Waar klinkt het

Waar het klinkt

Marlies van der Laan had haar jas al uitgetrokken en de map met bladmuziek uit haar fietstas gehaald, toen iemand een A4tje op de deur van de zaal plakte. Ze dacht eerst dat het over brandveiligheid zou gaan, maar toen las ze: Per 1e is deze ruimte dicht. Verbouwing. Huur herzien. Handtekening van het beheerbedrijf en een telefoonnummer.

Binnen gonsten de stemmen al. Iemand oefende ademtechnieken, iemand zocht haar bril, een ander grapte dat die verbouwing voor henzelf misschien ook niet slecht zou zijn, maar niemand lachte echt. De dirigent, Kees de Jong, stond bij de piano en hield het vel papier vast alsof je daarmee een deur kon openbreken naar een vriendelijker werkelijkheid.

Laten we eerst inzingen, zei hij, en zijn stem was beheerst, maar Marlies hoorde de zorgvouwen. Hij probeerde zichzelf in bedwang te houden.

Inzingen deden ze altijd op dezelfde manier: mmmmm, na-na-na, zachtjes via de ladder omhoog en dan weer naar beneden. Marlies voelde hoe het geluid samenkwam in haar borst, hoe het zich vermengde met de stemmen van de anderen en iets werd dat van iedereen samen was. Sinds haar pensioen werd het thuis te stil, maar het koor hield haar rechtop. Niet als plicht, maar als een plek waar ze niet verdween.

Na het inzingen hief Kees zijn hand.

De situatie is als volgt. We worden hij viel stil, zocht naar woorden, we krijgen het voor de kiezen. De zaal gaat dicht voor de verbouwing. En de huur is nu drie keer zo hoog. Dat kunnen we niet betalen.

Hoezo wij? riep Hanneke Smits meteen, die altijd als eerste sprak. We horen toch bij het wijkcentrum? We zijn toch geen private club?

Het wijkcentrum is nu in handen van een andere stichting, zei Kees. Dat hebben ze me vandaag uitgelegd. Optimalisatie. En ook hij keek nog eens naar het papiertje, alsof er geheime boodschap op stond. Ze zeiden: U kunt toch ook thuis blijven? Geef de jongeren maar ruimte.

Marlies voelde iets heftig in haar keel opkomen, geen verdriet, maar woede, rauw als een blaffende hoest. Ze dacht aan hoe ze de sjaaltjes over de stoelen hingen, koekjes meenamen voor wie jarig was, hoe in december een plastic kerstboompje op de vensterbank stond waar de conciërge naar kwam luisteren en deed alsof hij de radiatoren controleerde.

Hinderlijk zijn we toch niet? vroeg ze, verbaasd over haar eigen rustige stem.

Vervelend voor wie vindt dat we overtollig zijn, zei Kees. Maar laten we niet bakkeleien met de lucht. We moeten beslissen wat we nu doen.

Eerst besloten ze te strijden. Zo zeiden ze het ook terwijl niemand van hen daar echt ervaring in had. De volgende dag liep Marlies samen met Kees en twee andere dames naar het stadsdeelkantoor. Folder met brief, deelnemerslijst en kopie van een bedankbriefje van de Koningsdag in het dorp. Marlies droeg haar netste rok en blouse, zoals bij een sollicitatie.

De wachtruimte rook naar koffiepads en versdrukpapier. De receptioniste, jonge vrouw met perfect gelakte nagels, keek niet op.

Waar komt u voor?

Koor Het Lijstje, zei Kees. Onze zaal wordt gesloten.

U kunt een verzoek online indienen, antwoordde ze. Of via de gemeentelijke balie.

Dat hebben we gedaan, viel Hanneke snel in, en schoof haar het papier toe. Hier, met handtekening.

Wij nemen geen papieren aan, nu keek de receptioniste omhoog, niet boos, maar moe. Alles via het systeem.

Maar als we willen praten? vroeg Marlies, het woord systeem voelde als een deur zonder klink.

