Praat met me, Bolletje
Wees maar niet bang, Bolletje! Alles komt goed! Ze schreeuwen straks nog even en dan wordt het weer rustig Hoop ik.
Fenna drukte haar trouwe vriendje stevig tegen zich aan en kneep haar ogen dicht. Ze moest niet bang zijn. Ze was immers al groot. Dat zei oma Jannie tenminste altijd. Vijf jaar, dan ben je al groot. Zo vond iedereen haar nu ook. Zelfs huilen deed ze niet meer bij inentingen, want dat mag niet meer. Maar bij Bolletje, haar knuffelbeer, durfde ze nog wel klein te zijn, zoals vroeger. Hij kende haar door en door, precies zoals ze was. Bolletje had ze van mama gekregen toen Fenna geboren werd. Een beetje scheve beer, maar altijd haar beste vriend geweest. Aan hem kon ze alles vertellen, zonder dat hij net als haar beste vriendin Marlies meteen zou gaan klikken bij de juf. Bolletje luisterde alleen maar, met zijn ronde ogen, en hield alles voor zich. En als ze bang was, zoals nu, was alleen Bolletje haar geruststelling. Hij was zacht en vertrouwd.
Papa en mama waren dat natuurlijk ook. Maar als ze zo hard riepen naar elkaar, voelden ze ineens heel anders. Fenna wist niet goed hoe ze het uit moest leggen, maar het leek wel alsof er in huis allemaal stekelige braamstruiken groeiden, zoals in het sprookje van Doornroosje, waardoor niemand meer bij elkaar in de buurt kon komen zonder zich te prikken. Waarom haar ouders steeds ruzie maakten, begreep ze niet. Grote mensen moeten toch kunnen praten en oplossingen zoeken? Zo zei oma Jannie dat altijd. Misschien waren hun ruzies wel echte grote ruzies Echte grote mensen klachten. Fenna kende die nog niet. Maar ze wist nu zeker dat ze kunnen bestaan. Want als je al van een kleine ruzie zoals die met Marlies zo naar wordt dat zelfs een ijsje je niet meer smaakt, dan moeten grote mensenruzies nog veel erger zijn.
Fenna opende haar ogen en luisterde. Het was stil. Dat betekende dat mama naar de badkamer was om te huilen en papa chagrijnig in de keuken zat nu was het haar tijd. Ze stond op vanachter het hoofdeinde van haar bed, waar ze zat, en zuchtte. Haar kamer was mooi geworden. Mama had lang nagedacht over de kleur behang en meubels, en haar vaak gevraagd wat zij wilde. Een wit bed met een roze sprei, een mooie kast voor alle jurkjes, planken voor het speelgoed, zoveel dat ze soms vergat wat ze allemaal had. Hier wilde ze nooit vandaan. Hier voelde het veilig. Bijna rustig nu het stil was. Maar Bolletje keek haar aan en Fenna snikte zachtjes:
Ik weet het, ik weet het! Wacht maar. Je blijft hier, ik regel het.
Ze zette Bolletje tegen het kussen, liep de kamer uit en naar de badkamer, waarvan de deur zoals altijd dicht was. Ze klopte zacht.
Mam?
Ja?
Mag ik bij jou?
De deur ging open, en Fenna zag dat mama zoals altijd op de rand van het bad zat.
Wat is er, moet je naar het toilet?
Nee, ik wil bij jou zijn. Fenna haalde diep adem en zette een stap naar binnen. Wat nu ging komen, vond ze nooit leuk. Mama zou weer huilen, haar stevig vasthouden en beloven dat alles goed komt. En dan zou Fenna ook huilen. Niet omdat ze het zo zielig vond voor mama, maar omdat ze wist dat het eigenlijk niet meer goed zou komen. Alleen maar hooguit eventjes. Zoals Marlies ook altijd zei. Eventjes goed en daarna komen er weer stekels.
Fenna veegde haar tranen weg en keek haar moeder aan.
Waarom eigenlijk?
Wat, lieverd?
Waarom schreeuwen jullie altijd? Als jullie elkaar niet meer lief vinden, moeten jullie misschien wat verder bij elkaar uit de buurt blijven? Dat zei oma Jannie toen ik en Marlies ruzie hadden. Dan kun je ook niet zo snel weer ruzie maken.
Sophie verstarde. Nooit eerder had Fenna over de ruzies thuis iets durven zeggen. Ze dacht dat haar kind daar toch niet veel van begreep. Zo jong nog.
Fenna, waarom zeg je dat? Ik houd van papa, echt…
Niet waar, mam.
Fenna!
Als je van iemand houdt, dan schreeuw je niet zo. Je schreeuwt toch ook niet zo tegen mij?
