Valerie trok haar portemonnee open, telde de paar gekreukelde eurobiljetten die erin zaten en zuchtte diep. Haar geld begon gevaarlijk op te raken, en een fatsoenlijke baan vinden in Amsterdam bleek veel lastiger dan ze ooit had gedacht. Met bezorgde blik liep ze haar boodschappenlijstje na in haar hoofd, hopend haar bonzend hart te kalmeren. In de vriezer lag een pak kippenvleugels en enkele diepvriesburgers. De voorraadkast was gevuld met wat rijst, pasta en een doosje theezakjes. Voor nu kon ze zich redden met slechts een pak melk en een brood van de buurtwinkel.
Mama, waar ga je heen? Kleine Eline stormde haar kamer uit, haar grote grijsgroene ogen op zoek naar Valeries gezicht vol zorg.
Maak je geen zorgen, lieverd, zei Valerie, terwijl ze haar zenuwen verborg achter een glimlach. Mama gaat alleen even een baan zoeken. Maar raad eens? Tante Anouk komt straks langs, met haar zoontje Joris, om bij je te spelen.
Komt Joris echt? riep Eline, haar ogen glinsterden en ze klapte enthousiast in haar handen. Brengen ze Pluis mee?
Pluis was de rood-witte kater van Anouk, een pluizige bol van liefde die Eline adoreerde. Anouk, hun buurvrouw, had aangeboden om op Eline te passen zolang Valerie naar haar sollicitatiegesprek in het centrum moest, bij een distributiebedrijf voor voedingsmiddelen. Naar de kantoren in Amsterdam betekende een lange reis meer tijd in tram en bus dan het eigenlijke gesprek zou duren.
Het was ruim twee maanden geleden sinds Valerie en Eline hun intrek namen in de hoofdstad. Valerie gaf zichzelf de schuld van die impulsieve verhuizing: haar leven en haar dochtertje losrukken, het merendeel van haar spaarcenten spenderen aan huur en eten, alles ingezet op snel een baan vinden. Maar de arbeidsmarkt in Amsterdam was genadeloos. Ondanks haar dubbele diplomas en haar vasthoudende karakter, leek een vaste baan onbereikbaar. In het kleine stadje Gouda, waar haar moeder Marja en jongere zusje Lotte op haar rekenden, was zij altijd het anker van de familie geweest. Zonder haar waren ze maar wat hulpeloos.
Pluis blijft thuis schatje, zei Valerie zacht. Hij houdt niet van lange autoritten. Maar we gaan binnenkort bij tante Anouk op bezoek dan mag je hem weer lekker knuffelen.
Ik wil ook een kat! Eline trok een sip gezicht en sloeg haar armen over elkaar.
Valerie lachte zachtjes. Eline reageerde altijd zo als het over huisdieren ging. Vroeger, bij oma Marja in Gouda, lieten ze hun zwarte kat Zwartje en de kleine keffende hondje Boef achter. Eline speelde altijd met hen als ze op bezoek waren en mistte hen nu enorm.
Lieve schat, we huren dit appartement, legde Valerie uit. En de verhuurder wil helaas geen dieren.
Niet eens een goudvis? vroeg Eline, haar wenkbrauwen opgetrokken van verbazing.
Nee, zelfs geen goudvis.
Huisdieren stonden momenteel laag op Valerie’s prioriteitenlijst. Haar gedachten waren alleen nog maar bij één ding: werk vinden. Haar spaargeld slonk met de dag, en elke ochtend leek haar zorgen groter. Gelukkig had ze de huur voor zes maanden vooruit betaald, maar dat had haar bijna al haar geld gekost.
Op dat moment werd er aangebeld, en Valerie werd uit haar gedachten getrokken. Anouk stond voor de deur, haar zoontje Joris aan haar hand. Zoals altijd had Anouk een trommel verse appeltaart meegenomen, samen met een paar van haar moeders befaamde boterkoekjes. Net als Valerie was Anouk alleenstaande moeder, maar zij woonde nog bij haar ouders in een knus appartement om de hoek. Sparen voor een eigen plekje in Amsterdam voelde als het winnen van de Staatsloterij.
Het leven in een nieuwe stad is nooit eenvoudig, dacht Valerie. Moeilijke keuzes, gemis en onzekerheid horen erbij maar de kleine momenten van vriendelijkheid en hulp uit onverwachte hoek maken alles lichter. Soms, als het leven ons uitdaagt, vinden we kracht in elkaar. Dat is de echte rijkdom.