Maak dan een afspraak, zei ze. Volgende vrije plek over twee weken.

Twee weken later kregen ze te horen: Deze kwestie is aan de eigenaar. De eigenaar was het beheerbedrijf en het bedrijf had commerciële uitgangspunten. Kees bleef rustig vragen, vroeg zelfs tijdelijk, al was het voor de duur van de verbouwing. Er kwamen gladde antwoorden, als van een handleiding. Marlies merkte dat hun stemmen hier nooit een koor zouden worden ieder geluid stierf in het systeemplafond.

Ze probeerden nog meer: de basisschool, de bieb, het buurthuis. De conrector op school zei dat alles na schooltijd bezet is door clubs; op de vraag welke clubs dat waren, kwam een stroom woorden als bezwering. In de bibliotheek glimlachte de leidinggevenden eerst, maar schrok toen van stilte en klachten van lezers. In het buurthuis boden ze een kelderzaal aan naast de tafeltennistafels en muffe lucht. Kees keek omhoog, murmelde:

Hier verliezen we onze stemmen.

Het ergste was niet de weigering, maar de woorden: ouderenclub, niet rendabel, past niet binnen het profiel. Op kantoor, hoofd gebogen over het scherm, zei een vrouw:

U doet het toch voor uzelf? Dan oefent u maar thuis.

Buiten liep Marlies sneller dan ze wilde. Net alsof ze niet keek, maar vluchtte.

Op vrijdag kwam iedereen toch naar het wijkcentrum. De deur was gesloten, het vel papier hing er nog, met nu een extra vel: Verboden toegang voor onbevoegden. Marlies hield de map krampachtig vast, handen die nergens heen konden. Kees overzag hun groepje.

We gaan niet weg, zei hij. We lopen naar de bieb. Ik heb een uurtje kunnen regelen, in de leeszaal, als het rustig is.

En als we eruit worden gezet? vroeg zachtjes Lianne van Vliet, die zelden iets zei.

Dan gebeurt dat, zei Kees. Maar we proberen het.

De bibliotheek was tien minuten lopen. Ze liepen op een rij, als schoolklas zonder juf. Marlies voelde de blikken bij de halte: iemand geamuseerd, iemand geërgerd, alsof ze raar veel ruimte innamen.

In de bibliotheek stond een magere man met een wollen trui.

Graag stil, zei hij, en schrok meteen. Niet té stil, zing gerust. Maar nou ja

Wij doen voorzichtig, beloofde Marlies.

Ze gingen tussen de kasten staan, waar de boeken als getuigen streng omlaag keken. Piano was er niet. Kees gaf de toon, fluisterend bijna. Marlies was bang dat ze zonder begeleiding zouden verdampen, maar het tegenovergestelde gebeurde: ze luisterden beter naar elkaar. Het ademhalen naast haar werd belangrijker dan de toetsen van een piano.

Lezers keken op, een enkeling fronste. Een vrouw in een donzen jas fluisterde: Wat is dit nou? en sloeg haar boek ostentatief dicht. Maar toen ze een simpel lied zongen, dat iedereen kende, viel de stilte niet van de bieb, maar van echte aandacht.

Na afloop kwam de bibliothecaris.

Zo levendig is het zelden, zei hij. Volgende keer liever bij het raam daar, dan stoort het minder.

Kees knikte alsof hij het podium kreeg aangeboden.

Maar er kwam geen volgende keer. Bij hun derde bezoek riep de leiding de bibliothecaris bij zich. In hun bijzijn:

Klagers zijn gebeld. Dit is een bibliotheek, geen clubhuis.

Marlies staarde naar haar handen. Ze wilde zeggen: We zijn een koor, geen club, maar de woorden pasten niet. Kees bedankte, verzamelde zijn troepje, en ze liepen naar buiten.

Nou, zei Lianne, we maken ons belachelijk.

Dit stak erger dan blijf maar thuis. Het kwam van binnenuit.

