Word een engel voor iemand.
Lotte, jong en angstig, liep de trap op van een Amsterdams grachtenpand, haar hoofd vol verwarring. Ze was per trein, tram en lopend gekomen, meer op automatische piloot dan bewust. Alles liep door elkaar in haar binnenste: angst, schaamte, schuldgevoel, gekwetstheid en vooral spijt. Wat deed het pijn dat het zo had moeten lopen. Nu zou niet alleen zij hiervan lijden, maar ook het prille leven dat in haar groeide.
Ze had alles in één klap willen oplossen, had zich er al bij neergelegd ze had pillen gekocht. Maar toen belde Híj toch, onverwachts, en stelde een uitweg voor. Ze hoorde de schrik in zijn stem hij vreesde dat zij zichzelf iets zou aandoen, en misschien was hij nog wel banger voor zijn eigen situatie. Hij begon over oma, over het verdriet dat ze zou hebben als Lotte iets zou overkomen, en bood een oplossing aan.
Lotte, doe nou niet zo dom. Het ging gewoon mis. Je doet dat onder narcose je merkt er niets van. Als geld nodig is, regel ik het. Zal ik anders met je meegaan?
Ze voelde zich misselijk worden bij zijn woorden het laatste wat ze wilde, was zijn aanwezigheid. Zelfs zijn stem deed haar walgen, laat staan zijn fysieke nabijheid. Nee.
Nee! Ze drukte hem weg en bleef dat de rest van de avond doen. Elke keer dat zijn naam op haar scherm verscheen, drukte ze meteen op negeren.
Terugdenken aan die avond was ondraaglijk. Ze was daarheen gegaan omdat Marjet haar had meegesleurd naar een feestje. Ze hadden gedanst. Lotte hield van dansen.
Opeens stond hij achter haar, legde een hand op haar elleboog. Ze draaide zich om, keek hem boos aan; ze had al laten merken dat ze hem niets vond.
Jemig, wat heb jij een zachte huid.
Stop. Echt. Als je blijft aanhouden, ben ik weg. Laat me gewoon dansen.
Hij liep al langer achter haar aan, wachtte bij haar school en loerde zelfs bij haar huis. Hij riep alleen maar antipathie bij haar op. Dat had ze hem kort geleden nog eerlijk verteld, zo voorzichtig mogelijk.
Ik doe niks, dans maar lekker, zei hij toen.
Daarna het drankje, dat niet door hem zelf, maar door zijn vriend Bas werd gebracht. Kort daarop werd ze duizelig en plots besefte ze dat ze in de slaapkamer boven lag, in de armen van Sven van der Veen. Alles wat daarna gebeurde ging door een waas. Ze wist niet meer eens hoe ze daar terecht was gekomen. In die kamer had ze zich verzet, geprobeerd te schreeuwen, zich losgetrokken, zijn wang open gekrabd. Hij hield haar strak vast, zoende haar, en haar kracht en coördinatie normaal gesproken sterk lieten het afweten. Alles draaide, zijn gezicht dubbelde, de kamer werd wazig. De pijn leek ver weg en dof.
Ze haatte hem. Ze strompelde de gelegenheid uit, als dronken, en liep naar huis. Huilen deed ze niet. Ze voelde zich leeg, smerig. Hij liep nog even achter haar aan, zei dingen die ze niet hoorde. Toen ze thuiskwam, rechtte ze haar rug oma mocht niets merken. Ze nam een lang bad.
Daarna wist ze het zeker: ze was zwanger. Haar oma, haar rots, was streng; kuisheid voor het huwelijk was heilig. Over haar moeder sprak oma weinig; door de situatie werd de dood van haar moeder haast als straf voor haar zonden gezien, en Lotte als kind buiten huwelijk was haar zonde.
Van haar biologische vader hoorde Lotte niets. Ze had gehoopt dat haar moeder ooit het hele verhaal zou vertellen, maar toen overleed ze toen Lotte twaalf was. Oma verhuisde destijds uit Groningen naar Amsterdam.
En nu? Nu stond ze hier, net zoals haar moeder destijds alleen in haar ellende. Ze luisterde maar naar Sven, liep de route die hij haar had aangeraden. In haar hoofd verving ze zichzelf door haar moeder; in haar baarmoeder voelde het alsof haar ongeboren ik daar ook zat.
Ze kwam hier dus om zichzelf te vernietigen.
