Vannacht belde mijn schoondochter. Ze vroeg hoe het ging en of er nog problemen waren. Ik luisterde naar haar verhaal over vermoeidheid, drukte op het werk en nog wat andere zorgen. Ik zei dat ik morgen zou langskomen om een handje te helpen.
Rond tien uur die ochtend stond ik bij mijn zoon en schoondochter in Amsterdam. Ik heb mijn eigen huissleutel, loop naar binnen en kijk goed rond. Meteen zie ik wat er moet gebeuren. Eerst maar de wasmachine aanzetten; ondertussen neem ik de dweil ter hand. Met de stofzuiger ga ik langs de stoelen en bank.
Daar hoef ik niet lang over na te denken: ze zitten allebei tot over hun oren in het werk, twee banen elk. In de kamer van mijn kleinzoon, Daan, maak ik het bureau schoon, haal het stof van de computer, raap de papierpropjes op. Boeken, schriften: alles netjes in stapeltjes terug. Op de vensterbank ligt een chaossportschoenen en trainingsbroek zwerven tussen de kamerplanten. Het geeft een rommelige indruk. Dat hoort niet.
Als de was klaar is, hang ik het op het droogrek. Daarna inspecteer ik de koelkast. Geen bedorven eten? En wat staat er in die pan? Ik vind een paar tomaten, wortels en kipdaar kun je mooi een pan groentesoep van maken. Is er geen brood meer? Geen probleem, de bakker op de hoek is dichtbij.
Daan komt thuis van school en ik schep soep voor hem op. Ik zet er een mok thee bij en leg een stukje ontbijtkoek op een schoteltje. Hij zit te wiebelen met zijn benen en eet. Ik leg even mijn hand op zijn knie: Rustig zitten, jongen. Niet als reprimande, maar gewoon vriendelijk.
Als de avond valt en het tijd is om naar huis te gaan, ruim ik mijn spullen op. Je moet de kinderen niet te veel in de weg lopen, de tijden zijn pittig en de jongeren zijn uitgeput van al dat werken. Alles draait nu om geld verdienen. Vroeger was het anders: je had één baan en als je je best deed, zat je goed. Dan werd je niet zomaar ontslagen.
Thuis plof ik op de bank. Ik vertel niemand wat ik vandaag gedaan heb, ook mijn zus niet. Die vindt dat ik te lief ben: Wil je aardig gevonden worden? Ze kunnen het zelf wel, ze zijn volwassen. Ach, daar valt toch niet over te twisten. Zoiets komt uit je hart. Met argumenten kom je nergens, dat voelt als jezelf verdedigen en dat is niet prettig.
Als ik s avonds ga slapen, denk ik aan mijn eigen jongere jaren. Ook toen was het niet makkelijk; kansen waren schaars en niemand kwam helpen. Moeder niet, schoonmoeder niet. Toen je ging trouwen, begon je gewoon te ploeteren.
De volgende ochtend ga ik verder met mijn eigen bezigheden, rustig aan, ik hoef niet meer te haasten. Mijn haastige jaren liggen achter me.
Daarna wilde ik pannenkoeken bakken, maar net toen ik de meel wilde pakken, gaat de telefoon. Mijn zoon belt: hij redt het niet om Daan naar voetbal te brengen, of ik kan helpen. Ik ruim alles op, trek mijn jas aan en stap op de tramnaar de andere kant van het stadsdeel. Een uurtje wachten terwijl Daan sport, dat maakt me alleen maar blij. Hij heeft nog een heel leven voor zich, en energie zal hij nodig hebben.
Ik ben helemaal geen heldin. Gewoon een vrouw, zoals zovelen. Ik geef mijn geliefden mijn hart. En mijn leven.






