Weet je, laatst had ik weer zon moment met mijn schoonmoeder, Joke van Dijk. Je kent haar wel, stevige vrouw, altijd in voor goedbedoeld commentaar en bemoeienis. Ik kwam de keuken binnenlopen, gewoon in mn oude joggingbroek, want Maartje, mijn dochtertje, lag eindelijk te slapen, en ik dacht: even rust. Maar nee hoor. In de keuken stond Joke precies in het midden, een potje met viooltjes stevig vastgeklemd in haar handen. Dat viooltje had ik afgelopen april op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam gekocht, weet je nog? Hele tijd tussen drie planten staan twijfelen, tot ik deze uitkoos omdat het blad zo mooi strak was. Viooltje stond sindsdien keurig op het keukenraam, kreeg elke zondag water. Maar nu dus Joke, die het potje vastpakte alsof het een radioactief gevaar was.
Joke, wat ben je aan het doen? vroeg ik terwijl ik naar de keuken liep.
Even opruimen hoor, zei ze, zonder mijn kant op te kijken. Je hebt die plant wéér verkeerd neergezet, Anneke. Daar sta je hem precies voor het licht.
Ik heb het daar neergezet met een reden, probeerde ik. Het is juist het beste plekje voor m, bij het raam.
Tss. Oostkant, hè. Viooltjes kunnen echt niet tegen die felle ochtendzon. Kijk maar, even opzij bij de koelkast, daar is een plankje vrij.
Voordat ze het potje kon verplaatsen, pakte ik het gewoon rustig van haar over en zette het terug op de vensterbank. Joke, alsjeblieft wil je mn spullen gewoon laten staan?
Ze keek me aan, niet boos, meer verbaasd, net alsof ik de verkeersregels zn logica net verdraaid had. Maar kind, ik wil je gewoon helpen.
Dat snap ik, maar dit is mijn keuken. Laat het gewoon zoals het staat, oké?
Jà, jouw keuken. Haar wenkbrauwen vlogen omhoog. Ze draaide zich om en boende fanatiek de kraan schoon. In haar mosterdgele vest, brede rug, stond ze lekker door te poetsen. Ik dacht alleen waarom kom je nou op woensdag zónder een appje, zomaar binnenvallen met je eigen sleutel? Je staat al half tussen mijn spullen en begint meteen te vertellen hoe het moet.
Maar ik zei niks.
Uiteindelijk vroeg ze: Wanneer wordt Maartje wakker, denk je?
Over een uurtje ofzo.
Dan ruim ik hier nog even wat op. Jij kan daarna lekker een boek pakken.
Ik hield me in. Joke, er is eigenlijk niks op te ruimen.
Dat zie ik alleen wat vlekken op de kraan, verder niks.
Ik schonk mezelf een glas water in, bleef even voor het raam naar mn viooltje staren. Eén knopje zat al bijna open; helemaal paars, met een randje wit. Maartje riep daar elke dag tegen: bloempje!. En dan zeg ik iets te pedagogisch: Ja schat, bloem. Daar moest ze dan zo om lachen.
Ik besloot mn water op te drinken en naar de woonkamer terug te gaan. Deur niet dicht, want ik had geen zin om bewust moeilijk te doen. Ik hoopte alleen dat Joke vanzelf de hint snapte, namelijk: verkeerde timing, hier wonen andere mensen met hun eigen routine. Maar hint nummer zoveel gleed waarschijnlijk weer van haar af.
Twintig minuten later rook ik ineens iets bekends. Precies, kippensoep. Sta ik in de keuken, staat Joke bij mijn pan haar eigen meegenomen kip erin, mie erbij.
Wat maak je? vroeg ik.
Soepje. Pieter (dat is mn man) komt straks hongerig uit zn werk en je koelkast was echt leeg.
Ik had nog linzen en slavinken van gisteren
Die slavinken lagen er nog van gisteren. Die heb ik weggegooid. Dat is niet meer goed hoor.
Ik stond met mn mond vol tanden.
Je hebt gewoon mijn eten weggegooid?
Meid, je wilt toch niet ziek worden! Daar krijg je zó een buikloop van. Soep is toch lekkerder!
Natuurlijk rook die soep goed dat was juist het probleem. Alles gekookt in mijn pan, maar op haar manier, met haar eigen spullen, zodat ik nu ineens met haar soep zat opgescheept.
Dankjewel, Joke. Maar wil je alsjeblieft mn eten gewoon laten staan voortaan?