We zijn niet belachelijk, beet Hanneke haar toe, we zingen.

We zingen, zei Lianne, maar mensen klagen. Dus we storen.

Marlies liep naast hen, iets fragiels schommelde in haar borst. Ze begreep Lianne. Ze verlangde zelf terug naar de zaal, waar alles op zn plek stond, waar niemand zei dat ze overbodig waren. Maar de zaal bestond niet meer; het voelde als het verlies van een deur van je eigen huis.

Kees stond stil bij de ingang van de fietstunnel.

Hier dan, zei hij opeens.

Hier? Hanneke keek rond. Mensen daalden af, liepen langs, sleepten boodschappentassen. In de hoek stond een jongen met een luidspreker en een gitaar, iets eigens te spelen.

Goede akoestiek, zei Kees. We hoeven niemand te vragen.

Marlies voelde haar handen koud worden. De schaamte kwam op, als bij een verkeerd antwoord op de basisschool. Maar Kees stond al klaar, hand omhoog.

Eéntje maar, zei hij. Gewoon even voelen.

Ze startten aarzelend, als voeten in koud water. De tunnel hield het geluid vast, gaf het warm terug. De stemmen versmolten. Mensen liepen door, een enkeling glimlachte, anderen deden of ze niets hoorden. Een meisje trok haar moeder stil bij de mouw.

Kijk mama, oude dames zingen!

Moeder wilde haar eerst meenemen, maar bleef toen toch stilstaan. Marlies zag hoe haar gezicht ontspande.

Niet iedereen was zo. Een man met boodschappentas stond stil.

Wat is dit nou weer? Dit is geen podium!

We blokkeren niets, zei Kees rustig, hand omhoog blijvend.

Kan me niet schelen, zei de man. Zing thuis maar!

Marlies voelde haar kin trillen. Ze zong door, haar geluid dunner. Ze keek naar de tegels en dacht: Als ik nu stop, begin ik nooit meer. Ze hield zich vast aan de samenzang als aan een leuning.

Na afloop klapte iemand, dan nog een. Niet als op een concert, maar als bedankje aan stilte anders ingevuld.

Zie je? zei Hanneke triomfantelijk.

Zie ik, antwoordde Lianne, maar zonder glimlach.

Een week later wisten ze waar ze konden staan zonder de stroom te hinderen, en waneer het rustigste tijdstip was. In het park probeerden ze het, onder wandelende moeders en gepensioneerden met stokken. Ze probeerden het in de hal van de huisartsenpraktijk, terwijl ze op hun afspraak wachtten. Daar was het moeilijk; de mensen waren gespannen, kuchten, mopperden over wachttijden. Maar op een dag, na een kort lied, zei een vrouw met een mitella:

Bedankt. Even stopte ik met piekeren.

Voor Marlies voelde dat als een overwinning.

Kees noemde het zingen waar je staat. Geen leus, gewoon een uitleg. Ze verzamelden weer bij de halte, in het plantsoentje.

We doen het niet alleen voor onszelf, zei hij ooit na een parkrepetitie. Ze zaten op een bankje, Marlies worstelde met haar waterflesje. Kees schroefde het dopje los voor haar, en het gebaar raakte haar plots diep.

Voor wie dan? vroeg Lianne.

Voor het geheugen van de stad zelf, zei Kees. En voor ons eigen geheugen.

Simpele woorden, maar Marlies voelde hun waarheid. Ze dacht aan haar dode man, aan maanden waarin ze de telefoon niet durfde te gebruiken, omdat haar stem niet nodig was. En nu was die stem wel nodig niet alleen voor haar.

Toen gebeurde het conflict op de plek waar ze het minst verwachtte: in het winkelcentrum, in een klein café bovenin, waar ze via-via voor een uurtje op een doordeweekse dag terecht konden. De eigenaar, een man rond de veertig, zei: Zing maar lekker, mensen vinden het leuk. Ze schoven stoelen, Marlies hing haar jas over een rugleuning, de map lag trouw op haar schoot.

