Voorbestemd door het leven
Ze is met hem getrouwd uit medelijden. En tot op de dag van vandaag zegt ze dat ze het weer zo zou doen.
Elke ochtend voordat ze naar haar werk ging, fietste ze even naar het strand, als haar manier van opladen en zwom bijna het hele seizoen door.
Op een vroege lentedag, toen ze uit het nog ijskoude water kwam, zag ze bovenop het duin een man met een fiets staan. Hij keek naar haar en liep toen naar beneden, richting het water.
Goedemorgen, mevrouw. Bent u een ijszwemmer? vroeg hij.
Je zou het zo kunnen noemen, antwoordde ze enigszins geamuseerd.
Stoor ik u? vroeg hij, omdat ze niet direct vriendelijk was.
Nee, hoor.
Hij liep met haar mee naar boven en bracht haar tot aan haar studentenflat. Bleek dat ze praktisch buren waren en ook nog in de buurt werkten.
Vanaf dat moment kwam ze hem steeds vaker tegen. Hij vond haar bijzonder jong, mooi, sportief, slim, met een flinke dosis humor. Over hem kon ze dat niet helemaal zeggen.
Hij raakte haar niet echt, maar ze wees hem niet af. Ze raakte gewend aan de gesprekken; een interessante gesprekspartner kom je zelden tegen.
Op een avond werd er hard op haar deur geklopt de huismeesteres stond daar. Er vraagt een gekke man naar je buiten, zei ze. De man in kwestie was hij, in een t-shirt, slobberige joggingbroek en oubollige pantoffels. Zijn hand was tot een vuist gebald, waaruit een rode stroom bloed liep.
Mijn hemel! Wat heb je gedaan? Kom binnen, ik verbind je even!
Een man, op deze tijd, in het dameshuis? Dat mag niet, dan raak ik mijn baan kwijt! riep de huismeesteres in paniek.
Ik kom eraan hoor, wacht even, zei ze tegen hem.
Vijf minuten later stond ze buiten met een verbanddoos en jodium. Ze verbond zijn hand en kwam erachter dat hij met zijn moeder woonde een vrouw die te veel dronk en wiens vriend hem had aangevallen.
Haar eigen thuissituatie was vroeger zo vervelend geweest met haar vader, dat ze hem begreep.
Kom bij mij koffie drinken? vroeg hij ineens.
En je moeder dan?
Die is met haar kameraad mee.
Uit pure medelijden ging ze met hem mee.
Hij woonde in een piepklein huis bij de rand van de stad, weggestopt achter hoge flats. Je kon het amper een woning noemen oud, verzakt, ieder baksteentje leek los te zitten.
Binnen waren er twee kamertjes. Zijn moeder sliep op een oude kapotte bank in de keuken. Zijn eigen kamer was redelijk netjes, vol met boeken en verder schoon.
Hij zette koffie en ze praatten uren. Het werd veel te laat om nog terug te gaan naar het huis. Hij bood haar zijn bed aan en bleef zelf lezen tot het ochtend werd.
Ze stond bij zonsopgang op en ging snel terug. Maar het gevoel van medelijden voor deze man bleef hangen. Ze wilde iets goeds voor hem doen.
Na haar werk wachtte hij haar op bij de fabriekspoort. Hij stelde voor om in het vervolg samen s ochtends naar het strand te gaan, en dan daarna bij hem koffie te drinken. Ze kon geen nee zeggen.
Vanaf dat moment werden hun ochtenduitjes een gewoonte. Ze kreeg hem zelfs zo ver om een keer mee te zwemmen in het koude water. Voor haar bleef het pure vriendschap, voor hem was het allang veel meer.
Hij durfde er niet over te praten. Want wat had hij haar te bieden, behalve zichzelf? Welke vrouw wilde nou in zo’n huis wonen, waar een dronken moeder regelmatig alles op stelten zette?
Toch, omdat hij wist dat zij ook weet wat een rotthuis is, durfde hij haar uiteindelijk ten huwelijk te vragen.
Hij had nooit verwacht dat ze zou instemmen. Zij kon het zelf amper bevatten. Ze had gewoon medelijden met hem. De jongens die ze eerder had ontmoet waren goed voor elkaar, maar echt ontzettend saai.
Dus besloot ze: beter ongeloefd trouwen met een goed mens die van me houdt, dan eindeloos zoeken naar perfectie.
Het gezin viel haar niet makkelijk. Zijn moeder duldde geen andere vrouw onder haar dak. Er waren constant ruzies en beledigingen. Door alle stress verloor ze haar eerste kind.
Liggend in het ziekenhuis huilde ze. Ze dacht: wat heb ik mijn leven verknald, en dat van iemand anders.
Ze woonde acht jaar samen met haar schoonmoeder, tot die overleed. In die tijd kregen ze twee zonen. De jongens gingen naar de opvang, zij werkte en studeerde deeltijd aan de universiteit.
In haar groep zat een jonge man, die ze hielp met opdrachten. Hun vriendschap werd liefde. Voor het eerst werd ze echt verliefd, maar haar man kon ze niet verlaten.
Ze probeerde het soms, maar zodra ze thuis kwam en zag hoe haar man met de kinderen speelde, kon ze het niet. Op een dag besefte ze: ik moet voor de kinderen leven, en voor mijn man hij heeft nooit één verkeerd woord gezegd. Ze begroef haar liefde diep en bleef.
Toen de oudste zoon zijn studie afrondde en trouwde, ging hij het huis uit. Kort daarna de jongste ook. Het leven ging razendsnel. Haar slimme man kreeg promotie en alles werd rustiger. Ze kregen zelfs nog een woning, net voordat het beleid veranderde.
Op een avond kwam ze laat thuis van haar werk en maakte eten klaar. Het was al laat, maar haar man was er nog niet heel vreemd, want hij was altijd stipt.
Ze liet het eten staan en ging liggen. In de slaapkamer lag een briefje: Sorry, ik heb je pijn gedaan. Ik ben verliefd op een ander. Kan er niks aan doen.
Ze voelde zich ineens leeg van binnen bang om alleen te zijn. Ze realiseerde dat haar leven zonder hem zinloos leek. Ze huilde niet eens, bleef gewoon liggen tot de slaap kwam.
s Ochtends stapte ze zoals altijd op de fiets naar het strand. Maar zwemmen kwam er niet van. Ze wilde niet alleen zwemmen. Ze wilde überhaupt niet verder leven.
Tegen haar kinderen zei ze niets. Ze bleef werken en probeerde zichzelf niet te laten verslonzen.
Na vier maanden stond ze weer vroeg te zwemmen in de zee. Er stond een gure wind. Ze schudde haar hoofd, haar haren plakten nat aan haar gezicht. Toen zag ze op het duin opnieuw een man met een fiets staan haar hart sloeg over. Hij liep naar beneden.
Goedemorgen, mevrouw, bent u een ijszwemmer? vroeg die vertrouwde stem.
Kom, we gaan naar huis. Zeg maar niks, zei ze.