Joke roerde in de pan, zei niks.
Ik ging zitten en keek hoe ze alles opborg, spoelbak schoonmaakte, lepels afwaste allemaal met het gebaar van iemand die rondloopt in haar tweede huis. Ze opende alle kastjes en wist precies wat waar lag. Knettergek werd ik ervan.
Joke, vroeg ik uiteindelijk, hoe vaak kom je hier eigenlijk zomaar binnen?
Ach, gewoon. Af en toe, als het even uitkomt.
Als het uitkomt wat bedoel je daarmee?
Ze keek me aan, open en een beetje gekrenkt. Kind, ik ben toch geen vreemde? Pieter is mijn zoon!
Ja, het is zijn huis. Maar ook het mijne.
En ik mag daar niet zomaar binnenkomen?
Jawel, maar dan graag wel even appen en even afstemmen.
Lange stilte. Zag haar blik, mengeling van verbijstering en gekwetstheid. Het zat er dik in dat dat binnen een paar uur een whatsappje naar Pieter werd, over hoe lastig ik deed.
Ze liet de soep achter op het fornuis. Vertrok ruim voor Maartje wakker werd, gaf haar nog een kus door de dichte slaapkamerdeur. Nam haar sleutel mee.
s Avonds kwam Pieter thuis, ik wist precies wat hij zou zeggen toen hij de soep rook: Aha, mam is geweest? Ja, lekker ruiken doet het. Ze probeert gewoon te helpen, Anneke
En ik: Dat snap ik, maar kun jij tegen haar zeggen dat ze níet zomaar binnenkomt en mn eten laat staan?
Ik zal met haar praten.
Dat zeg je elke keer.
Dan zeg ik het gewoon nóg een keer.
Later, aan tafel, lepelde hij haar soep op en knikte: Ze kan dus wel goed koken, hè?
Ik zweeg.
Drie dagen later vrijdag, precies rond tweeën, Maartje was net wakker hoorde ik weer haar sleutel in het slot.
Wakker onze kleine schat? klonk haar stem als een echo door de gang. Maartje meteen stil. Altijd zo. Blij als oma er is daar was ik nog steeds niet over uit of ik dat leuk moest vinden.
In de keuken schonk ik thee. Maartje zat bij oma op schoot, at brood dat ze had meegenomen. Natuurlijk, eigen boter en alles erbij uit haar tas.
Heb je taart meegenomen? vroeg ik argwanend.
Gewoon van de bakker, lekkere biscuit met vanillecrème! Ze houdt zo van zoet.
Ze krijgt geen taart, Joke. Nog niet.
Ach joh. Eén stukje kan toch geen kwaad? Vanille, geen chocola.
Ze had laatst uitslag van zoetigheid, ik wil het nu even niet.
Je maakt je veel te druk, Anneke. Mijn jongens aten vroeger alles en ze leven nog.
Maar Maartje reageert er anders op. Dit is mijn kind, Joke, dus even geen taart.
Pauze. Maartje graaide natuurlijk al naar de verpakking, maar Joke schoof het onder de tafel.
Even later zat Maartje met een houten lepel en pan op de grond te kokkerellen. Natuurlijk een lepel die Joke zonder te vragen uit mijn la had gepakt. Nog schoon, dus ik liet het.
Hoe gaat het met Pieter op kantoor? vroeg Joke.
Goed, maar moe.
Tja, dat ken ik nog van vroeger, hij gaat altijd tot het uiterste.
Ja, hij zal vakantiedagen opnemen. Maar we hebben nog geen plannen.
Nou, anders neem ik Maartje toch lekker een weekje mee naar mijn chaletje in de Veluwe! Lekker de hei op!
Misschien, ik ga erover nadenken.
Nadenken? Joh, zeg gewoon juli!
Ik denk er nog even over na, Joke.
Onze blikken ontmoetten elkaar. Even niks.
Uiteindelijk, toen ik net mn telefoon pakte, hoorde ik achter me geritsel. Maartje zat met haar vuistje midden in een stuk biscuit. Joke stond erbij met zon je ziet wel dat het kan-blik.
Joke
Eén hapje maar, ze wilde zo graag!
Ze wil alles wat je haar aanbiedt, dat is nou eenmaal zo. Alsjeblieft, geen taart meer.
Joke stond op, pakte haar tas. Dan ga ik wel Je bent boos, hè?