Ze was nog aan het twijfelen. Daarom was ze eerst een café binnengelopen, maar uiteindelijk was haar besluit sterk genoeg en ging ze met gebalde vuisten naar het afgesproken adres. Juist toen, buiten op het binnenplaatsje, viel er een jonge vrouw, maar Lotte liet zich niet afleiden haar besluit was te zwaar bevochten.
De deur werd geopend door een oudere dame met een strenge blik.
Kom binnen. Heb je vandaag al gegeten?
Lotte schudde haar hoofd.
Goed zo. Kleren uit, daar in die kamer wachten. Ben je geschoren?
Hoe bedoelt u?
Ben je voorbereid?
Eeh, nee, denk het niet
Laat maar. Ik doe het wel. Niet zo bibberen, ik verdoof je straks. Komt goed.
Bij het woord schoonmaken sloot Lotte haar ogen. Alsof alles vuil was; zij was vuil en dit moest eruit. Maar zou het haar hart ook schoonmaken?
Hier, slik op, zei de vrouw, en gaf haar drie pillen en een glas water. Lotte slikte ze zonder weerstand.
Vanaf daar werd alles mistig, meer van angst dan van slaapmiddelen. De vrouw gooide haar een t-shirt toe. Lotte trok zich uit en deed m aan – het shirt was veel te wijd, maar kurkdroog. Ze voelde zich volkomen kwetsbaar, zo in haar blootje in een vreemde woning.
In een aangrenzend kamertje hoorde ze metaal en gerinkel. Schuin keek ze een tafel op met instrumenten, een kom, een met plastic afgedekt blad. Misselijk. Duizelig.
Toen klopte er wild aan beneden. Het leek alsof de voordeur eruit getrapt werd.
Wat is dit? bromde de gastvrouw, met een tang in haar hand. Ze liep naar de deur, opende, keek boos de trap op.
Even later werd er woest op hun eigen deur geslagen.
Oh, verdomme! Jij hebt zeker iemand meegenomen? Snel, aankleden! snauwde de vrouw.
Lotte raakte in paniek. Ze greep haar kleren, liet ze weer vallen, klom op de bank, trok haar knieën op en verstijfde.
Wat gebeurde hier allemaal?
De vrouw zou de deur niet openen, ware het niet dat het lawaai doorging.
Zijn jullie gek geworden?! riep ze, terwijl ze de deur opengooide.
Meteen stormden er twee mensen naar binnen: een man in een grijs pak en gevolgd door een jonge vrouw in een vieze regenjas, met haar arm in een rare houding. Ze vlogen langs Lotte heen.
Toen de man het halfnaakte meisje zag, schrok hij achteruit.
Doe jij maar, Anne, zei hij gehaast.
Anne even van haar stuk gebracht liep toch naar Lotte toe, ging zitten. Haar eigen arm zwol op en deed pijn, ze was duizelig, maar ze wist dat Lotte het veel slechter had.
Daar ben ik weer, zei ze zacht. Je bent vast doodmoe van me. Zullen we even je onderbroek zoeken? Oh, hier. Mijn arm doet zeer doe jij het even zelf, Lotte?
Anne snapte totaal niet of ze nog op tijd waren ze wist niets van abortussen. Maar ze hoopte het zo. Ze had net nog tegen het portiek geschopt, met de man in het pak, om binnen te komen. Niet veel tijd verloren dus.
Ik heet trouwens Anne en ik ben jouw vriendin.
Vriendin? Lotte keek haar verbaasd aan.
Of wacht, jouw beschermengel. Je kan het noemen hoe je wilt. Iedereen heeft zon engel nodig. Ze hebben mij gestuurd.
Wie dan?
Aartsengel, de baas van de engelen. Maar goed, kleed je snel aan. Hier, dat is niet eens jouw shirt toch?
Nee die kreeg ik van haar, fluisterde Lotte.
Het is goed. Zeg, hebben ze het nog gedaan? Is het kindje er nog?
Lotte knikte, beet op haar lip en barstte opeens in huilen uit. Voor Anne was dat een opluchting: ze huilt, ze leeft.
Dat is goed, lucht maar lekker uit. Huil als je wilt, dat moet gewoon als het moet, snikte Anne, die haar eigen tranen amper meer kon tegenhouden, En jouw kindje wees maar blij. Je oma zal het snappen. Ik help je, ik praat wel met haar. Ik blijf aan je zijde, als jouw engel. Maar eerlijk ik heb geen vleugels meer, doet pijn verdorie.
Lotte stond intussen in rok en colbert, Anne stortte zich huilend op de bank.
Gaat het? vroeg Lotte verschrikt.
Weet ik niet. Misschien. Ik vind jullie allemaal zo zielig. Zo zonde. Er is zoveel geluk in de wereld en tóch ik ben zo moe.
