Schaduwen van het verleden Valentina van der Meulen maakte zorgvuldig de oude ruggen van haar colle…

Schaduwen van het verleden

Klaartje van den Berg veegt voorzichtig het stof van de ruggen van oude Van Eeden-romans wanneer de postbode op de glazen deur van haar kleine boekwinkel aan de Herengracht klopt. Het regenachtige Amsterdam ziet er op deze ochtend extra somber uit precies drie maanden na de begrafenis van Matthijs.

Een brief voor u, zegt de postbode, terwijl hij een wit envelopje zonder afzender overhandigt. Hier graag ondertekenen.

Klaartje trekt verbaasd haar wenkbrauwen op. In het digitale tijdperk zijn papieren brieven zeldzaam, anonimiteit al helemaal. Ze zet haar leesbril op en opent het envelopje direct bij de toonbank.

Geachte Klaartje van den Berg. Het spijt me u tijdens rouw te storen, maar mijn geweten laat me niet langer zwijgen. Uw overleden echtgenoot, Matthijs de Jong, leidde een dubbelleven de afgelopen twintig jaar. Indien u de waarheid wilt weten, komt u morgen om twee uur naar Café t Idiotje op de Rozengracht. Ik draag een rode sjaal. Vergeef me voor de pijn.

Klaartjes handen beginnen te trillen. De brief valt op de grond en ze ploft neer op de stoel achter de kassa, terwijl de ruimte om haar heen begint te draaien. Matthijs? Haar Matthijs, die haar elke ochtend een kus op het voorhoofd gaf voordat hij naar de universiteit vertrok? Dies avonds gedichten van Vasalis voorlas? Die stierf aan een hartaanval tijdens zijn college over Couperus?

Dit moet een vergissing zijn, fluistert ze in de lege winkel. Of een wrede grap.

Maar het zaadje van twijfel is geplant. Klaartje woelt die nacht in bed, denkend aan alle eigenaardigheden van de afgelopen jaren. De vele congressen van Matthijs, waar hij weinig over vertelde. De telefoontjes waarna hij altijd naar het balkon ging. De bankafschriften die hij als eerste uit de brievenbus haalde…

De volgende dag, exact om twee uur, stapt Klaartje Café t Idiotje binnen. Aan de hoektafel zit een jonge vrouw van rond de dertig mooi, met hoge jukbeenderen en droevige grijze ogen. Om haar hals een felrode kasjmieren sjaal.

Klaartje van den Berg? De vrouw staat op. Mijn naam is Marijke. Bedankt dat u gekomen bent.

Wie bent u? Klaartjes stem trilt van ingehouden woede. Hoe durft u zulke dingen over mijn man te schrijven?

Marijke haalt een verkreukelde foto uit haar tas. Hierop staat Matthijs vijftien jaar jonger, waar hij een vrouw met een kind op haar arm omhelst.

Dit is mijn moeder, zegt Marijke zacht. En dat kindje ben ik. Matthijs de Jong was mijn vader. Niet biologisch, maar hij heeft mij vanaf mijn vijfde opgevoed. Mijn moeder overleed vorig jaar aan kanker. Voor haar dood vroeg ze me u op te zoeken en alles te vertellen maar ik kon het niet, zolang hij leefde.

Klaartje voelt de grond onder zich wegzakken. De serveerster brengt water, maar haar handen ijlen te veel om te drinken.

Dat kan niet, fluistert ze. We waren vijf-en-veertig jaar getrouwd. We hadden geen geheimen.

Hij hield van u, Marijke leunt naar haar toe. Hij sprak altijd met zoveel tederheid over u. Maar mijn moeder zij had hem nodig. Ze was psychisch ziek. Na de scheiding met mijn echte vader wilde ze het opgeven. Matthijs was haar promotor tijdens haar promotie. Hij redde haar en kon haar niet loslaten.

Klaartje schudt haar hoofd. Twintig jaar…

Geen leugen, zegt Marijke. Hij zat gevangen tussen plicht en liefde. Hij betaalde moeders behandeling, mijn studie. Maar elke avond kwam hij naar u terug. Mijn moeder wist van zijn huwelijk. Ze eiste nooit meer.

Klaartje staat zo abrupt op dat ze het glas omstoot.

Ik heb tijd nodig. Zoek me niet meer.

Ze verlaat het café zonder om te kijken. Buiten regent het zacht, mengend met haar tranen. Waren vijf-en-veertig jaar huwelijk een illusie? Of niet?

Thuis begint Klaartje te zoeken. Ze doorzoekt alle lades van Matthijs, zijn papieren. In een oude laptas vindt ze een sleutel van een bankkluis en een ontvangstbewijs op naam van P.S. van Eeden de meisjesnaam van Matthijs moeder, een naam die ze nooit gebruikte.

Bij de bank laat ze met de overlijdensakte en haar legitimatie de kluis openen. Binnen liggen documenten: een huurcontract voor een appartement in Amsterdam-Noord, medische dossiers op naam van Liesbeth A. over bipolaire stoornis, fotos van Marijke door de jaren heen van de kleuterschool tot haar diploma. En Matthijs dagboek.

Klaartje gaat op de koude vloer van het bankarchief zitten en begint te lezen.

