Willekeurige melding

Toevallig bericht

Mijn telefoon lag altijd met het scherm naar beneden op het nachtkastje. Ik had hem niet eens willen pakken, maar terwijl ik naar mijn glas water reikte, stootte ik per ongeluk tegen de gladde rand van het toestel. Het scherm lichtte op, zoals dat soms gebeurt op momenten waarvan je later wenst dat ze gewoon in het donker waren gebleven.

Ik ving één regel op. Slechts één, in een melding van WhatsApp.

Ik mis je ook. Vandaag was zo fijn. Liefs, Mies.

Eerst drong het niet tot me door. Ik staarde naar die woorden, een, twee, drie tellen, alsof ze in een taal stonden die ik niet sprak. Daarna keek ik naar mijn vrouw, Marleen. Ze sliep op haar zij, haar gezicht naar de muur, een schouder net zichtbaar, ademend met die rustige, regelmatige ademhaling van mensen met een zuiver geweten.

Liefs, Mies.

Mies. Miesje de Vries. Een vriendin. Die vriendin, die ons drie maanden geleden nog geholpen had met het uitzoeken van de gordijnen voor de kinderkamer. Die zo vaak bij ons aan tafel had gezeten, kopjes thee in mijn keuken, misschien wel honderd keer. Die vorige week nog klaagde aan de telefoon dat ze zo zat was van het alleen zijn, dat mannen tegenwoordig allemaal hetzelfde waren, en dat ze zich eenzaam voelde.

Ik pakte mijn glas water, dronk, zette het glas weer neer. Ik kwam zo stil uit bed dat zelfs de planken niet kraakten en sloop naar de overloop. De slaapkamerdeur trok ik heel zachtjes achter me dicht. In de keuken deed ik alleen het lampje boven het fornuis aan, zodat het licht niet te fel was. Dat scherpe in mijn ogen was toch niet het licht dat wist ik wel.

Ik ging aan tafel zitten, oog in oog met het lege aanrechtblad.

Buiten was het nacht. Gewoon herfst, met vage lichten aan de overkant van de binnentuin. De waterkoker stond er nog van gisteren. Ik deed hem niet aan. Ik deed niets, alleen maar zitten.

Vandaag was zo fijn.

Wanneer bedoelde ze dat? Woensdag was Marleen pas rond kwart voor acht thuis. Ze zei dat ze moest overwerken bij een klant, en dat ze met hen uit eten was geweest. Ze was moe, wilde slapen. Ik had haar eten opgewarmd, dat ze nauwelijks aanraakte. We keken wat TV, waarna ze op de bank in slaap viel. Ik had haar nog toegedekt, gewoon, met mijn eigen handen.

Ik klemde mijn vingers om de rand van de tafel.

Ties sliep in de kamer ernaast. Acht jaar, een diepe slaper, soms pratend over autos of school: onschuldige dromen. De volgende ochtend moest ik hem om negen uur naar voetbal brengen. Brood kopen. Mijn moeder bellen, iets wat ik al vier dagen niet had gedaan en waar zij vast over mopperde.

Het gewone leven, het overzichtelijke, lag dichtbij. Het zat in die kleine dingen. Maar daaronder bleek er een ander leven te bestaan. Parallel. Met andere berichten, andere etentjes, met een andere vrouw jouw Mies.

Ik stond op, liep naar het raam. Op de vensterbank stond een geranium ik houd niet eens van die plant, maar de buurvrouw had hem ooit gegeven, dus bleef ik hem water geven. De geranium was koppig, stoffig, maar hield vol. Lang keek ik ernaar. Daarna ging ik weer aan tafel zitten.

Iets moest besloten worden. Of misschien juist niet. Ik wist niet wat juist was. In mij was het stil die absolute stilte die je soms voelt net voordat er iets ontploft. Geen gehuil, geen geschreeuw, alleen stilte die pijn deed aan de randen.

