.

Mooi!

Sander sloot even zijn ogen.

Het is niet de bedoeling, Oscar.

Maar roze is mooi, mam vindt dat vast leuk!

Mama houdt van wit beddengoed.

Waarom wit, als roze mooier is?

Sander vond even geen antwoorddat was misschien een goed teken voor Oscars filosofie-ambities later. Hij hing alles te drogen, besloot het er later met Marieke over te hebbenwat moet je zeggen: ik heb gefaald op een kussensloop? Op een viltstift? Of op een zaterdag?

Om vijf uur meldde Oscar honger.

Avondeten is om zes uur.

Maar ik heb nu honger!

Pak een appel.

Geen zin in appel.

Oscar…

Pap, wanneer komt mama terug?

Voor het eerst vroeg Oscar het rechtstreeks, niet via pannenkoeken of appjes. Sander voelde het, stopte even.

Morgenavond, schat.

Morgenavond. Oscar zuchtte. Mis je mama?

Ja, ik mis haar.

Ik ook. Diederik mist haar ook hoor, hij kan het alleen niet zeggen.

Denk je?

Tuurlijk. Hij zegt de hele dag mam, maar ze is er niet.

Sander keek naar Diederik, die met autootje op het kleed zat te mompelen in zijn eigen peutertaal.

Je hebt gelijk, Oscar.

Pap, had je mama niet kunnen vragen om thuis te blijven?

Ik had het kunnen vragen. Maar ik heb het niet gedaan.

Waarom niet?

Sander dacht even na.

Omdat mama echt opgeladen moest worden. Ze moest even wat rust.

Kan dat niet thuis dan, even uitrusten?

Voor iedereen is dat anders. Voor mama werkt het nu zo beter.

Oscar knikte serieus.

Oké. Dan neem ik wel een appel.

Voor het avondeten deed Sander wat hij goed kon: gebakken aardappels met ui en peterselie. Oscar at met smaak, Diederik proefde, knikte goedkeurend en at ook behoorlijk wat, wat Sander onverwacht blij maakte.

Lekker, pap, zei Oscar. Je kunt best koken.

Eén gerecht.

Mama zegt altijd: als je iets goed kunt, is dat al iets goeds.

Sander grijnsde.

Daar heeft mama helemaal gelijk in.

Na het eten speelde Diederik met autos. Oscar keek tekenfilms op de bank, Sander waste de afwas. Hij deed alles langzaam, niet uit luiheid, maar omdat het de eerste keer was dat hij zó in zijn eentje een hele dag had gekookt, gevoed, gezorgd. Zo voelde het anders dan af en toe een klusje thuis.

Hij dacht aan Marieke. Aan hoe zij hier elke dag stond. Hoe ze de pannen hoorde pruttelen, de kindersounds, de telefoon die rinkelt, iets dat valt, iemand die roept. Hoe zij hier elke dag isand hoe hij zelf dan zegt: je hebt thuis lekker gerust.

Hij zette de laatste schone bord in de kast. Het was kwart over zeven toen Diederik in slaap kukelde op het tapijt, met zijn voorhoofd op het autootje. Sander tilde hem op, bracht hem naar bed. Diederik opende één oog, zag papa, zuchtte, sloot het weer.

Mam, fluisterde hij slaperig.

Papa is hier, fluisterde Sander terug en hield hem nog even vast. Diederik probeerde papa uit, vond het blijkbaar goed genoeg en nestelde zich in Sanders nek.

Sander zat zo een minuut, legde hem in bed, vond Knuffelbeer en stopte hen samen in. Een slapend peuterhoofdje is zo vredigSander voelde iets knijpen in zijn borst.

Buiten keek Oscar serieus naar tekenfilms.

Oscar, bedtijd.

Nog vijf minuten.

Het is half elf.

Op vrijdag mag het tot elf uur van mama.

Het is zaterdag.

Dan tot half elf?

Oscar…

Maar pap, ik heb je bijna de hele week niet gezien. Mag ik nog even?

Sander plofte naast hem op de bank. Oscar schoof iets dichterbij. Op het scherm eenden en robots. Sander keek niet echt, hij zat gewoon bij zijn zoon. Die kleine afstand telde als werkmaar wel het mooie soort.

Pap, vroeg Oscar zonder van het scherm te kijken, ben je morgen ook bij ons?

Ja, tot mama terug is.

Gaan we naar het park?

Gaan we naar het park.

Met Diederik?

Met Diederik.

Die loopt langzaam.

Dan lopen we langzaam.

Oscar knikte.

Goed. Fijn.

Oscar sliep uiteindelijk op de bank, Sander droeg hem naar bed zonder hem wakker te makenpersoonlijke overwinning nummer twee. Hij dekte toe, bleef even staan. Stil huis. In die stilte schuilde zoveel, dat het moeilijk te bevatten was.