Sophie wist niet hoe ze het uit moest leggen. Relaties zijn ingewikkeld. Schreeuwen is niet altijd haat of toch wel? Eén simpele vraag waarom? Hoe kon ze daarop antwoorden?
Je moet soms gewoon even zitten en nadenken over jezelf. Zo zegt oma Jannie het ook altijd toch? Fenna streek moeders wangen droog.
Heb je dat ook van oma? Sophie glimlachte flauwtjes door haar tranen heen.
Ja! Ze heeft altijd gelijk. Kijk, nu ben ik veel minder vaak boos op Marlies. Alleen als ze stiekem tegen juf Simone klaagt over mij.
Wat ben je toch al groot geworden Sophie sloeg haar armen om haar dochter.
Nee hoor, mam, ik ben nog heel klein. Als ik echt groot was, Fenna ging even opzij en fluisterde, dan was ik helemaal niet zo bang.
Waar ben je dan bang voor? Sophie fronste.
Wat als jullie volgende keer zo hard schreeuwen dat jullie allebei weggaan?
Waarheen dan, meisje?
Naar ergens waar het wel rustig is. Je wilt toch niet altijd blijven waar het niet fijn is? Jij bent toch ook niet gelukkig, mam?
Nee Wacht, denk je dat wij jou hier zouden laten? Ben je daar bang voor?
Ja Nu begon Fenna echt te huilen. Dan blijf ik alleen met Bolletje. En als ik hem weer kwijtraak, zoals laatst in de tram? Dan ben ik alleen. Ik heb aan oma gevraagd of ik dan bij haar mocht wonen, maar ze zei dat ze te oud was om weer moeder te worden!
Fenna! Meisje toch! Maak je geen zorgen, ik laat je nooit alleen! Nooit!
Echt? Want als jullie ruzie maken, lijkt het alsof je me helemaal vergeet.
Natuurlijk niet, lieverd Sophie viel stil. Haar dochter had gelijk. Op zulke momenten dacht ze nergens anders meer aan dan haar eigen verdriet, haar eigen woede.
Ze dacht terug aan hoe ze haar man, Martijn, had leren kennen. Het was in het tweede jaar op de universiteit in Utrecht, ze was haastig onderweg naar haar tentamen en botste tegen een zwijgzame, slungelige jongen. Zijn bril viel in gruzelementen, zij kon alleen maar sorry! roepen en rende door. Die dag slaagde ze met vlag en wimpel, dansend liep ze naar buiten, de zomer tegemoet.
Datzelfde slungelige figuur kwam haar later tegen, lachte en zei: Ha, sneltrein! Heb je weer haast? Zo noemde hij haar altijd zijn sneltreintje. Vooral als ze boos was.
Op de kraamafdeling lachte iedereen zich rot toen hij riep: Niet zuchten, Sneltreintje! Persen!
Wanneer waren ze eigenlijk boos geworden op elkaar? Wanneer stopte hij met haar zo liefkozend aanspreken? Wanneer was alles veranderd?
Mam?
Ja, liefje?
Zijn jullie zo boos op elkaar? Ben je verdrietig?
Sophie friemelde door Fennas blonde krullen, zo net als die van haar vader. In haar buik had ze al gehoopt dat haar dochter zulke bos haar zou krijgen en helderblauwe ogen. Fenna was prachtig, nu al. Sophie glimlachte. Vroeger had haar eigen moeder altijd gezegd: Het belangrijkste is een goede vader voor je kind. Martijn was een ideale vader. Vaderskindje, zo noemde hij Fenna altijd. Maar Sophie merkte dat ze daar soms jaloers van werd. Misschien daarom deed alles nu zo zeer.
Ze dacht terug aan het moment dat hij thuis kwam van zijn werk, haar vluchtig kuste, haar opzij schoof en zei: Waar is mijn prinsesje? Kijk, ik heb chocola voor Fenna! Daarna speelde hij met hun dochter, zette een film op, en als Sophie iets wilde zeggen, hoorde hij het niet, moest ze alles uitleggen, en werd soms boos als Fenna ziek was.
Het eerste conflict herinnerde ze zich nog goed. Fenna kreeg plotseling hoge koorts. Sophie sliep geen oog, deed alles om de koorts te laten zakken. De huisarts stelde gerust, maar Sophie raakte in paniek. Totdat Martijn uitviel: Moet je nou nog huilen? Daar wordt ze niet beter van! Je bent toch haar moeder! Toen stopte Sophie met huilen, niet omdat het beter ging, maar omdat ze zich voor het eerst in haar leven helemaal mislukt voelde. Dat vergeet je niet.
Fenna keek haar moeder onderzoekend aan. Die dacht diep na. Maar ze huilde niet meer, dus het was tijd om naar papa te gaan. “Ik kom zo,” fluisterde Sophie.
