Water geven in de avond
Ze sleepte twee zakken potgrond uit de lift, stevig tegen haar borst geklemd alsof er iets breekbaars in zat. Haar schouders deden pijn, haar handen gleden over het gladde plastic, en ze vervloekte zichzelf dat ze de verkoper in het tuincentrum niet had gevraagd de zakken te splitsen. Op de derde verdieping zette ze beide zakken neer, haalde diep adem en luisterde naar de stilte van haar appartement. In de stilte trok beneden de portiekdeur hoorbaar met een klap dicht.
In de gang trok ze haar schoenen uit, liet het licht uit, liep naar de keuken en opende het balkon. De deur piepte vertrouwd en een golfje koude wind streelde haar gezicht. Het balkon was smal, volgestapeld met oude krukjes en dozen met ooit nog uitzoeken. Ze keek ernaar en besefte opeens dat ze het nooit zou uitzoeken. Ze had plaats nodig. Niet voor spullen.
Ze sleepte de dozen de gang in, veegde het kozijn schoon met een klamme vaatdoek, zocht in het berghok naar twee plastic bakken die ooit bedoeld waren voor gereedschap en zette ze langs de reling. Daarna haalde ze de zakken potgrond, een schaar, een oude lepel en een lege gieter erbij. De gieter had ze gekregen voor een volkstuin, maar zon tuin had ze nooit gehad. Ze liet kraanwater in de gieter lopen, wachtte tot het niet meer ijzig voelde, en begon.
De grond viel eruit als een zachte, natte massa, bedekte de rand van de bak met zwarte smurrie. Ze streek alles vlak met haar hand; aarde kroop onder haar nagels, bleef aan haar huid plakken niet erg, eigenlijk zelfs geruststellend. In aarde zaten geen vragen.
Ze pakte de zakjes zaad. Dille, basilicum, goudsbloem, afrikaantjes. Niet bedoeld voor in het eten of in weckpotten gewoon voor iets om s morgens en s avonds met haar handen te kunnen doen. Iets anders dan nieuws lezen of het herkauwen van eindeloze gesprekken in haar hoofd.
De telefoon rinkelde in de woonkamer, maar ze ging er niet heen. Laat maar bellen. Ze trok voren in de aarde met de lepel, strooide de zaadjes, bedekte ze weer en goot er voorzichtig water bij, zodat de aarde niet wegspoelde. Het water kleurde de bovenlaag donker, een warme aardse geur steeg op uit het natte zand. Met de gieter stevig in haar handen voelde ze haar ademhaling dieper gaan écht diep, diep als in geen weken meer.
De afgelopen maanden was haar leven een puzzel van andermans behoeften geweest. Eerst de scheiding: niet met ruzie, meer van het soort dat langzaam dooft tot moeheid en stilte. Daarna haar moeder, na een operatie, elke dag weer ritjes naar de huisarts, recepten, bonnetjes, verzekeringspapieren. Toen veranderde op haar werk de chef, en alles verloor de routine het viel uit elkaar als een oude linnenkast. Ze legde verantwoording af, legde uit, liep achter feiten aan. En als er dan stilte was, wist ze niet wat ermee te doen.
Het balkon voelde als de enige plek waar stilte niet zwaar op haar drukte.
Na een week verschenen de eerste sprietjes, dun als groene draden, wonderbaarlijk weerbarstig. Ze boog zich voorover om te kijken en voelde in haar borst iets als vreugde opstijgen kalm, zonder extase.
Ze zette een klein stoeltje neer om te kunnen zitten. In de avond, als moeder eindelijk sliep en de televisie zweeg, liep ze het balkon op, pakte de gieter. Niet te veel: niet dat de buren beneden klagen, alleen voorzichtig genoeg om de aarde donker te maken. Daarna bleef ze zitten, luisterend naar het hofje: een auto die parkeerde, iemand die mopperde bij de afvalcontainer, ergens giechelden tieners. Zij bemoeide zich nergens mee. Ze was gewoon aanwezig.
Op het balkon ernaast verscheen een vrouw in ochtendjas, met een handdoek om haar hoofd gedraaid. Ze wees naar de bakken.
Heeft u een volkstuintje daar? vroeg ze, niet onaardig, meer nieuwsgierig.
Geen tuintje, antwoordde ze. Groene kruiden. Bloemen.
Waarom? vroeg de buurvrouw met samengeknepen ogen.
Ze wilde zeggen: Anders word ik gek. In plaats daarvan haalde ze haar schouders op.
Vind het gewoon fijn.
De buurvrouw bleef even stil, knikte toen.
Mijn geraniums gaan altijd dood. Misschien weet u wat ik ermee moet?
Ze wist het niet, maar bood aan te kijken. De volgende dag kwam de buurvrouw met haar potje, samen verpotten ze de geranium in nieuwe aarde. De buurvrouw bleef zich excuseren voor het storen, maar zij betrapte zichzelf erop dat ze hoopte dat de ander niet meteen weer weg zou gaan.