Tot vier uur bleef ik aan de keukentafel zitten, zonder echt iets te doen. Zag hoe langzaam de ramen aan de overkant uitgingen. Uiteindelijk zette ik de waterkoker aan, schonk thee in, nam een slok en waste daarna het kopje af. Ik ging weer terug naar bed, naast Marleen, zonder haar aan te raken, ogen naar het plafond.

Ze sliep.

Ik luisterde naar haar ademhaling. Gisteren was dat een gewoon geluid net zo normaal als de koelkast of het verre verkeer buiten. Nu hoorde ik elk ademhalingsritme ineens scherp en pijnlijk, alsof ik het voor het eerst hoorde en het was nauwelijks te verdragen.

De volgende ochtend stond ik op voordat Marleen wakker werd. Ties wakker gemaakt, hem pap gegeven, waar hij met tegenzin over zeurde omdat hij liever een boterham met hagelslag wilde. Ik gaf hem die. Strikte zijn veters hij kan het nog niet zelf en er was haast. Nam zijn hand, we gingen naar buiten.

Buiten rook het naar nat asfalt en gevallen bladeren. Ties kletste over de rekenles van gisteren; de juf was volgens hem oneerlijk, hij had het wel goed, zei hij, maar zij vond van niet. Ik knikte en humde op de juiste momenten. Daar ben ik inmiddels goed in, op de automatische piloot gaan. Jaren ervaring.

We kwamen op tijd aan. Ik gaf Ties over aan zijn trainer, keek hoe hij zich bij de groep voegde, lachtend, duwend zoals jongetjes doen. Toen verliet ik de sporthal.

Op het bankje bij de voordeur haalde ik diep adem, pakte mijn telefoon en zocht Mies de Vries op in mijn contactlijst. Ik keek naar haar naam. Maar ik stopte mijn telefoon weer weg.

Niet nu.

Nog niet nu.

In die eerste dagen dacht ik veel na over waar het begonnen was. Ook oude fotos bekijk je terug, op zoek naar wat je gemist hebt. Daar staan we op het tuinfeest van Mies in mei, Marleen lacht om iets dat ik grapte. Ik vond het toen fijn dat mijn vrouw het zo goed kon vinden met mijn vriendin. Mies kwam vaak langs op zaterdag. Ze hielp met de gordijnen; Marleen en zij stonden over het stof te praten in de keuken, als ik Ties naar bed bracht. Waarover spraken ze? Over werk, zei Marleen. Ze is toch interieurarchitect? Logisch.

Logisch.

Ik huilde niet. Dat verbaasde me van mezelf. Ik verwachtte dat wel, maar in plaats daarvan voelde ik alleen een droge keel en een harde knoop ergens diep beneden mijn ribben. Eten, slapen, werken, voor Ties zorgen: alles ging door. Marleen merkte helemaal niets. Ze deed precies zo attent als altijd, niet meer en niet minder. Vroeg naar mijn werk, kuste me vluchtig op de wang als ze vertrok. Ik hield mijn gezicht braaf scheef.

Op de vierde dag belde Mies.

Mijn telefoon trilde in mijn jaszak. Ik zag haar naam verschijnen, even stokte mijn adem. Toen nam ik op, stem volkomen normaal.

Hoi Mies.

Hé Lars! Waar zat je? Ik berichtte je maandag, hoorde niks terug!

Haar stem was warm, een beetje schuldbewust zoals vrienden dat zijn als ze denken dat ze je misschien gekwetst hebben. Die warmte was juist ondraaglijk.

Sorry, het was druk. Ties is een beetje ziek, loog ik zonder moeite, tot mijn eigen verbazing.

Och, wat heeft-ie? Koorts?

Nee, alleen wat verkouden. Het gaat al beter.

Pfoeh, schrik me niet zo. Zou je zaterdag meekunnen? Dacht, misschien eens samen iets doen, het is zo lang geleden.

