Toen mijn geliefde bij mij introk samen met zijn dochter, heb ik haar meteen als mijn eigen kind behandeld.

Er was een appartement met drie kamers, ergens aan de rand van Amsterdam, dat al generaties in de familie van mijn moeders kant zweefde zon zeventig jaar lang. Alsof het appartement zelf een oude geest was, met muren die fluisteren van vergeten feestjes en verloren ruzies. Ik, Anna van Dijk, 36 jaar oud, woonde er met mijn zoon Lars, vijftien jaar en soms zo stil dat ik dacht dat hij alleen in dromen bestond.

Kort geleden trok mijn vriend Martijn Verbeek, 39 jaar en altijd wat vaag alsof hij elk moment zou veranderen in een wolk, bij ons in. Eerst waren we met zn drieën, een gezelschap dat soms leek op acteurs in een toneelstuk waar de tekst nooit af is. Maar Martijn vertelde ineens dat zijn dochter, een 13-jarige meisje met energie als een zomerstorm haar naam was Fenna, een naam die alleen in de Nederlandse nacht klinkt geen plek had om te slapen bij haar moeder.

Dus Fenna kwam, zweefde het huis binnen alsof ze de regie had. Ik schikte een kamer voor haar: alles van mij weg, zodat ze haar eigen verdriet kon verstoppen onder het bed. Maar vanaf de eerste avond stroomde haar temperament uit alle hoeken. Ze vond het onacceptabel dat de kledingkast van Lars groter was dan haar kast als ware er een onzichtbare wedstrijd wie de meeste ruimte in het huis mocht dromen. Fenna eiste een ander vertrek en speelde met Lars alsof hij een pion was, fluisterend: Praat je tegen me? Geef me je kamer en dan denk ik misschien na over een antwoord, terwijl haar stem uit het plafond leek te komen.

Martijn stond altijd aan haar kant, zijn ogen vol met herinneringen aan de kindertijd. Ze heeft karakter, ik was hetzelfde, zei hij, en deed alsof het allemaal zou verdwijnen, zoals mist over het IJ bij zonsopgang. Hiermee hield het niet op; Fenna was een echte fijnproever, een Nederlandse meesteres van smaken. Ik eet dit niet, maak iets anders voor mij, zei ze zonder schaamte, en de pannen rinkelden als oude Amsterdamse tramgeluiden.

Een week geleden werd het toppunt bereikt een geur uit haar kamer zo sterk en vreemd dat het leek alsof de Jordaan werd overspoeld door een droom vol rotte tulpen. Ik vroeg haar om haar kamer op te ruimen, maar Fenna sloot de deur: het was haar persoonlijke domein, waar Anna van Dijk niets te zoeken had.

Toen realiseerde ik me: ik was een schaduw in mijn eigen huis, slechts een figurant in de droom van anderen. De woede steeg in me op als een storm boven de Noordzee. Ik zei: Als je zo blijft, kun je je spullen pakken en terugkeren naar je moeder. Ik tolereer dit niet in mijn huis. Martijn verdedigde haar meteen, alsof hij een windmolentje was dat steeds zijn dochter uit de storm probeerde te houden.

Ik vertelde hem alles, elk woord als een regendruppel op de grachten. Nu weet ik niet hoe het verder moet met ons, misschien heb ik alles vernietigd. Maar weet je, als Martijn mij nooit respecteert en alleen maar aan Fenna denkt, mag hij voor altijd wegdromen uit mijn appartement samen met zijn dochter. De euro die ik in mijn hand hield om aardbeien op de markt te kopen, bleek een verdwijnende munt, een bewijs dat in deze droom alles kan veranderen.

Rate article