De eerste twee liedjes gingen goed. Mensen filmden, glimlachten. Marlies voelde zich bijna zoals vanouds, in een zaal. Toen kwam plots de beveiliger.

Wie heeft toestemming gegeven?

De eigenaar, zei Kees. Zoals afgesproken.

Regels zijn regels, hij keek de anderen aan alsof ze steun moesten geven. Geen concerten zonder toestemming. Er is geklaagd: te veel herrie.

We zijn heel zacht, zei Hanneke.

Het maakt niet uit, zuchtte de beveiliger. Ik moet zeggen: stoppen.

Marlies zag dat Lianne bleek werd, haar muziek begon op te ruimen.

Zie je wel, zei ze zacht, het is beschamend.

Nee, zei Marlies, zelf verbaasd dat ze Lianne toe sprak. Wij doen niemand kwaad.

We storen. Ik wil niet bekeken worden als iemand die niet begrijpt waar haar plek is.

Kees stond ertussenin, als tussen twee muren.

Laten we het zo doen, zei hij. Nog één liedje en dan gaan we. Geen ruzie.

Nee, schudde de beveiliger. Nu stoppen.

De eigenaar kwam erbij, verward.

Maar ik heb het gezegd begon hij.

Jij krijgt straks een boete, zei de beveiliger. Laat maar.

Droge woede kwam bij Marlies op, gevolgd door vermoeidheid. Moe van het wéér moeten uitleggen dat ze recht hadden om te ademen en te klinken.

Ze pakten hun spullen. De mappen ritselden, de stoelen piepten. Marlies deed haar jas aan, knoopte alles dicht zodat haar handen bezet waren. Bij de deur hoorde ze iemand zeggen: Jammer, het was mooi. Dat jammer voelde toch als een warme deken.

Buiten zei Lianne:

Ik kom niet meer. Sorry.

Hanneke schoot uit.

Tuurlijk. Zodra het lastig wordt, haakt iedereen af.

Hanneke, zei Kees, niet nu.

Marlies zag Lianne weg lopen, klein en krom. Ze wilde haar achterna, maar bleef staan. Iedereen heeft een grens.

Die avond zat Marlies lang aan de keukentafel. De thee verkoelde, het deerde haar niet. In haar hoofd klonk het: Waar is onze plek? Plots wist ze: ze probeerden niet een zaaltje terug te krijgen, maar hun gevoel van veiligheid. Misschien was het niet een plek die je moet vasthouden, maar samen zijn, al vindt de wereld dat misschien ongemakkelijk.

De volgende dag belde Kees.

Marlies, kun je even naar de kinderbieb lopen? Niet waar we laatst eruit werden gezet, maar die aan het plein. De nieuwe leiding kent ons niet. Kun je uitleggen dat we niet storen?

Marlies ging erheen. De kinderbieb was kleurrijk, aan de muren tekeningen, er hing een ouderwetse maar goed gestemde piano. De jonge vrouw luisterde open.

s Avonds is het hier leeg, zei ze. Geen clubs, kinderen zijn naar huis. Eén voorwaarde: niet te hard zingen, en één keer per maand een open uurtje. Voor iedereen. Geen podium, gewoon laagdrempelig.

Dat kunnen we, zei Marlies. Ze voelde haar borst zich uitzetten.

Mijn moeder is net zo oud als jullie. Zegt telkens: nergens welkom. Ze mag mee.

Buiten liep Marlies langzaam niet moe, maar omdat het niet meer hoefde te haasten.

Kees verzamelde het koor in het park om het nieuws te vertellen. Bijna iedereen kwam, behalve Lianne. Hanneke klemde haar lippen, bang te vroeg blij te zijn.

Het is geen wijkzaal, zei Kees. Maar het is iets. En we krijgen een ritme: een open uurtje per maand, verder repetitie.

En als we weer weg moeten? vroeg iemand.