Ik keek naar de muur. Daaraan hing een foto Marleen en ik op Texel, zes jaar geleden, Ties nog niet geboren. We lachten allebei, haar haren waaiden door de wind. Mooie foto.

Zaterdag lukt denk ik niet, zei ik, maar ik bel je later in de week even, goed?

Tuurlijk! Hoe gaat het echt met je? Je klinkt zo…

Gewoon moe. Alles oké.

Zeker weten? Lars, bel me als je iets nodig hebt, ja?

Doe ik, Mies. Dank je. Doei.

Ik verbrak de verbinding. Liep naar de foto op de muur, keek naar mijn lachende gezicht. Pakte hem van de spijker, stopte hem in de la van de commode en schoof die dicht.

Die nacht huilde ik. Stilletjes, onder de stromende douche, zodat niemand het kon horen. Lang gehuild, lelijk, tot mijn ogen brandden. Niet omdat ik Marleen kwijtraakte, niet eens omdat zij niet degene bleek die ik dacht, maar om iets groters: om de jaren, het vertrouwen, om wie ik toen was, die zo naïef geloofde. Om de domheid van dat geloven. Om Ties, die nu opgroeit in een gezin waar zijn moeder loog en hij dat pas later gaat begrijpen.

Na afloop spoelde ik mijn gezicht af met koud water. In de spiegel keek ik naar mezelf. Achtendertig jaar, niet jong, niet oud, een doorsnee gezicht met dikke ogen. Morgen moest ik scherp zijn op mijn werk. Eén gedachte bleef haken: ze mogen niet denken dat alles gewoon doorgaat. Dat hun geheime leven zomaar naast het mijne kan bestaan, samen met dat van Ties. Dat mag niet.

Terug in bed, Marleen sliep. Ik lag ernaast.

Ik moest nadenken.

De twee weken die volgden, leefde ik dubbel. Uiterlijk draaide alles door: koken, werken, Ties naar voetbal, kletsen met Marleen, zelfs lachen om haar grappen want ze waren nu eenmaal echt leuk. Soms betrapte ik mezelf erop dat ik vergat wat er aan de hand was. Dán schrok ik pas echt: dat ik gewoontegetrouw naast haar kon leven wanneer ik niet oplette.

Van binnen was ik ondertussen druk. Geen detective ingehuurd, niets dramatisch, gewoon opletten. Merkte hoe Marleen haar telefoon meenam naar de badkamer. Hoe ze glimlachte naar het scherm, snel weghaalde als ik binnenkwam. Weer op woensdag: laat thuis, etentje met klanten, nauwelijks gegeten.

Eén avond, toen zij onder de douche stond, pakte ik haar telefoon. De toegangscode wist ik. Vier cijfers: Ties geboortejaar. Ik opende WhatsApp en vond het gesprek met Mies.

Ik las snel, niet alles, alleen genoeg om te begrijpen wat het was. Het begon in juli. Drie maanden. Tijdens het schilderen van de kinderkamer, tijdens het eerste schooljaar van Ties, terwijl ik bij mijn moeder was zonder Marleen.

Ik legde de telefoon weg en liep naar de keuken. Maak het fornuis aan, sneed een ui voor in de soep. Blokjes, keurig.

Marleen kwam uit de douche, handdoek om haar lichaam, keek de keuken in.

Gaatje soep? Fijn, ik heb trek.

Over een half uur klaar, zei ik.

Mijn stem was rustig. De ui in perfecte blokjes. Alles was rustig.

Die nacht besloot ik dat er een etentje moest komen.

Niet direct, niet de volgende dag. Ik had tijd nodig, om het op mijn manier te doen. Geen wraak. Ik wilde één keer hen samen in mijn huis, aan mijn tafel, om te zeggen wat er gezegd moest worden. Kalm, zonder schreeuwen, want van schreeuwen wordt alles lelijker en zeggen mensen achteraf: zie je wel, hij is hysterisch.

