Joris was een stille, dromerige jongen. In de klas zat hij altijd bij het raam en staarde vaak naar de straat, alsof hij op iemand wachtte. De andere kinderen pestten hem niet, maar ze zochten ook niet actief naar vriendschap Joris leek hen een beetje vreemd.
Hij woonde bij zijn oma. Zijn ouders waren er niet meer: zijn moeder stierf toen hij nog heel klein was, en zijn vader Joris herinnerde zich die niet eens. Oma zei vaak dat hij een beetje verdwaald was in het leven, en verder niets.
Elke ochtend bracht oma Joris naar school, en s avonds stond ze bij de poort om hem op te halen. Ze was al wat bejaard, liep langzaam, maar hield altijd stevig Joris hand. Als oma ziek was, ging Joris alleen naar school. Dan keek hij des te langer uit het raam, hopend een bekend gezicht te zien.
Op een dag, tijdens de pauze, kwam er een nieuwe jongen naast hem staan een roodharige, sproetjes jongen genaamd Sami.
Waarom zit je hier als een uil? vroeg Sami terwijl hij naast Joris ging zitten.
Joris haalde zijn schouders op.
Niks. Gewoon zo.
Dat vind ik maar saai, zei Sami en haalde een verkreukelde chocoladereep uit zijn zak, brak hem doormidden. Hier, pak m.
Joris keek verbaasd, maar nam de reep aan. Delen was niet iets wat hij gewend was.
Bedankt.
Ach, geen dank, zwaaide Sami nonchalant. Mijn vader werkt in de chocoladefabriek in Leiden, dus ik heb hier een zee van zoetigheid.
Joris lachte.
Vanaf dat moment werden ze vrienden. Sami was luidruchtig, altijd met gekke ideeën, en Joris luisterde en lachte mee. Na school slenterden ze samen rond, soms bij Sami thuis. Zijn vader, een lange, stevige man, schonk hen warme boterhammen met oude kaas en vertelde mopjes die iedereen deden giechelen.
Joris keek ernaar en dacht: Zou ik zoiets ook eens hebben.
Op een middag vroeg Sami:
Waar is jouw vader, Joris?
Joris zweeg even.
Oma zegt dat hij verdwaald is.
Verdwaald? fronste Sami.
Ja hij ging weg en kwam nooit meer terug.
Sami krabde zich achter het oor.
Vreemd. Misschien moeten we hem zoeken?
Waar?
Samen. Laten we het aan mijn vader vragen; hij is handig met dit soort zaken.
Die avond gingen ze naar Samis huis. Joris vertelde aarzelend alles.
Zie je, zei de vader van Sami, soms weten volwassenen zelf niet hoe ze terug moeten komen. Misschien schaamde hij zich, of is hij bang dat niemand hem vergeeft.
Kun je niet vergeven? vroeg Joris.
Dat kan, antwoordde de man, maar alleen als je het echt wilt.
Hij haalde een notitieboekje tevoorschijn.
Ik heb een vriend bij de politie, een rechercheur. Als jouw vader ergens staat ingeschreven, kunnen we hem opsporen.
Joris balde zijn vuisten.
Echt waar?
Ja. Geef me de naam, achternaam, geboortestad, alles wat je weet.
Joris noemde de gegevens die hij van oma had. De vader noteerde alles.
Verwacht niet dat het snel gaat. Zon zoektocht kost tijd.
Een week, dan twee, daarna drie, verstreken. Joris begon de hoop te verliezen.
Op een dag, toen hij van school naar huis fietste, stond er naast het trappenhuis een lange, gerookte man te wachten, starend op zijn horloge.
Joris verstarde. De man keek op en hun blikken kruisten.
Joris? fluisterde hij.
Joris bleef stil, angstig.
Ik ik ben je vader, zei de man en stapte een stapje dichterbij, maar Joris deinsde achteruit.
Oma thuis?
Ja
Zullen we samen gaan?
Joris knikte.
Ze liepen naar het huis. Oma opende de deur, zag de man en barstte in tranen uit.
Eindelijk
s Avonds zat de man aan de eettafel en vertelde hoe hij al die jaren had rondgestruikeld, spijt had, fouten maakte en nu een nieuw begin zocht.
Ik wist niet hoe ik terug moest komen, gaf hij toe. Het schrok me. Tot de politie belt.
Joris luisterde, daarna vroeg hij:
Blijf je?
De man keek hem aan en knikte.
Als jij het wilt.
Dat wil ik, fluisterde Joris.
Hij liet zijn blik zakken, en toen sprong hij plots naar de schouders van de man.
Blijf hier! fluisterde hij, terwijl hij de jas van zijn vader stevig vasthield. En verdwijn niet meer, goed?
De vader omhelsde hem zo hard dat de stoel onder hen piepte.
Ik beloof het, stemde hij, en zijn stem trilde. Nu ga ik nergens heen meer.
Oma veegde haar tranen met een schort en zette een stamppot op tafel zijn favoriete gerecht.
Eet maar, jongen, zei ze. Thuis, uit de pot.
Terwijl ze aten, keek Joris stiekem naar zijn vader. Hij zag er niet uit als superheld, maar als een gewone man, een beetje moe, met rimpeltjes bij de ogen. Wanneer hij lachte, werden die rimpels tot vrolijke kreukels, en glinsterden er sprankjes in.
Voor het slapengaan vroeg de vader of hij iets mocht lezen. Joris schoof een boek op de nachtkastje opzij.
De stem van zijn vader klonk warm en een beetje hees, precies zoals Joris zich die nacht in dromen had voorgesteld. Hij luisterde en dacht dat hij nu sneller in slaap zou vallen, maar hij wilde juist nog even blijven luisteren.
Pap, onderbrak hij op het spannendste moment, morgen gaan we samen naar het park?
De vader legde het boek weg.
Natuurlijk. Waar wil je heen?
Naar het speelpark. Daar zijn de draaimolens ik heb er nog nooit op gereden.
Dan wordt het morgenochtend jouw eerste keer, glimlachte de vader. Afgesproken.
Hij aaide Joris over het hoofd, deed het licht uit en liet de deur op een kier staan, net als oma thuis altijd deed.
De volgende dag rende Joris het schoolplein af en rolde meteen naar Sami.
Hij is er! Jouw vader heeft geholpen! rieuwde hij.
Sami lachte luid en omhelsde hem.
Natuurlijk heeft hij geholpen! Hoe kon dat anders?
Sinds die dag keek Joris niet meer naar het raam tijdens de les. Hij wist nu dat er iemand op hem wachtte.
s Avonds, terwijl zijn vader hem hielp met huiswerk, zag Joris hoe de man peinzend met zijn potlood draaide.
Is er iets mis? vroeg hij.
De vader zuchtte: Ik denk alleen ik heb zoveel jaren gemist. Je eerste stapjes, je eerste letters, je eerste schooldag
Joris fronste, sprong toen op en haalde een fotoalbum tevoorschijn.
Kijk! Oma heeft alles bewaard. Je kunt het bekijken.
Ze bladerden samen door de bladzijden, lachten om de grappige fotos, en de vader trok Joris onverwacht in een omhelzing.
Dankjewel voor deze tweede kans.
Jij had beloofd niet meer te verdwijnen, zei Joris serieus. Dus alles is goed.
Buiten gingen de lantaarns aan, de kamer rook naar omas kooksels, en op tafel lagen nog een paar onafgemaakte opdrachten. Maar dat maakte niet meer uit. Het belangrijkste was: ze waren nu samen, en niemand zou meer weglopen.