Ik ben een lafaard. Dat weet ik. Maar ik kan niet anders. Klaartje is mijn licht, mijn steun, mijn echte leven. Maar Liesbeth en Marijke zij verdwijnen zonder mij. Liesbeth snijdt zichzelf opnieuw als ik praat over vertrek. Marijke dat meisje ziet me als vader. Hoe kan ik haar verlaten?

Vandaag wordt Marijke toegelaten tot de UvA als letterkundige. Ze wil zoals ik worden literatuur doceren. Ik ben trots op haar en haat mezelf. Klaartje vraagt waarom ik huil. Ik zeg dat Couperus teksten me ontroeren. Dat is ook de waarheid ik huil om mijn gespleten leven.

Liesbeth sterft. Kanker. De dokter geeft haar enkele maanden. Ze vraagt me één ding: dat ik Klaartje de waarheid vertel als zij weg is. Ik beloof het, maar weet dat ik het niet kan. Ik ben een lafaard. Altijd geweest.

De laatste notitie is een week voor Matthijs dood geschreven:

Mijn hart kan niet meer. Letterlijk. De cardioloog eist een operatie, maar ik weet: dit is mijn straf. Ik heb twee levens geleefd; nu breek ik. Klaartje, als je dit ooit leest vergeef me. Ik heb van jou elke seconde gehouden. Maar ik kon de zieke vrouw en het kind niet verlaten. Vergeef deze zwakke oude dwaas.

Klaartje sluit het dagboek. Ze zit in het kille bankkluisje en denkt aan haar vijf-en-veertig jaar. Waren die gelogen? Of hield Matthijs écht van haar, maar zat hij in een onmogelijke situatie?

Ze herinnert zich zijn blik moe, maar altijd vol zachtheid als hij haar aankeek. Hoe hij haar hand vasthield in het ziekenhuis bij een longontsteking. Hoe hij haar poëzie voorlas. Hoe hij lachte om haar grapjes.

s Avonds belt Klaartje met Pieter van der Laan, een oude universiteitsvriend van Matthijs.

Pieter, wist jij?

Een lange stilte.

Klaartje… ja, ik wist het. Hij vroeg me als getuige bij die geheime verhuur te zijn. Vergeef me.

Waarom verliet hij mij niet? Haar stem trilt.

Omdat hij van je hield. Ik zweer het, hij was dol op jou. Maar die vrouw… ze probeerde meerdere keren haar leven te beëindigen. Matthijs kon niet leven met de gedachte de aanleiding te zijn. En toen kwam dat meisje, dat hem papa noemde

Klaartje hangt op. Ze loopt naar het raam en kijkt naar het avondlijke Amsterdam. De stad schittert in de natte straten.

Een week later spreekt ze weer met Marijke, dit keer in haar boekwinkel.

Vertel me over hem, vraagt Klaartje. Over het leven dat ik niet kende.

Marijke praat urenlang. Hoe Matthijs haar leerde fietsen, haar hielp met huiswerk, haar moeder troostte tijdens depressies, huilde op haar diploma-uitreiking.

Hij sprak vaak over u, bekent Marijke. U was zijn engel. Hij vond dat hij u niet waard was.

Hij vergiste zich, zegt Klaartje, haar tranen wegvegend. Ik ben degene die hem niet waard was, die twintig jaar tussen plicht en liefde leefde en niet brak.

Bent u boos?

Ja, ik ben boos. Heel boos. Maar ik begrijp het ook. Het leven is zelden zwart-wit, lieverd. Zeker niet als het om liefde en verantwoordelijkheid gaat.

Klaartje pakt een bundel van Couperus van de plank.

Hij hield van De vrouw met het hondje. Nu begrijp ik waarom. Neem deze maar, het was zijn eigen exemplaar.

Marijke neemt het boek met trillende handen.

Klaartje, het spijt me zo.

Hoeft niet, zegt Klaartje, terwijl ze haar hand aanraakt. Je bent nergens schuldig aan. Niemand van ons. Zelfs Matthijs niet. Hij wilde gewoon een goed mens zijn in een onmogelijke situatie.

Na Marijkes vertrek blijft Klaartje lang alleen in de lege winkel zitten. Ze denkt aan Matthijs, zijn dubbelleven, de zware last die hij jaren droeg. En aan de liefde vreemd, ingewikkeld, onbeholpen, maar echt.

Ze opent zijn dagboek op de laatste bladzijde en schrijft:

Matthijs, liefste. Ik weet alles en ik begrijp alles. En ik vergeef je. Sterker nog: ik ben trots op je. Je droeg een kruis dat velen had gebroken. Slaap zacht, mijn dierbare. Jij en je geheimen blijven bij mij, jouw herinnering is puur. Ik zal voor Marijke zorgen ze is deel van jou, dus ook deel van mijn leven.

Klaartje sluit het dagboek en zet het in de kluis. Morgen begint een nieuwe dag. Ze gaat verder, bewaart de herinnering aan haar man, en misschien vindt ze in Marijke die dochter die ze met Matthijs nooit had.

Het leven gaat door complex, vol geheimen en openbaringen, maar waarachtig. Net als liefde, die sterker is dan leugens, sterker dan de dood, sterker dan alles.

Rate article