Het was alweer heel wat jaren geleden, toen Willemien haastig de deur uitging om op tijd op haar werk in Amsterdam te zijn. Ze was pas de hoek om toen ze zich realiseerde dat haar mobiele telefoon nog op de eettafel thuis lag. Ze mopperde zacht, draaide zich om en liep weer terug naar haar flat in de Watergraafsmeer.
Toen Willemien zich in de oude, ietwat krakende lift hees, dacht ze nergens aan. Maar op de achtste verdieping kwamen de krappe metalen deuren ineens met een schok tot stilstand. De lift zat muurvast. Willemien tikte gespannen op de knoppen, maar er gebeurde niets. Dus bleef ze zitten, hopend dat de technische dienst spoedig zou komen. Plots hoorde ze stemmen op de gang, net buiten de lift.
Tot haar verbazing hoorde ze haar man, Gerrit, praten met een vrouw haar zachte stem herkende ze als die van buurvrouw Jannigje uit appartement 40.
Lieve Jannigje, fluisterde Gerrit opvallend teder, ik verlang ernaar om weer bij je te zijn.
Dat hoeft niet lang te duren, Gerritje, zei Jannigje. Ik verwacht je straks na tienen. Mijn man heeft weer nachtdienst deze hele week. Hij vertrekt half tien en komt pas ochtend terug. We moeten dus snel zijn.
Gerrit zuchtte. Waarom doet die stomme lift er zo lang over? Ik word er zenuwachtig van.
De twee bleven nog een paar minuten wachten bij de liftdeuren voordat ze doorhadden dat het apparaat defect was. Toen liepen ze gehaast naar beneden via het trappenhuis. Willemien hoorde nog net hoe Gerrit Jannigje prees om hun geheime momenten samen.
In het begin twijfelde Willemien misschien waren haar gedachten te achterdochtig. Maar toen Jannigje Gerrit bij zijn naam noemde en toen haar eigen naam viel in hun gesprek, wist Willemien het zeker. Haar man bedroog haar openlijk met de buurvrouw, gewoon een paar deuren verder! Ze voelde zich vernederd.
Kijk, zo zit de vork dus in de steel… dacht ze wrang. Ademt zogenaamd frisse lucht voor zn gezondheid, maar ondertussen glipt-ie naar haar toe. Daar zal ik eens een stokje voor steken deze wandeling vergeet hij zn leven niet!
Niet veel later kwamen de monteurs en zetten de lift weer aan de praat. Willemien stapte uit met een plan in haar hoofd.
Diezelfde avond tegen tienen, toen de regen tegen de ramen sloeg, deed Gerrit zoals altijd zijn jas aan.
Willemien, ik maak een ommetje, ik ben over een uur terug.
In deze regen? zei zij met gespeelde bezorgdheid. Waarom blijf je niet gewoon even op het balkon een frisse neus halen?
Het balkon is te klein. Ik moet echt wandelen, het is goed voor het hart, weet je nog? Ik neem mijn paraplu wel mee.
Willemien haalde haar schouders op. Het is jouw keus, maar vandaag is misschien niet jouw geluksdag, Gerrit.
Kletskoek, zei hij. Tot straks. En hij verdween.
Maar Gerrit stond al binnen een half uur weer op de stoep. Hij rilde, gekleed in alleen zijn overhemd en een versleten broek.
Waar is je jas en paraplu gebleven? vroeg Willemien, terwijl ze de deur op een kiertje hield.
Er kwamen wat jongens naar me toe buiten en ze hebben me beroofd. Zelfs mijn schoenen zijn weg, rilde Gerrit.
Jouw spullen heb ik al voor je klaargezet bij het vuilnishok, zei Willemien kalm. En doe de groeten aan Jannigje van de achtste.
Ze gooide de deur dicht en zette de televisie aan, opgelucht dat hun kinderen al volwassen waren en het huis uit. Ze hoefden deze schande gelukkig niet te zien.
Gerrit holde naar het vuilnis. Daar vond hij een koffer met zijn kleren. Vlug kleedde hij zich aan, maar besefte dat zijn telefoon bij Jannigje bleef liggen. Tja, zonder telefoon kun je geen taxi bellen.
Besluiteloos ging Gerrit terug. Hij strompelde de flat weer binnen, probeerde hoopvol bij Willemien aan te kloppen, maar die deed de deur niet open. Hij stapte in de lift en tot zijn pech viel de stroom nu helemaal uit! Opnieuw zat hij muurvast, nota bene op de achtste verdieping.
Pas tegen de ochtend was de stroom hersteld. Gerrit kon eruit, maar Willemien was al vertrokken. Sleutels van het huis had hij niet. In het trappenhuis, op de achtste, stond Jannigje met ook een kleine koffer en keek hem verschrikt aan.
Heb jij mijn telefoon? vroeg Gerrit schor.
Ja en jouw spullen ook fluisterde ze.
Samen gingen ze met de lift naar beneden, maar eenmaal buiten nam ieder een andere taxi de een naar een moeder, de ander naar een onbekende bestemming.
Het leven in de Amsterdamse portiekflats kende zo zijn eigen verhalen, die we nu slechts met een glimlach en een scheut weemoed kunnen navertellen.