Dan zoeken we weer. Maar nu weten we wat mogelijk is.

Marlies stak haar hand op.

En Lianne?

Ik bel haar. Maar het is beter als jullie dat ook doen.

s Avonds belde Marlies. Lianne zweeg lang, zei toen:

Ik wil niet bekeken worden alsof

Alsof je leeft? vroeg Marlies zacht. Laat ze maar kijken. We zijn geen bedelaars, we zingen.

Haar adem kraakte door de telefoon.

Ik denk erover, zei Lianne.

De eerste repetitie in de kinderbieb deden ze voorzichtig. Het piano was een beetje vals, maar Kees liet het zo; dwingt je tot luisteren, zei hij. Marlies zat bij het raam, haar map op schoot. Ze zag mensen in de gang kijken, kinderen aan hun ouders trekken, een oudere vrouw in hoofddoek twijfelend in de deuropening.

Kom binnen, zei Marlies met haar ogen, en de vrouw ging zitten, op het uiterste puntje van een stoel.

De open middag was op zaterdag, geen grote aankondiging, een briefje op de deur en een berichtje op de wijkapp: Koor 55+ zingt in de bieb, iedereen welkom. Marlies vreesde dat niemand zou komen dat zou het zuurste zijn. Maar zaterdag was het druk op de gang; bekenden, kinderen met ouders, zelfs de bibliothecaris uit de andere vestiging kwam luisteren. De jongen uit de tunnel stond ineens bij de deur.

Geen concert. Kees zei:

We zingen gewoon waar we nu staan. Doe gerust mee als je wilt.

Marlies zag Lianne aan de muur, jas aan, klaar onmiddellijk te vertrekken. Ze liep naar haar toe en trok voorzichtig aan haar mouw.

Doe je jas uit, zei ze. Het is hier warm.

Ik luister liever, zei Lianne.

Luister dan van binnenuit, antwoordde Marlies, en gaf haar de map. Hier staan je partijen.

Lianne keek naar de map als naar een wiebelige brug. Toen trok ze haar jas uit en kwam zitten.

Toen ze zongen, voelde Marlies hoe het zaaltje, hoe klein ook, van hen werd. Niet omdat ze toestemming hadden, maar omdat ze zelf hun ademhaling meebrachten. De mensen luisterden dichterbij dan bij een concert. Sommigen zongen zachtjes mee, anderen sloten de ogen. Eén lied werd rommelig, het piano week af, Kees glimlachte alleen. Marlies besefte plots dat perfect klinken niet nodig was om haar plek te voelen.

Na het slotlied geen bravo, maar een paar mensen die dankjewel zeiden. Een jongetje van een jaar of tien vroeg:

Mag ik erbij?

Hanneke lachte.

Je bent nog te jong, zei ze, niet bits maar aardig. Kom vooral luisteren.

De bibliotheekdirectrice kwam naar Kees toe.

Zo doen we het: woensdag en vrijdag na zessen is de zaal van jullie. En in mei, hebben we pleinfeest. Willen jullie buiten zingen? Niet op het podium, gewoon bij de ingang.

Kees knikte; Marlies zag een aarzeling om zijn lippen. Hij keek weg om wat papieren recht te leggen.

Na afloop bleven ze nog stoelen verschuiven. Marlies controleerde haar mapje, alles compleet, rits dicht. Lianne stond naast haar.

Ik begon ze.

Je bent gekomen, zei Marlies.

Ik ben gekomen, antwoordde Lianne, glimlachte voorzichtig, alsof het nieuw was, en weet je, ik schaam me niet.

Marlies knikte. Ze liep naar buiten in een stad die niet was veranderd: autos, borden, haast. Maar vanbinnen klonk er iets anders niet luid, niet voor iedereen, maar als zeker weten: zolang jij een stem hebt, en mensen die met je ademhalen, zal er altijd ergens plek ontstaan. Ook als je die telkens weer zelf uit de lucht moet zingen.

Rate article