Nee, ik wil alleen mijn eigen regels in mijn huis, meer niet.
Jouw regels, dat snap ik wel bromde ze, en weg was ze.
Maartje zwaaide haar na. Doei oma! Joke riep zachtjes: Dag lieverd! De deur viel dicht.
s Avonds weer hetzelfde liedje met Pieter. Ze bedoelt het goed, Anneke, ze meent het
Ik weet dat ze haar kleindochter liefheeft, maar realiseer je je dat ik hier gewoon moet vechten voor mijn eigen keuzes?
Hij keek naar zijn telefoon, legde hem weg.
Ze heeft ons wel geholpen met het aanbetalen van dit huis.
Dat weet ik nog, Piet. Maar dat betekent niet dat ze alles kan bepalen.
Misschien moeten we iets toegeven Ze bedoelt het niet verkeerd.
Bedoel je, gewoon alles maar laten gebeuren omdat ze geld heeft gegeven?
Hij had daar geen antwoord op.
Zo werkt het niet, Pieter. Hulp is geen toegangskaartje naar mijn huis.
Hij zuchtte. Ik zal het nog eens met haar bespreken, oké?
Je zegt dat elke keer, schat.
Dit keer écht.
Laatste hoop was dat-ie het gewoon eens echt zou zien.
Slaap lekker.
Ik keek even naar Maartje, die diep lag te slapen, armpjes gespreid. Ik draaide haar zachtjes op haar rug.
De weken erop bleef Joke op afstand, maar op zaterdagochtend belde ze: of ze zondag langs mocht komen.
Zondag kan niet, Joke. We hebben plannen.
Pieter zei dat jullie thuis waren?
We zijn thuis, maar we hebben eigen plannen. Je kan het eventueel via Pieter meegeven, de knuffel die je voor Maartje hebt gekocht.
Korte stilte.
Oké dan. Is goed.
s Avonds was het weer zover.
Mam is teleurgesteld, Ann.
Ik laat haar niet buitenstaan, ik wil alleen dat ze zich aankondigt.
Voor haar is dat hetzelfde als niet welkom zijn.
Ik was was aan het opvouwen. Piet, ben je nu op haar hand of op die van mij?
Ik wil niet kiezen. Het moet gewoon werken tussen jullie.
Het gaat niet over met elkaar door één deur. Het gaat erom wie bepaalt in huis.
Wij samen, dat weet je toch?
Zeg dit dan ook tegen haar. Echt, niet vluchtig. Ook over die huissleutel.
De sleutel?
Ja, ze moet nu echt de sleutel inleveren.
Hij keek me aan. Dat valt haar zwaar, Ann.
En mij valt het niet zwaar dat ze zonder aankondiging verschijnt?
Hij zweeg.
Omdat zij moeder is?
En ik ben Maartjes moeder én jouw vrouw. Ik wil niet dat ze nooit meer mag komen; ik wil fatsoenlijke regels. Dat is alles.
Hij verdween naar de keuken.
Waarna ik Maartjes truitje uit de was pakte, eentje met eendjes die bijna losliet.
Twee weken later liet Joke via Pieter weten dat ze zaterdag graag kwam netjes gevraagd. Pieter zei ja, had wederom mij niet ingelicht. En daar stond ze met tassen vol boodschappen uit de Albert Heijn: aardappels, uien, een potje met haar zelfgemaakte zuur, een stuk varkensrollade en een zak tarwebloem.
Ze wilde appelflappen maken. Pieter is daar gek op, zei ze al knedend.
Lieve hemel.
Ik liep naar Pieter: Jij had mij wel kunnen betrekken, hè? Dit is niet jouw huis alleen.
Hij: Jij zou nee zeggen, daarom vroeg ik niet.
Toen wist ik het helemaal.
Pieter, zeg altijd voortaan: vraag het eerst! Nu écht.
Joke bakte haar appelflappen. Ze waren lekker, dat geef ik toe. Maartje at het nog op ook, Joke straalde terwijl ik aan de keukentafel zweeg over slavinken, over de koek, over dat viooltje.
En bij het weggaan wees ze naar de hal: Hier zou een mooi schoenenplankje kunnen.
Ik: We zien wel. Horen het vanzelf.
Ze keek, trok haar jas aan en vertrok.
En weken later het was intussen fris april weer zon toevallig bezoek. Ik zat nét met een boek Maartje sliep hoor ik haar sleutel.