Op de keuken waste hij zijn theekop af. Geen koffie meer, maar thee. Terwijl hij naar de keuken keek. Er lagen nog steeds plassen op de vloer, droge vegen, kruimels onder de stoel, vingersporen van Diederik op de koelkastdeur.

Sander pakte een doekje, veegde de koelkast, veegde de kruimels op, poetste het kinderstoeltje. Daarna pas zag hij sporen op het fornuis die hij eerder had moeten schoonmaken.

Nu pakte hij dat ook aan. Twintig minuten, doordat hij alles bedachtzaam deed. Niet uit traagheid, maar omdat hij ondertussen nadacht. Normaal dacht hij nooit als hij iets in huis deed. Nu wel.

Hij zette de theekop weg en ging naar bed, tegen middernacht.

Om twee uur werd Diederik wakker.

Het duurde even voor Sander realiseerde wat er gebeurde. Pas toen hij bij het bedje stond, voelde hij het: Diederik stond rechtop, alsof er iets rampzaligs gebeurd was.

Wat is er, vriend?

A! riep Diederik en stak zijn armpjes uit.

Kom hier.

Sander wiegde hem door de kamer. Diederik huilde niet, deed gewoon geen oog dicht, keek grootogig de donkere kamer rond en mompelde af en toe iets onverstaanbaars. Sander bleef lopen, voelde zijn schouder verzuren, en realiseerde zich ineens: Marieke doet dit altijd, niet alleen op zaterdagen.

Rond drie uur viel Diederik weer zwaar in slaap. Sander bleef nog tien minuten wachten voordat hij hem in bed legde. Om half vier sliep hij zelf weer.

Om zes-achtenveertig maakte Diederik hem alweer wakker.

Zondagochtend was grauwer dan zaterdag, niet qua weer, maar qua energie. Sander functioneerde: pap eten geven, schoonmaken, knoeien opruimen. Oscar wakker met: We zouden toch naar het park?

Ja, Oscar, na het ontbijt.

Aankleden duurde minstens veertig minuten. Diederik wilde geen muts, muts gevonden. Toen geen jas, jas toch aan. Oscar kon zijn ene laars niet vindenbleek in de badkamer. De laarsjes van Diederik moesten schoon worden geschrobd van opgedroogde modder. Terwijl Oscar zich zelfstandig aankleedde (pluspunt), trok Diederik alweer zijn muts uit (minpunt).

In het park was alles weer goed.

Diederik liep langzaam, zoals Oscar voorspeld had. Maar stap voor stap, stilstaand bij elke plas, elke tak, elke duif. Duiven zat; voor elke liep Diederik dapper uit, elke duif vloog weer verschrikt op, en telkens bewonderde Diederik het met de frisheid van de eerste keer. Oscar sprintte heen en weer, kwam weer even terug. Sander liep naast Diederik, met broodkruimels in de jaszak.

Kijk, zo doe je het, zei hij, terwijl hij kruimels op het pad strooide. Nu wachten.

Diederik bleef onbewegelijk staan. Een duif kwam aarzelend dichterbij. Nog één. Binnen no-time pikte het hele span, en Diederik keek met zulke grote ogen dat Sander dacht: Dáárvoor sta je op om half zeven.

Zie je dat? fluisterde Diederik ineens.

Hij sprak zelden in zinnen, maar ineens kon het.

Ja, fluisterde Sander.

Vogels.

Vogels.

Onze vogels, zei Diederik, en keek Sander aan.

Onze vogels.

Terug naar huis vond Oscar een mooie steen. Diederik wilde op de arm. Sander droeg hem, Oscar vertelde honderduit over de steen, en onderweg viel Diederik in slaap op Sanders schouder. Een slapend kind weegt meer, dacht Sander, fysica of niethet voelde zo.

Thuis legde hij Diederik in bed zonder hem wakker te makenderde persoonlijke overwinning.

Oscar zette zijn steen op de vensterbank bij de dode plant in de pot en zei dat die water nodig had. Sander goot water, de plant leek verloren, maar nam het dankbaar op.

Pap, groeit hij dan weer?

We zullen zien.

Mama zegt altijd dat je tegen planten moet praten.

Echt waar?

Ze zegt soms wat tegen planten. Je hebt het nooit gezien?

Nee.

Probeer eens.

Sander keek naar de plant.

Groeien, alsjeblieft, zei hij.

Nog eens.

Groei goed. Je kunt het.

Oscar knikte tevreden.

Dat hoort de plant wel.

Tegen drieën, toen Diederik uitrustte, maakte Sander soep. Echte soep, geen restjes. Oscar vroeg om tweede portie. Beste recensie ooit.