Op dat moment kwamen er meer mensen binnen. Ernst van Buren, met zijn vriend Gijs aangenomen familie stormden de kamer in.
Zijn we te laat? vroeg Ernst, toen hij Anne zag huilen.
Nee, zei Anne, terwijl ze haar neus droogde.
Haar arm is stuk, legde Gijs uit.
En met jou, Lotte? Gaat het?
Ja hoor, en met u?
We gaan zo naar het ziekenhuis. Met die vrouw daar komen we later nog wel bij terug.
Die vrouw had zich inmiddels in een klein kamertje verstopt.
Niemand nam afscheid. We moeten naar de eerste hulp, zei nu Lotte, inmiddels zorgzaam over Anne die in haar jas zat.
Naar een goeie kliniek dan maar, zei Ernst, en hij reed een tikje te snel dwars door Amsterdam.
Gijs en hij voorin, de meisjes achter. Anne sloeg haar goede arm om Lotte heen.
Ik zit helemaal onder het vuil die jas is van een vriendin, ze brengt me om.
Jij bent niet vies, Anne. Echt niet, je jas is bijzaak. Of is ie niet van jou? vroeg Lotte.
Nee en trouwens, help even, mijn haar zit vast, want het is een pruik.
Hoezo?
Dat is van het schuilen – ik moest mezelf vermommen.
Waarom?
Lotte snapte er opeens niets meer van. Eerst dacht ze dat de politie alleen de vrouw probeerde te betrappen, maar nu raakte alles in de war. Ze werd slaperig van de medicijnen, haar tong zwaar.
Zullen we het hun vragen? Waarom zoeken jullie mij?
Maar Gijs en Ernst keken weg. Toen draaide Ernst zich ineens half om en zei iets wat Lotte klaarwakker maakte.
Jij bent mijn zusje, Lotte. We hebben dezelfde vader, andere moeder.
Wat? Mijn vader?
Ja, Bernard van Buren jouw vader. En je oma weet het. Geloof maar, alles komt straks goed.
Lotte kon niet geloven dat haar oma hiervan wist.
Snap je het niet? Pap hield zielsveel van jouw moeder. Maar hij was getrouwd met die van mij. Het werd allemaal gemaskeerd. Ik kwam er pas als puber achter. Was woedend op hem, en op je moeder. En nu, nu help ik gewoon. Je hoort bij ons. Dit is goed.
Ernst, Anne moet slapen. Slaapmedicatie denk ik, merkte Gijs op.
O ja. Hoofd op het kussen, niet gevaarlijk voor zwangeren toch? We rijden naar een normaal ziekenhuis.
Onderweg zag Anne haar ex met een nieuwe vriendin lopen. De vriendin kletste aan zijn arm, hij zag er niet blij uit.
Ernst! Zie je die twee? Rij ze nat! Alstublieft!
Hij snapte er niks van, maar scheurde door een grote plas de twee werden getrakteerd op een golf Amsterdams regenwater. Ze renden boos achterom.
Waarom doe ik dit ook?! mopperde Ernst. In de achteruitkijkspiegel zag hij Anne glunderen.
Ja, ik ben verbaasd over mezelf, zei hij. En jij, je arm?
Hopelijk geen breuk, mompelde Anne.
De röntgenfoto bevestigde de breuk in het spaakbeen. Anne kreeg gips; Lotte sliep in de auto en moest wakker worden gemaakt toen de arts kwam. Ze werden uit elkaar gehaald op de spoed.
Ernst bleef bij Anne. Haar zenuwen zaten door het plafond, ze huilde, ze schold op hem.
Waarom hebben jullie niet eerder gezegd dat ze mijn zusje is? Door jullie nu dit! Kijk mn arm!
Niet zeuren, jij vertelde óók niet alles. Waarom volgde jij haar?
Om haar uit moeilijkheden te houden. En wie belde mij toen zij niet op school verscheen?
Maar hoe wist je van de zwangerschap? Echt niet dat ze familie is?
Geen idee. We dachten dat je wraak wilde nemen wegens ontslag, informatie zocht over pap. Nu snap ik helemaal niks meer.
Waarom zou ik dat willen? Eerst dacht ik dat jij de vader was van de baby. Maar ik twijfelde
En vanaf dat moment spraken ze informeel Nederlands tegen elkaar.
Ik heb die column van je toen overigens nooit gelezen. Pap werd boos. Zijn medewerkers sloopten alles. Zo gaan die dingen. Snap jij waarom je haar zo in de gaten hield?