Fenna glipte uit haar armen, deed de deur open en zei: Niet meer huilen, goed?
Sophie antwoordde niet. Ze bleef in gedachten hun hele leven langsgaan. Was er écht zoveel mis? Was er ook nog iets goed?
Natuurlijk.
Haar eerste kus met Martijn, hoe hij haar keek met die warme blik. Gezamenlijke vakanties, de geboorte van Fenna, haar eerste stapjes, het eerste woord, de inspanningen om de hypotheek rond te maken Nog samen aan het picknicken in de nieuwe benedenwoning, zonder meubels, op de vloer, met hun slapende dochter op een luchtbed. De hoop op een tweede kind, die nooit kwam, de onbenullige ruzies die steeds vaker werden. Uit alles groeide een dikke, stekelige muur tussen haar en Martijn.
Sophie gooide een plens koud water in haar gezicht. Genoeg! Goed of slecht, als je blijft hangen in de pijn werkt het niet je moet verder of uit elkaar gaan. Even stelde ze zich voor dat Martijn uit haar leven verdween. Dan zou ze Fenna alleen opvoeden. Ze huiverde.
Fenna liep door naar de keuken. Martijn zat aan tafel, met zijn rug naar haar toe.
Pap?
Hee Fenna! Moet jij niet slapen?
Ik heb geen zin. Ze kroop bij hem op schoot. Jullie schreeuwden weer
Sorry, meisje.
Waarom?
Waarom we schreeuwden?
Ja.
Weet ik eigenlijk niet precies.
Ben jij dan boos op mama? Fenna tuurde naar zijn gezicht. Ze had dit eerder moeten zeggen, in plaats van met Bolletje op haar kamer te zitten. Als zij en Marlies ruzie hadden, liet juf Simone ze altijd alles vertellen en vroeg dan of het leuk was om geen vrienden te zijn.
Heeft mama gezegd dat ze boos was op mij? Martijn snoof Fennas haartjes op.
Nee, wist ik zelf wel.
Hoe dan?
Als jullie elkaar graag zien, geef je mama een knuffel, en lacht ze. Maar bij een ruzie schreeuwen jullie alleen. Toch?
Martijn keek zijn dochter verwonderd aan.
Je bent echt al groot
Dat zei mama ook al.
Wat zei ze nog meer?
Dat ze van jou en van mij houdt.
Fenna zag zijn gezicht veranderen, de boze lijnen verdwenen, zijn ogen werden zachter. Ze knikte tevreden en kroop van zijn schoot.
Ik ga weer naar Bolletje, goed? Die vindt het eng in zn eentje.
Doe maar, meisje. Martijn keek Fenna na. Wanneer waren ze zo uit elkaar gegroeid? Hij wist het zelf niet. Eerst kwam Fenna, toen steeds meer zorgen. Sophie trok zich steeds meer terug. Haar openheid verdween. Zelfs over huishoudelijke dingen kon ze boos worden. Thuis voelde hij zich op den duur schuldig over alles, kreeg alleen maar verwijten, geen glimlach meer bij thuiskomst.
Na een tijdje merkte hij dat hij met Fenna het contact beter hield dan met zijn vrouw. Kijkend naar het afgelopen jaar dacht hij: de afstand is zo groot geworden, misschien komt het nooit meer goed. De pijnlijke dingen die ze ooit naar elkaar zeiden, voelden als stenen tussen hen in. Na Fennas koortsaanval was er geen echte warmte meer alleen oppervlakkig contact over de opvoeding. In een ruzie zei hij eens: Het enige wat ons nog bindt is Fenna, verder niets. Toen hij die woorden zag landen bij Sophie, wist hij dat er iets definitief stuk was.
Martijn zuchtte en stond op. In huis was het stil. De kraan in de badkamer liep niet meer; Sophie bracht Fenna vast naar bed. Uit het keukenraam keek hij naar de flats aan de overkant, met al die verhalen achter zoveel vensters. Zijn leven zou leeg worden zonder Fenna en Sophie. Plotseling dacht hij aan een gesprek vroeger met zijn moeder: Jongen, neem verantwoordelijkheid. Sta naast je vrouw. Je zult nog merken dat geluk vooral rust is, hulp geven en de liefdevasthouden, ook als het niet vanzelf gaat. Hij glimlachte, Dank je, mam
Die nacht sliep Fenna slecht. Ze hield Bolletje vast aan één hand, met de andere knuffelde ze haar slapende moeder. Sophies gezicht was moe en verdrietig. Fenna streek de rimpel tussen haar wenkbrauwen glad. Die hoorde daar niet. Ze kuste haar moeder zacht. Morgen misschien een goeie dag? Ze kneep haar ogen dicht en wenste dat stilletjes.
