Sanne kon de dagen niet uitstaan waarop potentiële adoptieouders het kindertehuis bezochten. In de zeven jaar dat ze daar woonde, had niemand haar ooit uitgekozen.
Toen ze jonger was, keek ze juist elke keer uit naar die dagen. Gefascineerd staarde ze naar de nette dames en heren die kwamen kijken. Ze leken ware tovenaars die haar misschien mee zouden nemen naar hun kasteel! Dan kreeg ze een nieuwe moeder die haar s avonds een kus zou geven, en een nieuwe vader die haar op zijn schouders zou dragen. Ze droomde van een eigen kamertje. Dan hoefde ze ook niet meer die vervelende Wouter te zien, die altijd in haar vlechten kneep en haar Musje noemde.
Sanne wist niet wat dat betekende, maar vond het gemeen klinken. En Wouter riep steeds maar weer:
– Musje! Musje! –
Ze was vijf toen ze in het tehuis terechtkwam, nadat haar ouders omkwamen in een ongeluk. Sanne snapte lange tijd niet waarom haar papa en mama haar niet kwamen halen, waarom ze haar achterlieten.
Pas na een paar jaar begon het tot haar door te dringen dat ze echt niet meer terugkwamen. Hun gezichten vervaagden langzaam. Ze vergat hun stemmen, hun geuren, het huis waar ze samen gewoond hadden.
Sanne wilde zo graag dat ze haar ooit eens zou kiezen! Maar het wonder bleef uit, en ze groeide op met het besef dat zij niet gekozen zou worden. Ze vond zichzelf ook helemaal niet mooi. De adoptieouders kozen altijd de meisjes met de mooiste strikken, het langste haar en de liefste lachjes.
Wouter liet haar niet met rust, maar ondertussen wist Sanne dat een musje gewoon een vogel was.
Op een dag verzamelden de leidsters weer alle meisjes om op hun paasbest te verschijnen. Iedereen kreeg vlechten met linten. Maar Sanne pakte een schaar en knipte haar haar kort, als een jongen. Ze had geen zin meer dat iemand haar koos. Voortaan zou ze zelf kiezen over alles en iedereen in haar leven!
Toen de leidsters haar zagen, hielden ze hun adem in; Wouter lachte:
– Musje! –
Sanne werd twaalf die zomer. Wouter was drie jaar ouder.
Die dag werd Sanne niet uitgekozen, en haar slordige kapsel en priemende blik hielpen ook niet mee.
Drie jaar later nam haar eeuwige rivaal afscheid: Wouter ging het tehuis uit. Nadat hij iedereen de hand had geschud, liep hij naar Sanne.
– Dag, musje? –
– Doei, – zei Sanne ongeïnteresseerd.
– Houd nog even vol, drie jaar maar! Daarna haal ik je op, hoor, San! zei Wouter vastberaden.
– Echt niet! En wie zegt dat ik jou kies? Gek! snauwde ze terug.
Wouter gaf haar een lange, vreemde blik en liep zonder om te kijken weg.
Toen Sanne het kindertehuis definitief achter zich liet, ademde ze buiten diep de lucht van vrijheid in, klaar voor het volwassen leven. In de jaren daarna was ze van een lelijk eendje veranderd in een prachtige zwaan. Haar dikke, glanzende haar viel over haar schouders, haar groene ogen straalden. Ze liep naar het appartement dat van haar ouders was geweest, en hoorde ineens:
– Hoi, musje! –
Ze keerde zich om en zag Wouter staan.
– Wat doe jij hier? – vroeg ze.
– Ik heb beloofd je te komen halen. Dus hier ben ik, – zei Wouter, terwijl hij dichterbij kwam.
– Maar ik heb gezegd dat ik zelf kies! – Sanne keek hem uitdagend aan. Wouter was flink gegroeid, breed in de schouders.
– Kies mij dan, Sanne! vroeg hij zacht.
– Ik zal erover nadenken, – riep ze terwijl ze op haar nieuwe huis af liep.
Wouter volgde haar tot aan de portiekdeur, wachtte tot ze naar binnen ging en vertrok dan pas. Iedere avond zat hij vervolgens op het bankje voor haar huis tot het licht in haar kamer uitging.
De zomer ging over in een natte herfst en vervolgens in een gure winter. Maar Wouter bleef langskomen. Op een kille avond liep Sanne naar hem toe, ging naast hem zitten en vroeg:
– Ben je het nooit zat om hier te komen? Het is ijskoud!
– Het geeft niet. Ik wacht wel. Als je me maar kiest, alsjeblieft! zei hij en keek haar met een lange, zachte blik aan.
Sanne schoot van de bank op alsof ze zich aan het branden was en vluchtte naar haar kamer. Vanachter het gordijn zag ze Wouter naar haar raam staren.
Op 31 december haastte Sanne zich na haar werk naar huis; ze moest het huis versieren, de tafel dekken, haar nieuwe jurk aan voor Oud en Nieuw! Wouter zat niet op het bankje. Haar hart sloeg een slag over Was er iets gebeurd?
Na een uur had Sanne alles af en schonk zichzelf een glas prosecco in. Ze keek uit het raam: geen Wouter. Haar maag draaide zich om van onrust. Paniek trok als een koude golf door haar heen.
– Wat nu? Hem zoeken? Maar ik weet niet eens waar hij woont! Domkop! Wat ben ik toch een domkop! – mopperde ze tegen zichzelf.
Op dat moment zag ze buiten iets flitsen.
– Het vuurwerk begint al, – dacht ze, en liep naar het raam om het te bekijken.
Op de besneeuwde stoep stond in brandende letters:
– KIES JE VOOR MIJ, SANNE! –
En op het bankje zat Wouter, zwaaiend naar haar raam.