Na het eten begon hij aan het huishoudengeen perfectie, gewoon alles wat structureel onzichtbaar is, wat altijd gedaan moet worden en altijd door Marieke werd gedaan. Woonkamer stofzuigen duurde twintig minuten, want eerst moest het speelgoed opgeborgen. Oscar hielp mee, Diederik liep met de stofzuiger mee alsof hij instructies gaf.

Toen ontdekte Sander dat de badkamer gedaan moest worden, nam schone handdoeken uit de kast. Vond het roze wasgoed, las online over bleekmiddel met actieve zuurstof. So far, so good.

Rond half vijf voelde hij echte vermoeidheid: niet die van kantoor, een andere, die loom in je lijf hangt, zonder dat je precies één pijntje kunt aanwijzen. Schouders, rug, benen. Hij zakte op de bank. Oscar speelde op de tablet, Diederik deed zijn tweede dutje.

Sander keek naar het plafond.

Hij dacht aan hoe dit er van binnen uitziet. Niet het eindresultaat voor buitenstaanders (eten klaar, kinderen schoon), maar de binnenkant, waar je geen werkdag ‘afsluit: je bént thuis, de klus gaat door tot ze slapen.

Eerst dacht hij dat thuis zitten met kinderen relaxter moest zijn dan zijn werk. Dat Marieke tijd vond, een boek las als Diederik sliep, een kopje koffie… Maar het was allesbehalve langzaam of lui.

Om zes uur ging de telefoon.

Hij had niet verwacht dat Marieke zou bellenop het scherm stond haar naam.

Hoi, zei ze.

Haar stem was rustgevend, die spanning van vorige weken zat er niet meer in.

Hoi. Hoe is het?

Goed. Helemaal bijgekomen. Ik ben over anderhalf uur thuis.

Mooi. De kinderen zijn oké. Diederik slaapt, Oscar speelt nog.

Fijn. En met jou?

Gaat wel. Goeie dag, wel moe.

Stilte. Gewoon stil.

Begrijpelijk, zei Marieke.

Marieke…

Ja?

Hij dacht even iets normaals te zeggenbreng brood mee of rij voorzichtigmaar zei iets anders.

Sorry. Voor vrijdag. Voor dat ik je niet begreep.

Waar precies voor?

Voor dat ik zei dat je thuis lekker uitrust.

Ah zei ze. En in die ah schuilde alles. Geen triomf, geen zie je nou. Gewoon iets dat klinkt als iemand eindelijk gehoord wordt.

Ik begreep het niet, echt niet. Nu iets meer.

Dat is goed, San.

Kom maar gauw naar huis.

Ik ben onderweg.

Ze kwam rond half acht thuis. Oscar hoorde haar als eerste, rende naar de gang. Sander hoorde hun knuffels en Oscars drukke verslag. Hij tilde Diederik uit bed, die wakker werd van de geluiden.

Marieke kwam binnen in de woonkamer. Ze zag er écht goed uit. Niet als een model uit een folder, maar als iemand die had geslapen en even stilte had gehad.

Ze keek naar Diederik op Sander’s arm. Diederik keek heel even sceptischwas het echt? Toen fluisterde hij:

Mam.

Ik ben er, zei Marieke. Ze trok hem dicht tegen zich aan, Diederik dook met zijn neus in haar hals.

Alles goed gegaan? vroeg Sander.

Alles hier prima.

Ik heb soep gemaakt. En er is ook nog gebakken aardappels.

Marieke glimlachte, iets in haar ogen verzachtte meteen.

Zelf soep gekookt?

Helemaal. Oscar vond het goed.

Oscar vond het goed, herhaalde Oscar zelf, die net kwam binnenlopen, belangwekkend. Het is lekker. Niet zoals bij jou, maar wel lekker.

Goede score! lachte Marieke, en voor het eerst sinds lang hoorde Sander haar ongekunsteld lachen.

Ze aten samen aan tafel. Oscar vertelde uitgebreid over het roze beddengoed; Marieke keek naar Sander, die schuldbewust zijn schouders ophaalde:

Viltstift in de was.

Ik zag het. Heb je het in bleekmiddel gezet?

Ja, op internet gelezen.

Dat helpt vast. Waar is de raket-kussensloop?

Ook in de week.

De raket vervaagd?

De contouren staan er nog.

Dus nu hebben we een spookraket-kussensloop!

Papa zegt dat het beddengoed verpest is, zei Oscar. Maar het was echt een cadeautje voor Diederik.

Ik snap wat je bedoelt, schat. Alleen is een kussensloop misschien niet het perfecte canvas.

Papa zei hetzelfde.

Kijk, zijn papa en ik het eens!

Oscar keek verrast, alsof hij niet wist wat hij moest denken als ouders het eens waren.

Diederik at soep, knoeide af en toe, gelukkig vooral omdat mam weer thuis was. Regelmatig controleerde hij of ze echt nog aan tafel zat.