Vrijdagavond belde ik Mies.

Mies, het gaat over zaterdag. Je stelde het laatst voor, toch?

Ja! Wat leuk, kan het toch?

Kom maar bij ons. Ik kook lekker, we hebben elkaar te lang niet gezien. Marleen is er ook, gewoon gezellig.

Een korte pauze, een fractie van een seconde.

Leuk, hoe laat?

Vanaf zeven. Kom je?

Tuurlijk. Zal ik wat meenemen?

Hoeft niet.

Ik hing op, liep naar Marleen in de woonkamer. Ze keek tv.

Ik heb Mies uitgenodigd voor zaterdag. Gezellig etentje.

Marleen draaide haar hoofd weg van het scherm. Heel even zag ik iets in haar gezicht: vluchtige schrik.

Gezellig, zei ze.

Ja, dacht ik ook, zei ik, en ik liep de keuken weer in.

Ik wist dat ze elkaar direct zouden appen. Afspreken normaal te doen. Dat maakte mij niet uit. Ik wilde ook geen scène. Ties ging zaterdag naar mijn moeder, dat was al geregeld. Dit etentje moest kalm zijn.

De hele week dacht ik na over het eten. Omdat bezig zijn met eten me rust gaf. Ik koos voor een ovenkip met rozemarijn en aardappels, een salade met rucola en peer Mies favoriet en een appelcake waar ik altijd goed mee scoorde. Alles goed, alles mooi op tafel.

Zaterdag bracht ik Ties om twee uur naar mijn moeder. Ze probeerde uit te vissen wat er was ik zag er moe uit, zei ze. Ik zei dat het ging, nam afscheid van Ties, die al nauwelijks naar me omkeek, en ik reed naar huis.

Het huis was stil. Marleen was s ochtends even boodschappen gaan doen, kwam terug om drie uur, met tassen. Ze had goede wijn gehaald, ik zag de prijs.

Voor het etentje, zei ze. Dat is oké toch?

Prima idee, zei ik.

Ze was gespannen. Liep sneller dan anders, checkte haar telefoon in de keuken, haalde diep adem en ging toen in een tijdschrift bladeren dat ze nooit las.

Ik begon met koken. Kip wassen, specerijen vijzelen, aardappels snijden, dressing maken. De geur van rozemarijn en knoflook vulde de flat. Ik zette een raampje open; frisse herfstlucht kwam binnen.

Om zes uur dekte ik de tafel. Drie borden, drie glazen. Geen kaarsen dat werd te cynisch. Gewoon: een verzorgd gedekte tafel, bloemen in een vaasje.

Precies om zeven uur werd er aangebeld.

Mies kwam binnen in een nieuwe donkerblauwe jas. Haar haren netjes, een lichte geur van parfum die ik kende van vroeger. Ze had een mooie doos bonbons bij zich, hoewel ik had gezegd dat het niet hoefde.

Lars, wat is het altijd gezellig bij je, zei ze glimlachend. En wat ruikt het lekker!

Kom binnen, Mies. Fijn dat je bent gekomen, zei ik, en het was waar een vreemde, kromme waarheid, maar wat het ook betekende, het was waar.

Marleen kwam uit de woonkamer en begroette haar. Ze kusten elkaar op de wang, toonden perfecte nonchalance.

We gingen aan tafel.

Het eerste half uur ging het nergens over. Mies vertelde over een klantenproject, rare mensen die gouden deurgrepen wilden, Marleen lachte, ze viel bij met eigen verhalen over lastige opdrachtgevers. Ik luisterde, dronk, zei af en toe iets, gaf iedereen wijn.

Buiten werd het snel donker. Binnen voelde het knus, wat het extra pijnlijk maakte.

Toen de tweede glazen wijn op tafel stonden en er een korte stilte viel, terwijl Mies zich uitrekte naar de salade, zei ik: Ik wil iets zeggen. Luister allebei even.