De wekker in de ouderlijke slaapkamer had Sophie niet gehoord. Ineens zag ze aan Fennas kattenslingerklok dat ze al laat waren. Ze zouden te laat in het kinderdagverblijf komen, en zij te laat op kantoor. Gelukkig was er niets belangrijks in de ochtend. Uit de keuken klonk het geluid van een lepeltje dat tegen een mok tikte. Had Martijn vroeger vertrek? Ze luisterde, hoopte dat hij straks stil vertrok, zodat ze het gesprek nog wat kon uitstellen. Maar toen ze de keuken binnenstapte, stond Martijn bij het gasfornuis, koffie te maken. Zijn ogen rood van het slapenlozenacht.
Sophie wilde groeten, maar hapte alleen naar adem, starend naar de tafel. Daar stond een taart. Met foute slagroomrozen, overduidelijk zelf gemaakt, waarschijnlijk de hele nacht aan gewerkt. Hoe lang had hij die spuitmondjes opgezocht? Ze was ze zelf allang kwijt.
Martijn keek haar aan en liep naar haar toe.
Het spijt me, Sophie. Echt waar. Voor alles. Ik ben een waardeloze man geweest. Jij en Fenna zijn het mooiste dat me ooit is overkomen. Maar zonder jou, geen Fenna. Ik weet dat niet alles goed te maken is, maar misschien kun je erover nadenken?
Sophie keek haar man gespannen aan, snapte niet helemaal wat er gebeurde en legde haar hand op zijn mond.
We zitten allebei fout. Jij ook sorry. En je hebt gelijk, ik moet goed nadenken. Over heel veel.
Duurt dat lang?
Nog zon acht maanden, schat.
Martijn staarde haar aan en ineens viel het kwartje.
Echt waar?
Ja, je snapt het goed.
Martijn stond nog bij te komen toen de deur openging en Fenna, met Bolletje in haar armen en slaperige oogjes, binnenkwam.
Zijn jullie weer vrienden?
Ze keken elkaar lachend aan.
Wauw, taart! Mag dat bij het ontbijt?
Vandaag wel! Martijn trok Sophie tegen zich aan en fluisterde: Ik hou van jou. Geef me een kans.
Jij ook van mij, fluisterde Sophie terug, terwijl ze naar Fenna lachte. Maar ongewassen meisjes krijgen geen taart.
Ik ga me snel wassen! Fenna zette Bolletje op een stoel. Twee stukjes graag, voor mij en Bolletje.
Beer eet geen taart.
Daarom moet ik hem helpen!
Jaren later wandelde Sophie met een kinderwagen door het park, haastig op weg naar Fennas basisschool. Kleine Diederik werd wakker, jammerde eventjes, waarop Martijn haar liefdevol omhelsde.
Laat maar, ik pak hem wel. Met Diederik op zijn arm wachtte hij op haar.
Sophie lachte en liep door. Fenna kreeg vanaf morgen zomervakantie. Tickets lagen al klaar, koffers waren gepakt en Diederik zou voor het eerst de zee zien. Ze dacht aan de afgelopen drie jaar aan hun pogingen om het samen weer goed te maken, haar maandenlange verblijf bij haar ouders met Fenna, de hulp van haar schoonmoeder Jannie, het vertrek en het overlijden van haar schoonmoeder, de geboorte van Diederik, zijn eerste stapjes, tandjes en het eerste woord.
Dat was niet mama, maar papa. Martijn was nog wekenlang trots.
Op Fennas eerste schooldag stond ze, heel serieus maar een klein beetje bang, met grote witte strikken in het haar. Even was Sophie zelf gespannen, maar Fenna deed wat er van haar verwacht werd, recht op het nieuwe leven af.
Mam!
Fen, hoe ging het?
Het beste van iedereen! Meester Jan zei dat ik en Marlies de beste leerlingen zijn.
Jullie zijn kanjers. Sophie knuffelde haar dochter.
Waar zijn papa en Diederik?
In het park op ons aan het wachten.
Fijn. En waar is Bolletje?
Waar zouden we zijn zonder Bolletje? Sophie lachte. Hij zit in de wagen.
Fenna slaakte een zucht van opluchting. Ze had haar lievelingsbeer aan haar broertje gegeven mooie dingen moet je delen met je dierbaren maar miste hem toch, al deed ze alsof het haar niets deed.
Terwijl ze toekeek hoe haar ouders voor haar uitliepen, ze Diederik van elkaar overnamen en vrolijk kibbelden, boog Fenna zich over de kinderwagen en fluisterde tegen Bolletje:
Denk jij dat alles nu goed is?
Bolletje keek haar aan met zijn grote ronde ogen en zweeg. Maar Fenna wist opeens zeker dat ze het antwoord gehoord had.