Gewoon. Omdat ze hulp nodig had. En nu moeten we naar Lottes oma, beloofd is beloofd.
***
Hun gedoe had Maria van Buren, Lottes oma, hevig laten schrikken. Ernst kwam nooit op bezoek, en nu stond hij voor de deur met een jonge vrouw in het gips en een vieze jas.
Is er iets met Lotte?
Tja, hoe zal ik het zeggen, begon hij, maar juist toen greep oma naar haar borst en zonk neer.
Ze slaapt in de auto, mevrouw! Alles is goed, niet schrikken hoor! riep Anne snel.
Ernst zocht haastig naar medicijnen in de keuken.
Waarom slaapt ze in de auto? Is ze ziek?
Ze is gewoon moe. Wacht, ik haal haar zo niet stressen, hoeveel druppels van dit?
Het nieuws over Lottes zwangerschap werd uitgesteld. In huis belde Anne achter de schermen met de arts dreigende woorden hielpen om alsnog te weten welke medicijnen er waren toegediend. Er was geen gevaar voor Lotte of het kind. Oma ademde weer rustig, Ernst begon rustig haar levensverhaal te vertellen. Maria luisterde verbijsterd naar het familiegeheim.
Anne, doodop en overstuur na alles, viel op Marias bank in slaap. Ze werd s avonds wakker van haar eigen telefoon. Het was Marjet.
Anne, waar ben je gebleven? Maken we ons zorgen! Alles oké?
Jawel, kijk, ik zit in het gips.
Waar zit je dan?
Kom eraan, ben bijna thuis, loog Anne.
Maria kwam haar wakker maken.
Sorry, ik wilde u niet laten schrikken. Lotte zei dat ik niet wakker gemaakt mocht worden. Zij vond dat ik rust verdiend had. Ben ik u tot last?
U bent welkom. We wilden niet storen.
Ernst wilde nog even een taxi voor u regelen. Wilt u eten?
Eerlijk gezegd is het mijn eerste hap vandaag. Ik ga graag met u aan tafel.
Tijdens het eten vertelde Maria een stukje familiegeschiedenis. Voor haar was de relatie van haar dochter met de getrouwde Bernard altijd een groot verdriet geweest. Andrea, Bernards echte vrouw, had haar eigen pijn. Na de dood van haar dochter bleef Maria vaak eenzaam achter.
Na het ongeluk ontfermde Bernard zich over Lotte hij hielp financieel. En Ernst? Die voelde zich schuldig dat zn zus zonder moeder en vader moest opgroeien en hield altijd een oogje in het zeil.
Ik snap Ernst niet meer. Hij blijft zichzelf overal de schuld van geven.
Anne besefte intussen dat oma nog niet wist van Lottes zwangerschap.
Nu denkt hij misschien dat hij Lotte niet in de gaten heeft gehouden. Maar zij heeft u nodig u bent haar engel. Daar zijn omas toch voor: engel-beschermers?
Een ongeluk, bedoelt u…
Ernst zal de dader aanpakken. Uw taak is Lotte steunen tijdens de zwangerschap. U bent sterk. Ik weet zeker dat u haar kunt helpen. Geld is geen probleem, en liefde nog minder. U krijgt er een grote familie voor terug, mevrouw. Echt waar. En ik zus het u in als engel met een gebroken vleugel.
Een engel?
Zeker. Vandaag ben ik heel gelukkig voor u en Lotte.
Maria zuchtte diep.
Ik ben nergens op tegen. Liever een levend kleinkind dan alles opnieuw verliezen. We komen hier samen wel doorheen…
***
Je bent nooit bereikbaar, klaagde Michiel.
Anne lag op haar nieuwe bank, keek naar het plafond, een beetje sip. Ze zat thuis met haar arm in het gips, en kreeg net een appje van haar chef: Word snel beter. Groetjes aan je moeder.
Hoe wist hij dat nou wéér? Ze had net bedacht haar moeder in Amersfoort op te zoeken, zoals vroeger. Ze miste haar, voelde zich machteloos door het gips, verlangde naar thuis.
Ze had meer dan genoeg verdiend, de laatste klus bracht een zuurverdiende 1700 op. Tijd om bij te komen. Anne was uitgeput, had koorts, keelpijn.
s Ochtends dwong ze zichzelf uit bed, kleedde zich aan, deed haar oefeningen, dronk een koffie en kroop weer onder haar dekbed.
Zoveel gebeurd de laatste tijd het duizelde haar.
Toen belde Michiel.
Je bent altijd zo druk!