Ze keken me aan. Mies met haar vork halverwege de schaal, Marleen met het glas wijn vlak bij haar lippen.

Ik weet het. Sinds juli al. Ik heb de berichtjes gezien. Marleen, alles. Precies genoeg om te weten wat ik moet weten.

Stilte. Zo intens dat de klok in de keuken luid leek te tikken.

Marleen begon, haar stem benauwd:

Lars

Wacht even, zei ik. Geen geschreeuw. Niet vandaag. Ik wil dit gewoon gezegd hebben, aan jullie allebei. Want jullie moeten het allebei horen. Ik weet het. Dat is één.

Ik keek naar Mies. Zij keek naar de tafel. Haar wangen kleurden, haar knokkels wit.

Mies, jij bent bijna familie. Je kwam hier kind aan huis. Als het slecht ging, bleef je langer. Toen Ties geboren werd, wachtte je buiten het ziekenhuis. Dit zeg ik niet zodat je je schuldig voelt, maar omdat ik wil dat je weet dat ik me alles herinner. Ik ben dat niet vergeten.

Mies keek op, haar ogen nat.

Lars, ik

Hoeft niet. Niet nu, zei ik zacht.

Ik draaide me naar Marleen.

Twaalf jaar hebben we samen gedeeld. Ik ga nu niet alles uitpluizen over wanneer het fout ging. Dat is voor later, als het ooit moet. Nu moest ik gewoon met jullie aan tafel zitten en het uitspreken, voor jullie allebei. Jullie dachten dat ik niets wist. Nu weet je: ik weet het. Dat is het verschil.

Marleen zette haar glas neer. Heel zorgvuldig.

Lars, het ligt ingewikkeld. Kunnen we praten? Echt praten, jij en ik, zonder

Dat doen we nog wel. Maar niet vandaag.

Ik stond op, dronk mijn glas leeg.

Eet gerust je kip. Hij is goed gelukt. Daarna mogen jullie gaan. Ties slaapt bij mijn moeder, ik zeg wel dat hij daar ook blijft. Ik heb nog wat te doen.

Niemand bewoog.

Marleen keek naar me met een blik vol verbijstering geen schuld; het was iets anders, alsof ze zich op een uitbarsting had ingesteld en niet wist wat te doen met stilte.

Mies stootte haar stem uit:

Lars, vergeef me alsjeblieft

Ik keek naar haar, het gezicht dat ik al jaren kende, de make-up die uitveegde, haar parfum die nog in de lucht hing.

Misschien. Maar niet nu, Mies.

Ik liep de kamer uit, sloot me op in de slaapkamer, ging op het bed zitten. Ik hoorde hoe er in de keuken zacht gepraat werd, stoelen schoven. Toen sloeg de voordeur. Eén keer, en een halve minuut later nog eens.

Het was stil.

Ik zat en luisterde. Het rook in huis naar rozemarijn en een vleug van dat parfum van Mies, dat langzaam verdween. Op tafel stonden nu drie borden, eentje onaangeroerd.

Ik raapte me bij elkaar, ruimde af, schoof de kip in aluminiumfolie naar de koelkast, spoelde af, poetste de tafel, veegde de kruimels.

Toen ging ik in het midden van de schone keuken zitten.

Dat was het dan. Zo weinig bleef er over van twaalf jaar en een beste vriendin, en alles wat daar altijd tussen bestond: een opgeruimde tafel en de geur van afwasmiddel.

Ik belde mijn moeder.

Mam, kan Ties tot zondag bij je blijven?

Natuurlijk, hij slaapt al. Lars, is er iets?

Ja. Ik vertel het later wel. Niet nu.

Kom je hierheen? Ik ben nog op.

Nee mam. Ik blijf thuis. Dat moet even.

Ze drong niet aan. Mijn moeder voelde die dingen aan.

Eet je wel genoeg, jongen?

