“Je bent zon vijf à zes weken zwanger,” zei de huisarts, legde haar instrument in het bakje en trok haar latex handschoenen uit.
“Ga je het kindje houden?”
Janneke zei niks.
Tweeënveertig inmiddels, vierde kind, en het was op dit moment totaal niet gepland. Er was altijd te weinig geld. Ze rekenden elke maand centen tot aan het nieuwe salaris.
De oudsten zaten nog op school, de jongste moest er zelfs nog heen straks. En dan heb je weer een jurkje nodig, een blousje, een nieuwe boekentas, om nog maar te zwijgen van schriften en leesboekjes… En nu dit er bovenop!
“Ik overleg wel met Pieter,” besloot ze. “Eerst horen wat hij zegt.”
“Ik ben bij de dokter geweest,” vertelde Janneke die avond dan tijdens het eten.
“Ja, ik ben zwanger. Zes weken nu.”
Pieter stopte met kauwen en legde zijn vork neer.
“Tsja, wat zullen we doen Laat maar komen dan. Mooi toch? Twee jongens en twee meiden. Helemaal compleet.”
“Compleet, ja! Maar waar moeten we dan van leven?”
Ze vertelde over de jongens, over de kleine Maartje met haar eindeloze wensenlijst, en werd alleen maar zekerder van haar twijfels. Op jouw leeftijd, met de huidige situatie, is een baby toch gekkenwerk?
“Ik ga onderzoeken laten doen voor een abortus,” zei ze.
Toen alles rond was, voelde Janneke zich verschrikkelijk moedeloos.
Het leek zo zielig voor dat kleine mensje in haar buik. Waarschijnlijk weer een meisje Blond, lief, een boefje vast.
Op weg naar de polikliniek stond ze opgepropt in een overvolle tram. Ze werd haast de halte uitgeslingerd. Op dat moment viel er een riempje van haar schouder, ze snapte eerst niet eens wat er aan de hand was. Plots hoorde ze zichzelf gillen: haar handtas!
Blijkbaar hadden zakkenrollers de riem van haar tas doorgesneden en de hele boel gestolen. Inclusief al haar geld en de uitslagen van al haar onderzoeken.
Janneke kon niet anders dan terug naar huis. Sommige analyses moest ze opnieuw doen, andere kon ze gelukkig reconstrueren.
De tweede keer struikelde Janneke bij het uitstappen uit de bus en blesseerde haar enkel.
“Derde keer scheepsrecht of val ik direct dood,” dacht ze bijgelovig. Toen besloot ze: het kindje mag komen. En het bracht haar rust.
De zwangerschap verliep eigenlijk prima, en het werd inderdaad een meisje, dat wist Janneke inmiddels. Maar tijdens de tweede echo sloeg het noodlot toe. De arts vermoedde het syndroom van Down.
“Je moet een vruchtwaterpunctie laten doen,” zei de arts terwijl ze een formulier invulde.
“Maar ik waarschuw alvast: het brengt risicos met zich mee. Kans op een miskraam, of op een infectie.”
Janneke dacht even na en stemde in.
Op de afgesproken dag gingen ze samen naar het ziekenhuis, Pieter bleef op de gang. Janneke haar benen voelden als pudding toen ze de kamer binnenliep. De arts luisterde naar het hartje, maar dat klopte als een razende.
“We wachten even,” zei de arts. “We spuiten magnesium in.”
Na de injectie stuurden ze Janneke de gang op om bij te komen.
Na een poosje werd ze weer gehaald. Het hartje was rustiger, maar nu lag het kindje met de rug naar hen toe. Zo konden ze niets doen.
“Hopelijk draait ze zich nog om,” zei de arts.
De derde keer lag het goed: het gezichtje naar boven, hartslag gewoon. Ze maakten haar buik schoon.
Buiten was het warm; het raam stond wagenwijd open voor wat frisse lucht. De verpleegster pakte net haar instrumenten, toen er plots een duif naar binnen vloog. In paniek vloog de vogel door de kamer, botste overal tegenaan. De schrikreactie liet de verpleegster het hele bakje op de vloer laten vallen; alles lag verspreid.
Janneke werd weer de gang op gestuurd, tot het medisch team de duif verjaagd en alles opnieuw gesteriliseerd had.
“Pieter, wat gebeurt daar allemaal?” vroeg hij ongerust.
“Een duif vloog naar binnen, alles lag overhoop.”
“Janneke, dat is geen toeval. We gaan naar huis.”
En dus vertrokken ze.
Op tijd, negen maanden later, kwam er een meisje ter wereld.
Ze is nu tien: blond, lief en vol streken.
Vijf à zes weken zwanger, zei de arts terwijl ze het instrument in het bakje legde en haar latex handschoenen uittrok…⚘