Eén keer per week water geven, zei ze uit haar hoofd van een internetartikel. Niet in de tocht zetten.
U heeft goede handen, zei de buurvrouw onverwachts. Rustige handen.
Ze glimlachte, maar voelde een steek. Haar handen waren niet rustig, ze waren alleen moe.
In mei werd het warm. Het balkon was zo heet, dat de aarde s ochtends droog aanvoelde als zand aan het strand. Ze stond steeds vroeger op om te kunnen water geven voor de zon. Koel water stroomde over haar vingers, basilicum rijpte, dille werd een zachte wolk van groen, goudsbloem vormde de eerste oranje knoppen.
Toen kwamen de rouwvliegjes. Ze zag ze s avonds toen ze de kleine lamp aanstak op het balkon. Ze dwarrelden om het licht, gingen op de aarde zitten, op het blad. Geïrriteerd sloeg ze in de lucht, dan maakte ze een sopje van afwasmiddel, zette een schaaltje met azijn neer, kocht plakstrips bij de drogist. De volgende dag waren er minder, maar niet weg.
Ze stond boven de bakken en voelde plots irritatie. Niet om die vliegjes, maar omdat zelfs dit stukje rust weer strijd eiste.
Ze ging zitten, sloot de ogen. Eigenlijk zou het niet erg zijn om alles op te geven. Bakken bij het grofvuil, aarde eruit, klaar. Maar het idee om op te geven vond ze nog onaangenamer dan die vliegjes.
Ze opende haar ogen, pakte een schaar, verwijderde vergeelde blaadjes. Met een vork van de keuken maakte ze de aarde los die mocht nu weer in de vaatwasser, ook goed. Waar het om ging was dát ze iets deed, niet dat het perfect was.
Begin juni, ze liep met nog een zak potgrond en twee potten uit de supermarkt naar huis. Op het bankje bij de portiek zaten twee jongens, eentje rookte stiekem. Bij de deur brak de zak ineens open, aarde dwarrelde op het straatsteen.
Verdorie, floepte het eruit.
Eén van de jongens sprong op.
Zal ik u helpen? zei hij snel, alsof hij bang was dat ze nee zou zeggen.
Hij pakte de zak, tilde ook de tweede, samen liepen ze het trappenhuis in. De lift was krap, hij keek naar zijn schoenen en hield de zakken vast alsof het een serieuze taak was.
Welk etage? vroeg hij.
Derde.
Ik breng ze naar boven, zei hij beslist.
Boven zette hij de zakken voorzichtig neer.
Dankjewel, zei ze. Hoe heet je?
Bram, antwoordde hij.
Ze knikte.
Wat groeit er daar? vroeg hij, zijn blik op het balkon.
Basilicum, dille. Bloemen.
Mag ik eh, mag ik nog eens kijken? Thuis zegt mijn moeder dat ik nooit wat doe. Maar dit vind ik wel boeiend.
Ze knikte, verbaasd dat ze zich er niet onveilig bij voelde.
Kom gerust langs als ik thuis ben. Maar niet roken op het balkon, hè.
Hij glimlachte, voorzichtig en klein.
Enkele dagen later kwam hij echt. Klopte op de deur, stond in de gang. Ze wees hem door: schoenen uit. Op het balkon keek hij naar de bakken alsof het iets groots en belangrijks was.
Wat zijn dat? vroeg hij en wees naar de afrikaantjes.
Afrikaantjes, ze zijn makkelijk.
En waarom bloemen? klonk het weer, net als bij de buurvrouw.
Ze zuchtte.
Omdat het mooi is. Omdat het fijn is om voor te zorgen.
Hij knikte, alsof hij het begreep. Toen pakte hij de gieter, vroeg hoeveel water. Ze liet zien hoe langs de rand te schenken, zodat je niet alles wegspoelt. Hij deed zijn best, maar toch viel er een plas water op de tegels. Hij bloosde.
Geeft niet, zei ze. Tegels drogen wel weer op.
Ze veegde de plas weg en dacht: dat is het mooie hier. Fouten leiden niet tot rampen.
In juli kwam er ruzie. De buurman van beneden, een man met een zware stem, belde aan. Zij deed open met een vuilniszak in de hand.
U strooit aarde, zei hij zonder welkom. Mijn vensterbank zit onder, en het druipt steeds.
Ze voelde zich al in de verdediging, wilde uitleggen dat ze nooit met opzet knoeide, maar ineens bedacht ze zich dat ze inderdaad gisteren gehaast water had gegeven, misschien was er wat doorgelopen.
Ik snap het, zei ze. Ik ga kijken waar het lekt. Ik zet er bakken onder.
Geen moeras alstublieft, bromde hij.
Ze sloot de deur, leunde er even tegenaan. Haar hart bonsde. Ze wilde alles weggooien en nooit meer aangesproken worden. Toch pakte ze in het berghok oude onderzetters, schoof die onder de bakken, veegde het balkon, schepte gemorste aarde op, goot minder water.