Ik heb goed gekookt vandaag. Kip, was gelukt.

Mooi zo, zei ze, en dat mooi zo sneed harder dan alles die avond.

Ik legde neer. Toen huilde ik weer. Niet verstopt in de badkamer, maar gewoon, hoofd naar beneden op de keukenstoel, tot alles weer een beetje gezakt was. Daarna snuitte ik mijn neus, waste mijn gezicht boven de gootsteen.

Buiten lag de stad, november, gewone zaterdagavond. Marleen en Mies liepen nu ergens, misschien samen, misschien alleen. Wat zij zeiden, deed er niet toe. Het hoefde niet meer.

Ik dacht niet aan hoe het verder moest. Niet vannacht. Ik was alleen bezig geweest deze avond uit te zingen zonder te breken. Ik had precies gezegd wat ik wilde.

Marleen kwam pas om één uur s nachts thuis.

Ik lag wakker in het donker. Hoorde haar binnenkomen, schoenen uitdoen, zachtjes in de keuken rommelen. Toen bleef ze even bij de slaapkamerdeur staan.

Ze opende hem heel voorzichtig.

Je bent nog wakker, zei ze. Geen vraag, een constatering.

Ja.

Ze kwam, ging op haar helft van het bed zitten. Dacht na.

Lars, ik weet niet hoe ik moet beginnen

Begin dan morgen. Ga nu slapen. Ik ben moe.

Wil je niet

Het is nu nacht, Marleen. Morgen praten we.

Ze ging liggen. We raakten elkaar niet. Twee vreemden, samengeworpen door gewoonte, ieder in zijn eigen wereld.

De ochtend erna stond ik vroeg op. Terwijl Marleen sliep, pakte ik een tas. Niet om meteen alles te verlaten, maar het noodzakelijke. ID-bewijs, bankpas, wat kleren, de foto van Ties van het nachtkastje.

Ik zette de tas in de gang.

Daarna zette ik koffie. Wachtte tot Marleen naar buiten kwam.

Ze zag de tas.

Ga je weg?

Even naar mijn moeder. Met Ties. We moeten praten, maar eerst wil ik een paar dagen alleen zijn.

Ze keek naar de tas en weer naar mij.

Ik wil het uitleggen.

Ik luister.

Ze zweeg. Ik dronk mijn koffie, keek haar aan.

Ik weet niet hoe dit zo gekomen is. Ik heb het nooit gewild

Dat zegt iedereen altijd, Marleen. Zo werkt het niet.

Wil je scheiden?

Het woord viel. Ik week niet uit.

Ik weet het niet. Ik moet nadenken. Maar ik weet zeker: niet hier blijven en doen alsof alles normaal is. Dat kan niet meer. Dat snap je wel?

Ze knikte langzaam, als iemand die het begrijpt zonder er iets minder verdrietig door te worden.

Ties

Dat komt goed. Dat gaat tussen jou en mij, niet hem. Ik hou zijn buiten beeld.

Ik dronk mijn koffie op, waste de mok af, pakte mijn tas.

Ik bel je.

En ik vertrok.

Het rook vertrouwd koud in het trappenhuis, naar oud hout en andermans ontbijt. Ik liep de trappen af, twaalf treden per verdieping we woonden op zes hoog maar nu telde ik ze, alsof ik ze nooit eerder afliep.

Op straat was het nat en kil, de bladeren veegde de gemeentewerker samen in oranje jas. De lucht grijs, in de stijl van november. Maar ik stond er. Ik ademde.

Ik dacht aan Ties. Hoe hij straks wakker zou worden bij oma, pannenkoeken zou eisen, ze kreeg, tevreden. Hij wist niks. Dat was goed. Hij mocht nog even acht zijn, pannenkoeken, voetbaltrainingen, en die strenge juf die te snel punten aftrok. De rest kwam later wel.