Hey, ik ben er, ben zo weer weg hoor! Nieuwe gordijnen, even ophangen.
Stop, zei ik. Ik wil helemaal geen nieuwe gordijnen. Ik ben juist blij met deze.
Maar deze heb ik op de markt in Haarlem gescoord, met korting, ze zijn veel chiquer dan deze ouwe.
Joke, ik heb je gevraagd te bellen voor je komt. Dit kan echt niet meer.
Ze bleef even staan, gordijnen nog in handen.
Jij bent de baas, Anneke, zei ze langzaam, maar het voelde meer als een uitbrander dan een bevestiging.
Zonder koffie of thee verdween ze. Eerste keer dat ze niks deed of achterliet.
s Avonds weer datzelfde gesprek met Pieter zij zegt dat ik hard ben, ik zeg dat grenzen gewoon nodig zijn. Steun mij, niet haar. Ik ben je vrouw.
Pieter pakte mn hand. Ik praat weer met haar.
Je hebt dat al vijf keer gezegd
En zo ging het maar door.
Einde april werd Pieter dertig ik bakte zelf een honingtaart uit grootmoeders kookboek, zette de tafel vol huzarensalade, ovenschotel met zalm, van alles.
Joke kwam als eerste, netjes gebeld dit keer. Liep meteen weer commentaar leverend langs het feestmaal. Pieter houdt meer van zalm dan van forel. En hij heeft liever tompoucen dan honingtaart, dat weet je toch?
Ze draaide een vorkje verschuivend over tafel, maar ik bleef rustig.
Tijdens het dessert zei ze zonder echt boos te zijn, maar hard genoeg dat iedereen het hoorde: Pieter houdt eigenlijk helemaal niet van honingtaart. Hij is meer van de tompoucen. Maar goed, wat je maakt is altijd lekker, Anneke.
Het duurde twee seconden, toen weer gezellig geroezemoes.
Alleen, ik hoorde het.
Later, tijdens het opruimen, wilde ze de restjes huzarensalade in haar bakje stoppen om mee te nemen. Dit bederft morgen, zei ze.
Laat gewoon staan, Joke, ik eet dat morgen wel op.
Ze legde het bakje op het aanrecht. Korte pauze.
Anneke, ik ben je vijand niet.
Weet ik. Maar je bent te veel aanwezig, Joke. Pieter en ik hebben onze eigen beslissingen te nemen. Jij hebt jouw huis, wij het onze. Wij trekken onze grenzen voortaan zelf.
Ze keek me aan, even stil, pakte haar jas en vertrok.
s Avonds: Pieter en ik aan tafel. Wil je dat ik haar om de sleutel vraag? vroeg hij.
Ja, zei ik. En we kopen dan je haar deel uit, met een extra lening bij de Rabobank. Klaar.
Pieter dacht daar een paar dagen over na, telde alles door. Hij zag het ook: het was het waard geen discussies meer over wat van wie was.
Na een week kwam ze, netjes op afspraak, in de middag. Een klein cadeautje voor Maartje een prentenboek. We dronken thee, bespraken de tuinplannen. Na afloop haalde ze de huisleutel uit haar tas, legde m op tafel.
Zoals afgesproken dan.
Pieter zei: Dankjewel mam.
Ze knikte, dronk haar kopje leeg, stond op.
Roep me gerust als je me nodig hebt, bellen vind ik prima. Dat jullie hier jullie eigen leven hebben, begrijp ik. En ik houd van Maartje en Pieter, daar verandert niets aan.
Dankjewel, Joke.
Ze zwaaide nog naar Maartje uit het raam, Pieter sloot de voordeur.
Ben je oké zo? vroeg hij.
Ik heb er geen spijt van.
Ik ook niet.
We keken uit het raam naar Joke, in haar mosterdgele vest, door het frisse Amsterdamse voorjaar.
Toen zei Pieter ineens: Weet je, die kast in de gang moet eigenlijk terug naar hoe jij m wilde. Zij had m vorig jaar nog verschoven.
Echt, dat weet je nog?
Natuurlijk.
Samen duwden we de kast terug. Maartje kwam aanlopen met haar boek: Mama, kijk, een vosje!
Vosje, ja en wat is een vosje? Heel erg slim!
Slim! riep Maartje en liep giechelend weg.
In de keuken dronk ik water, keek naar mijn viooltje: drie paarse bloemen, fris aan het raam.
Precies daar, waar ík het wilde hebben.