De dag erna kruiste ze de buurman bij de lift. Hij keek haar aan, bleef even stil, zei toen:
Bedankt voor het oplossen.
Ze knikte. Geen echte vrede, maar genoeg.
In augustus begon haar tuintje op te vallen. Mensen keken omhoog naar het balkon de afrikaantjes kleurden over de balustrade. De buurvrouw vroeg een stekje geranium, toen nog eentje. Bram bracht water uit de supermarkt als hij haar met zakken zag lopen. De vrouw uit het aangrenzende portiek, die ze alleen van gezicht kende, bleef eens staan.
U heeft daar zon fijne plek. Mag ik even zitten? Thuis is het lawaaiig.
Ze wilde nee zeggen. Het balkon was haar domein, haar ritueel. Maar de vrouw keek zo, alsof ze niet om het balkon vroeg maar om ademruimte.
Vijf minuutjes kan, zei ze. Maar ik moet water geven.
De vrouw zat stil, keek naar de groene bladeren, naar de aarde, naar de bijtjes die op de goudsbloem afkwamen. Daarna fluisterde ze:
Dank u.
En vertrok, niet meer achterlatend dan een gevoel dat het luchtruim een beetje groter was.
Maar met de ruimte kwamen meer verzoeken. De buurvrouw kwam met een zakje zaad:
Wilt u voor mij ook planten? Mij lukt het toch nooit.
Bram vroeg of hij een potje mocht lenen: voor thuis proberen. De vrouw van het buurpand kwam steeds vaker.
Het begon te voelen alsof haar ritueel veranderde in een verplichting. Ze voelde onrust: als ze nee zei, was ze gierig; als ze ja zei, werd haar tuin werk.
Op een avond ontdekte ze een lege plastic fles en een zakje potgrond op haar stoeltje blijkbaar had Bram iets willen bijdragen en niet gevraagd. Ze kneep de fles samen, die kraakte in haar hand van ergernis.
Toen bleef ze zitten. Het was maar een fles. Maar het ging niet om de fles.
Ze zette de gieter neer, keek lange tijd naar de bakken. De bladeren ruisten licht in de wind. Alles was er nog.
Het ging erom dat ze niet dichtklapte, maar leerde uitspreken wat ze nodig had.
De volgende dag belde ze de buurvrouw.
Ik wil je best een stekje geven en uitleggen hoe het moet. Maar planten doe je zelf, dat wil ik graag.
De buurvrouw leek eerst gekwetst, mond stijf.
Ik dwing je niet, hoor, zei ze.
Dat weet ik, antwoordde zij kalm. Maar ik zeg het liever gelijk.
De buurvrouw zuchtte en glimlachte plots.
Goed, laat maar zien. Ik probeer het wel.
Tegen Bram zei ze:
Je mag een pot krijgen, maar je koopt zelf grond en zaad. En je moet het zelf doen, ik help als je wilt.
Hij knikte breed, blij met het vertrouwen.
De vrouw van het buurpand vertelde ze:
Fijn dat het je hier rust geeft. Soms wil ik graag alleen zijn.
Ze keek haar even aan, knikte toen.
Ik begrijp het. Bedankt voor je eerlijkheid.
Daarna werd het lichter. Het oude ritueel keerde terug. De mensen verdwenen niet, hingen er niet meer aan.
In september bracht ze twee nachten door bij haar moeder in het ziekenhuis papieren regelen. Voor vertrek gaf ze alles water, controleerde de onderschalen, sloot het balkon. Ze twijfelde even of ze de buurvrouw om hulp zou appen, maar wilde niemand iets opleggen.
Bij terugkomst was alles stil. Aarde vochtig, haar gieter gevuld op het stoeltje, daarnaast een klein zakje zaad. Met balpen stond erop: Voor u. Als u wilt, bel gerust. En een telefoonnummer.
Ze draaide het zakje in haar handen. Ouderwetse Oost-Indische kers. Ze glimlachte, geraakt door de zorg: geen grens over, geen eis.
s Avonds liep ze het balkon op. De zon verdween achter de wolken, het hofje doofde. Ze vulde de gieter, controleerde de onderschalen, goot voorzichtig. Het water zoog de aarde donker, bladeren glansden.
Ze legde het zakje op het kozijn, een kiezel erop zodat het niet weg zou waaien. Pakte de telefoon, toetste het nummer.
Met mij, van de derde, zei ze toen er werd opgenomen. Dank u voor de zaden. Ik plant ze volgend voorjaar. Als u wilt, kunt u een stekje van de goudsbloem krijgen. Maar ik zeg het eerlijk: het verzorgen mag u dan zelf doen.
Aan de andere kant klonk een lachje, warm en kort.
Ze deed het licht op het balkon uit, sloot de deur en bleef een seconde met haar hand op de klink. Van binnen voelde ze zich niet leeg, maar kalm. Morgenavond zou ze weer met de gieter komen. En als iemand klopte, kon ze zelf kiezen of ze open deed. Zonder schuldgevoel.