Hoe het verder moest ik wist het niet. Scheiden? Iets anders? Zou het me lukken? Geen idee. Of ik Mies ooit zou kunnen vergeven? Ik wist het niet. Bij een partner dat zie je vaker, daar is pijn, maar je begrijpt het nog. Maar met een vriendin, aan wie je alles toevertrouwde, dat is anders. Dat kostte tijd.

Voor nu was ik op straat, met mijn tas, in de ochtend die grijs en leeg voelde. Twee straten verderop lag mijn zoon te slapen, en ik zette een stap van de stoep.

Gewoon, vooruit.

Mijn moeder deed open zonder vragen. Keek naar mijn tas en naar mijn gezicht, begreep het in één oogopslag. Ze zei alleen: Was je even op, ik zet thee.

Ties kwam aangehollen op sokken, zijn haar in de war.

Pap! Waarom ben je hier? Je zei toch dat je niet kwam?

Ik had je gemist, zei ik, en ik drukte hem stevig aan me. Hij rook naar kind en slaap.

Je jeukt, pa! gilde hij, en rende weg, want de tv stond aan en de tekenfilm wachtte.

Ik keek hem na.

In de keuken was mijn moeder bezig de theepot te vullen, de kleine keuken met haar bloemen-gordijntjes die ze nooit zou veranderen, de koelkast vol magneetjes, inclusief het handgemaakte exemplaar van Ties uit de kleuterklas scheef, maar geliefd. Het was zo vertrouwd dat ik bijna opnieuw moest huilen.

Maar ik deed het niet.

Ze zette een kopje voor me neer, ging tegenover me zitten.

Wil je erover praten?

Later. Laat even wennen.

Is het Marleen?

Ja.

Mijn moeder knikte, zei niks. Drak haar thee. Achter de muur lachte een cartoonfiguur, Ties giechelde mee.

Mam, mag ik een tijdje bij jou slapen?

Zolang het nodig is. Je kamer blijft van jou.

Dat was alles.

Toen begon een leven-zonder-naam. Niet tijdelijk, niet nieuw, gewoon dag voor dag.

Marleen en ik praatten, keer op keer. Moeilijke gesprekken, zonder geschreeuw. Ik hield mij aan mijn besluit niet te schreeuwen, hoewel het soms amper ging. Zij zei dat ze ook niet wist hoe het was gebeurd, dat het haar speet, dat ze aan Ties dacht, dat het allemaal niet simpel was.

Ik luisterde. Ik vergaf haar niet, maar haatte haar ook niet.

Over de scheiding deden we lang. Er waren papieren, een advocatenkantoor, praktisch gedoe over het huis en over Ties. Smerig, uitputtend, zoals altijd met het verdelen van wat eens van samen was. Maar het moest.

Mies liet weken niets horen. Toen stuurde ze: Ik ben hier als je me ooit nodig hebt. Ik las het, antwoordde niet. Niet uit wraak, ik wist gewoon niet wat ik moest zeggen.

Eind november haalde ik Ties op bij de training en het begon zachtjes te sneeuwen, de eerste witte vlokken van het jaar, smeltend nog voor ze de grond raakten. Ties kwam rennend de hal uit, gezicht omhoog.

Sneeuw! Papa, zie je het?

Ik keek omhoog. Sneeuw dwarrelde uit het donker, omgekeerd, alsof ik me vergiste over richting. Kleine koude vlokken, eentje gleed langs mijn wang en smolt direct.

Ik zie het, zei ik.

Gaan we een sneeuwpop maken?

Als er genoeg valt. Nu is het nog niks.

Aah, pap

Kom, we moeten naar huis, anders word je ziek.

Hij nam mijn hand, zijn warme want vol raceautos. We liepen door de sneeuw, Ties kletsend over sneeuwpoppen en dat een jongen uit zijn klas ooit een sneeuwman maakte die groter was dan hijzelf.

Ik hield zijn hand stevig vast.

