Waarom heb ik mijn vrouw ingeruild voor een andere vrouw?
Ze stond daar weer, te schrobben aan het aanrecht waar het water stroomde als de grachten van Amsterdam. De borden, kopjes en bestek lagen al drie dagen opgestapeld in de gootsteen, een porseleinen berg in de ochtendmist. Geen schone mok meer voor een bakje koffie. Ik wachtte, wachtte… en wachtte nog langer alles om die knellende honger en vermoeidheid kwijt te raken na een lange dag op kantoor in Rotterdam, waar de lucht naar regen ruikt. Thuis moest ik eerst afwassen, anders was er geen plek voor avondeten op het dressoir.
Maar er was überhaupt niks te eten in huis. Ik had net de waterkoker aangezet en een pan water op het gasfornuis gezet, hopend dat er ergens nog een rookworst lag in de koelkast, tussen resten oude kaas en een verdwaalde haring. Mijn buik knorde als een nabije polderwind. Vroeger dacht ik niet dat het zo zou gaan, dit leven. Waar is de tijd dat Jasmijn haar stoofpot maakte, met kruidnagel en laurierblad, net als mijn moeder vroeger? Wat verlang ik weer naar zon warme, huiselijke maaltijd.
En wat waren haar appeltaarten lekker. Bros deeg, geurend door het huis, gevuld met kaneel en rozijnen uit de Jordaan. En oliebollen, gevuld met rozijnen, net als op oudejaarsavond. Toen was het huis opgeruimd, alles stond op zijn plek de vloer glansde, er hing een frisse geur alsof de lente in Utrecht net was begonnen. Nu, nu is het een rommelige bende.
Waarom heb ik dat nooit gezien, dat Jasmijn alles deed en nooit klaagde? Ik dacht dat haar leven alleen bestond uit afwassen, koken. Dat het normaal was. Maar toen zag ik Sophie op een avond in Den Haag, haar benen bloot in een kittig rokje, hakken tikkend op de stoepstenen, net langs het Vredespaleis. Ze kwam net van de schoonheidssalon, haren perfect in model, nagels glanzend gelakt. Alles aan haar was verzorgd, uniek, onaantastbaar. Op dat moment dacht ik: dit is wat ik nodig heb.
Jasmijn gebruikte haar geld nooit voor haar haar. Ze vond kapsalons maar onzin. Ze hield niet van make-up en jurkjes altijd maar in jeans en sneakers, haastend naar de bakker of de Albert Heijn. Ze was slank, mooi, maar hield niet van ‘damesdingetjes’. Ze rende alleen maar, altijd bezig.
Ik hou van een ander, zei ik die avond tegen Jasmijn, toen ze in de keuken stond te kloppen voor een slagroomtaart. Ze keek me niet eens aan. Toch zag ik dat er iets vloeide uit haar ogen iets zachts, iets kalks als melk uit een Delftse koe.
Ik had er genoeg van om een huishoudster naast me te hebben, geen vrouw. Dus ging ik voor Sophie. En nu? Nu sta ik zelf af te wassen, de vloer te dweilen, tussen de restjes boerenkool en uitgekauwde stroopwafels. Koken lukt me nog steeds niet echt, en s nachts droom ik soms van Jasmijns appeltaart.
Sophie heeft net haar nagels laten doen in de chique salon aan de gracht, dus de afwas kan ik vergeten. Ze ligt op de bank, bladerend in een modetijdschrift, haar schoenen verspreid als klompen op de vloer, kleden in bonte hoop. Ze weet niet eens wat ze aan moet naar haar volgende afspraak. Alles heeft ze, maar koken? Dat is beneden haar stand.
Waarom heb ik mijn vrouw ingeruild voor iemand zo lui? Waarom kook ik niet gewoon zelf wat macaroni? Mijn maag blijft maar rommelen, alsof er ergens een storm op zee opsteekt…






