De afgelopen winter was een ware ijsbaan. Ons hele dorpje lag begraven onder een wollige deken van sneeuw; naar de supermarkt wandelen was uitgesloten, de bakker bracht geen brood rond en wij zaten met het gezin aan tafel, omringd door een verzameling groenten en blikjes, die we gelukkig nog uit de kelder wisten te slepen voordat het begon te sneeuwen als in een oude Hollandse schilderij. Mijn man kon niet naar zijn werk; het openbaar vervoer lag ook plat door het barre weer. We konden alleen maar rekenen op de uitkering van opa en oma en hoopten dat we vroeg of laat weer naar de winkel zouden kunnen glijden… We bleven een heel etmaal binnen zitten. Mijn dochter van negen, Janna, maakte op de eerste dag dat de sneeuwstorm eindelijk ophield een frisse wandeling. Mijn man en ik hadden sneeuw tot onze knieën, maar bij haar kwam het tot haar middel. Dat hield Janna echter niet tegen; ze dartelde alsof ze de hoofdrol had in een wintermusical.
Op een dag, die qua rust iets weghad van een Nederlands schilderij behalve dat mijn man de paadjes naar het huis en de kelder stond te vegen kwam Janna opeens binnen, zonder jas. Buiten vroor het dat het kraakte, en zij had alleen haar wollen trui aan, maar ze droeg iets in haar handen!
Bleek dat ze achter het veld, bij de grote container, een puppy had gevonden. Het beestje was zo koud dat je dacht dat hij net uit een diepvries kwam, en ademde nauwelijks meer, dus besloot Janna hem onder haar arm naar binnen te smokkelen en op te warmen. Het leek allemaal wat te veel op een improvisatie, want wij hadden zelf niet eens genoeg brandhout voor het gezin; iedereen warmde zich aan de kachel, en Janna presenteerde een extra mond. Ik was niet bepaald enthousiast, maar mijn man vond dat we het dier niet in de kou konden laten staan.
We probeerden de pup te voeren en wat water te geven, maar hij had weinig trek, viel eerder half in slaap dan in de etensbak en bleef maar slapjes liggen. Janna verliet de puppy geen seconde, wikkelde hem in een fleecedekentje en oma zei op dramatische toon dat het waarschijnlijk zinloos was. Maar dochterlief dacht daar uiteraard anders over.
De volgende ochtend vroeg werd ik wakker van mijn man die zei:
De hond ademt niet meer.
Het zou misschien beter geweest zijn om hem weg te brengen voordat Janna wakker werd, maar bang dat ze boos zou worden, wachten we tot ze opstond en bracht ze met zn drieën de pup naar het bos. De grond was veel te hard en ijskoud om te graven, dus moesten we hem achterlaten in de sneeuw.
Bij het ontbijt en de lunch was het die dag ongekend stil. Janna treurde nog lang, maar ‘s avonds schoof ze bij ons in de slaapkamer in bed, en fluisterde dat het haar blij maakte dat ze hem gevonden had, omdat hij in ieder geval nog één warme nacht had gehad.
Soms vraag ik me af of we er wel goed aan deden hem binnen te halen, soms fantaseer ik over hoe het geweest zou zijn als we hem hadden kunnen redden. Janna zou ongetwijfeld gesmeekt hebben om hem tot de lente te houden, en daarna zouden we hem meenemen naar de stad… En deels betreur ik dat toch.