Het deed nog pijn. Dat ging niet zomaar weg. Twaalf jaar verdwijnen niet in één november. Maar tegelijkertijd was daar ook iets losgekomen. Iets, wat misschien vrijheid was, lucht, het feit dat ik nu zelf liep en zelf koos welke kant uit.

Ik wist dat ik het juiste had gedaan, maar dat maakte het niet meteen eenvoudiger of licht. Dat zijn twee verschillende dingen, leerde ik nu, pas op mijn achtendertigste, onder deze eerste sneeuw.

Een week later vond ik een advertentie voor een flatje in de buurt. Twee kamers, vierde verdieping, uitzicht op de binnentuin. De eigenaars waren een ouder stel, no-nonsense. Ik keek binnen, luisterde naar de stilte in het lege huis. Kleine keuken, goed licht. Vanuit Ties kamer kon je bomen zien.

Hebt u interesse? vroeg de eigenaar.

Ja, graag.

Verhuizen was zo gebeurd. Buren van mijn moeder hielpen met meubels, zonder vragen. Marleen bracht Ties spullen zelf, zette de dozen neer, keek even rond.

Mooie plek, zei ze.

Ja.

Ze stond in de deuropening en draaide zich om.

Lars. Het spijt me echt.

Ik keek naar haar de vrouw die ik zolang kende. Ze zag er moe uit, een beetje ouder, doorsnee.

Ik weet het. Ga maar, Marleen.

Ze verdween.

Ik sloot de deur, leunde ertegen. Toen zette ik de dozen uit elkaar en begon uit te pakken.

Ties kwam s avonds aan, holde gelijk zijn nieuwe kamer in, keurde het uitzicht op de bomen, zei dat hij graag op de vensterbank wilde liggen kijken hoeveel katten er rondliepen. Het is wel een heel smalle vensterbank, Ties. Maakt niet uit, ik ben klein! Ik moest lachen.

Spontaan. Zonder vooropgezet voornemen. Alsof iets loskwam. Ties keek verbaasd op.

Wat is er, pap?

Niks. Trek je jas uit, ik ga pannenkoeken bakken.

Yesss! En hij vloog de keuken in.

Ik zette het fornuis aan, koekepan erbij, zocht de suiker uit een tas. De nieuwe keuken rook nog naar de vorige bewoners, maar dat verandert vanzelf. Als je kookt, gaat dat snel weer weg.

Ties zat aan tafel te tekenen voor school. Morgen was de tekenles en hij was het vergeten.

Pap, gaan we echt een sneeuwpop maken?

Tuurlijk. Zodra het sneeuwt, gaan we samen de grootste sneeuwman maken van het plein.

Beloofd?

Beloofd.

Hij knikte en ging weer op in zijn tekening.

Buiten viel de sneeuw nu echt niet meer aarzelend, maar stevig, stille witte vlokken op de bomen, het kozijn, de trap van het portiek. De stad werd stiller en lichter van al dat wit.

Ik stond aan het fornuis en roerde in het beslag. Mijn gedachten waren leeg, gewoon bezet met het omkeren van pannenkoeken, het luisteren naar Ties zachte geklets aan tafel. Buiten dwarrelde de sneeuw.

Wat er kwam, wist ik niet.

Wat ik wel wist, was dat ik morgen weer vroeg op zou staan, Ties naar school brengen, brood halen, mijn moeder bellen, omdat ik al drie dagen niet gebeld had. s Avonds misschien nog een verhuisdoos uitpakken. Of niet morgen weer een dag.

Er zal pijn zijn. s Nachts of zomaar overdag. Geur van haar parfum, een bekende stem op de radio, soms een goed moment van vroeger dat je niet kan uitwissen want het was echt. Het is er nog. Het mag. Het duurt nog even.

Maar de pannenkoeken waren klaar. Ties schoof zijn tekening aan de kant en keek verwachtingsvol.

Ze zijn klaar, ik breng ze! zei ik.

Rate article