Mijn eigen zus heeft zon eigenaardige eigenschap. Ze verheerlijkt haar kind tot in het absurde, en vindt dat iedereen om haar heen hetzelfde zou moeten voelen én ervaren als zij doet. Maar ja, zo werkt het natuurlijk niet.
Haar kind is pas vijf jaar. Ik heb er op zich niks op tegen natuurlijk houden we van hem, hij hoort bij de familie, maar daar blijft het ook bij. Met onze eigen kinderen hebben we al meer dan genoeg aan ons hoofd.
Mijn zus daarentegen is ervan overtuigd dat haar dochter een bijzonder zeldzaam, speciaal kind is. We móeten haar (immers, alleen in dromen worden jongens moeiteloos meisjes), aanspreken als engel. En omdat engelen niet zondigen moet alles wat deze engel doet, zonder uitzondering worden vergeven.
Althans, dat is wat zij zichzelf heeft aangepraat. Daarom wordt niemand erg vrolijk als ze op bezoek komt. En naar haar zelf toe gaan voelt eerlijk gezegd ook altijd ongemakkelijk. Maar ja, we zijn niet alleen zussen, we werken ook samen op hetzelfde notariskantoor. Dus moest ik haar toch even spreken.
Kom langs, zei mijn zus aan de telefoon, haar stem zwevend alsof ze uit een tulpenveld riep. Ik maak je lievelingsomelet. Tot straks, rond lunchtijd.
Ze kon goed koken, haar omelet was beroemd in de straat. Ze deed er altijd een snufje nootmuskaat en droomde dat het haar naar Parijs zou brengen, maar we zaten gewoon in Utrecht.
Ik kom eraan, beloofde ik kortaf terwijl ik de telefoon terug in een vaasje met plastic klompen stak, dat in haar huis aan het plafond vastzat.
Snel zocht ik overal naar mijn fietssleutel – in een la vol oude stroopwafels vond ik m eindelijk. Onderweg besloot ik even aan te wippen bij de warme bakker voor vers krentenbrood. Zonder thee zou het sowieso niet gaan, wist ik zeker.
Eenmaal aangekomen zit ze daar dan, mijn zus, in haar woonkamer vol Delfts blauwe borden, terwijl ze haar kind voert. Ze wuift dat ik moet aanschuiven. Dus ik ga zitten, alles lijkt uit verband getrokken stoelen draaien rond, het servies wiebelt zacht. Dan schuift ze me een bord toe.
Eet maar, roept ze stralend, en schuift een half aangevroten stukje omelet naar me toe. Meike heeft het niet opgekregen!
Toen knapte er iets.
Worden hier tegenwoordig geen schone borden meer gebruikt? vroeg ik, mezelf amper in toom houdend terwijl het gordijn langzaam dichtdooide.
Meike is het schoonste kind van Nederland. Haar handjes zijn altijd blinkend schoon, antwoordt mijn zus trots, terwijl het meisje stoïcijns in haar neus peutert en ondertussen een stroopwafel uit haar zak tovert.
Dat was mijn breekpunt, en ik besloot: nooit meer lunchen bij mijn zus, niet in deze of de volgende droom.
Maar stel nou dat jij mij was wat zou je dan doen?