Na het eten deed Sander spontaan de afwas. Marieke bracht ondertussen Diederik naar bed.

Toen ze binnenkwam in de keuken was Sander de laatste pan nog aan het schoonmaken.

San?

Ja?

Dankjewel.

Voor de afwas?

Ook voor de afwas.

Hij zette de pan weg, droogde zijn handen. Ze leunde even tegen de koelkast.

Slaapt Oscar al?

Nog niet. Leeslampje onder zijn deken, denkt dat ik het niet zie.

Zeg morgen maar niks. Laat hem het maar denken.

Ze wilden samen blijven staan. In de stilte die niet leeg, maar vol was. Marieke geeuwde.

Ga maar naar bed, zei Sander. Ik kijk even bij Oscar.

Hij slaapt niet.

Ik zeg gewoon welterusten.

Doe maar.

Hij bleef nog heel even in de keuken, keek naar de schone wasbak, het gladgestreken theedoekje, de rijen bakjes in de koelkast.

Toen klopte hij aan bij Oscars kamer.

Ik ben nog wakker, hoor, zei Oscar zonder op te kijken.

Dat dacht ik al. Mag ik binnenkomen?

Ja.

Oscar lag onder de dekens, lampje uit, maar het boek naast zich.

Gelezen?

Een beetje.

Waarover?

Over schepen. Een jongen vaart op een groot schip.

Mooi?

Heel mooi. Pap, gaan wij ooit eens op zon schip varen?

Misschien.

Mama zegt misschien als ze nee bedoelt.

Ik zeg misschien als ik het niet weet. Misschiendat weet ik echt niet.

Oscar leek daarover na te denken.

Oké. Welterusten, pap.

Welterusten, Oscar.

Pap…

Ja?

Fijn dat mama terug is.

Ik vind dat ook.

En fijn dat jullie niet ruzieden in de keuken.

Sander keek hem verwonderd aan.

Heb je ons gehoord?

Beetje. Niet expres. Maar ik hoorde aan jullie stemmen dat het goed was.

Het is goed, Oscar. Helemaal goed.

Mooi zo. Oscar draaide zich om, trok de deken hoger. Als jullie ruzie maken, kan ik niet slapen.

Daar had Sander geen antwoord op, behalve: Ik snap het, Oscar. We doen ons best.

Afgesproken, knikte Oscar ernstig.

Sander deed het licht uit in de gang, gluurde even bij Diederikdie lag diep te slapen met Knuffelbeer. Dan naar slaapkamer, waar Marieke in bed lag met een boek; haar ogen dicht, niet meer lezend.

Hij ging naast haar liggen, beiden stil in de duisternis.

Marieke, fluisterde hij.

Ja?

Hoe heet die B&B eigenlijk, daar in Haarlem? Was het fijn?

Even pauze. Toen:

Erg fijn. Stil. Goed eten, klein vijvertje, er liepen eenden.

Eenden.

Stom beesten, hebben honger telkens iemand brood langsloopt.

Oscar zou dat geweldig vinden.

Oscar zeker. En Diederik zou meteen achter die beesten aanrennen.

Misschien gaan we nog eens met zn allen.

Misschien.

Stilte. In huis sliep iedereen. Buiten ruiste de zondagavond.

San?

Hm?

Morgen mag jij koken.

Even niks. Toen grinnikte Sander stilletjes.

Aardappels kan ik.

Weet ik. Ik hou van aardappels.

Mooi zo.

Mooi, herhaalde ze slaperig. Welterusten.

Welterusten, Marieke.

Maandagochtend, vroeg, kwam de gewone werkdag. Sander stond om half zeven op. Diederik sliep nog. Oscar sliep nog. Marieke ook.

Hij liep naar de keuken, zette de waterkoker aan, ontdeed Giederiks havermout uit de koelkast, zette hem op het vuur. Gordijnen open. Buiten een natte herfstglorengrijs, kalm, belofte van een gewone dag.

Geen fanfare, geen grootsheid. Gewoon pap op het vuur, de waterkoker bromt, het huis slaapt nog. Maar toch, iets was anders. Niet luid of opvallend, maar anders.

Hij raakte even de bladeren van de dode plant op de vensterbank die hij gisteren water had gegeven. De aarde was vochtig. Een blaadje leek wat groener. Misschien verbeeldde hij het zich.

Groei maar, fluisterde Sander. Tegen de plant misschien. Of tegen iets groters.

De waterkoker klikte. Uit de kamer klonk Diederik die wakker werd. Straks begon alles weerhet gebruikelijke ochtendspitsuurherrie, drukte, duizend dingen tegelijk, niet te stoppen.

Maar ja. Vandaag voelde het net, heel even, een beetje anders.

Rate article