Nu niet. Praat maar, Michiel.
Is het waar dat Marjet het uit heeft met haar vriend?
Gelukkig wel. Jij een oogje op haar?
Eigenlijk wel. Jij bezwaar?
Nee hoor! Sterker nog, ik hoop het.
Ze is al zo lang mijn type
Michiel, hoorde ik daar een echt Nederlands antwoord? Niet ze is mijn crush, ze is mijn skill, maar gewoon: ik vind haar leuk.
Omdat ik het écht meen. Waar zou ik haar kunnen uitnodigen? Ik wil geen stomme film in de Pathé. Ze is slim. Straks vindt ze het niets.
Wees niet bang voor slimme vrouwen. Als ze verliefd wordt, zet ze haar verstand uit. Oh! Ze werkt tot tien uur bij het tankstation. Ik ben altijd bezorgd dat ze zo laat alleen over straat loopt Kun jij haar ophalen?
Goed idee! Ga ik doen.
Je weet waar ze werkt?
Tuurlijk! Ik ben geen amateur, Anne!
Je bent echt een goeie gast, Michiel. Ik hoop dat het lukt tussen jullie.
Anne voelde hoe uitgeput ze was. Haar arm, haar keel leven was vermoeiend. Misschien vliegt de tijd en gaan tranen haar helpen? Haar zenuwen lagen overal.
Ze dacht aan de mensen die ze had geholpen. Hun gezichten, hun verhalen kwamen langs. Dat zette haar extra op scherp als je veel meegemaakt hebt, maakt dat je vooral gevoeliger.
Ze hield contact, belde en bezocht soms. Een keer vond Anne in een winkel een schattig nijlpaardknuffeltje, het deed haar aan Wout denken ze gaf het cadeau aan kleine Mila.
Lijk ik erop?
Het lijkt! Dankjewel. Soms zoek ik hem nog, weet je. Loop langs de Amstel, kijk rond. Denk je dat ik hem terugvind?
Misschien heeft ie zichzelf opgeofferd voor jou, Mila. Misschien is hij jouw beschermengel.
Met Mila ging het redelijk. Ze verbleef afgelopen zomer niet in Spanje, maar in een jeugdkamp op Texel. Nieuwe vrienden, nieuwe indrukken. Goed geregeld door haar ouders.
Paul mocht het ziekenhuis verlaten. Zijn vrouw Ida was dolblij maar durfde het geluk niet te luidruchtig te vieren. Ze woonden samen, Ida reed weer auto, en samen bezochten ze af en toe een zieke jongen in het kinderhuis.
Eerder werden Anne ook nog wel eens Kees en Ans uit Eindhoven opgebeld samen op vakantie in hetzelfde hotel waar alles ooit begon.
En zo had Anne meer herinneringen. Ze stond soms zelf verbaasd hoe veel haar leven kon veranderen in enkele weken.
Ooit volgde ze Paul een keer van het dak, en kwam daar twee jongens tegen die op het punt stonden naar het lagergelegen dak te springen. Zou niet eens zon grote sprong zijn, dachten ze.
Jullie hebben nooit goed opgelet bij natuurkunde, zeker?
We hebben het vak nog niet eens!
Ga dan maar. Eerste wordt een pannenkoek, tweede ziet het zo al niet meer zitten.
Waarom?
Eigenlijk wist Anne ook niets van natuurkunde ze was van de talen, niet van de formules. Ze wist alleen: levensgevaarlijk. Ze verzon een verhaaltje over zwaartekracht en liet ze meters nemen op het dak, rennen, springen maar. Het ging net mis.
Zien jullie wel? Je mist net een halve meter en dan vegen ze je later met de straatveger op.
De jongens dropen af.
Wat doet u eigenlijk op dat dak?
Ik? Jullie redden. Ik ben eigenlijk een engel zodra jullie veilig zijn, vlieg ik weer weg.
Ze geloofden er niets van; Anne leek nergens op een engel, eerder een stevige Hollandse meid. Het werd koud, de wind gierde erover, en ze besloot tijd om naar binnen te gaan.
Waarom was ik hier zelfs? Misschien bestaan toeval en tekens. Gelukkig zijn er altijd engelen onder ons, op de momenten dat je ze nodig hebt.
***
Vandaag, nu ik alles opschrijf, realiseer ik wat ik heb geleerd: soms moet je niet alleen voor jezelf, maar vooral voor een ander engel durven zijn. Ook als je zelf gebroken vleugels hebt. En soms komt daar zomaar onverwacht geluk uit voort.






