Op de middelbare school werd ik voortdurend afgevaardigd naar allerlei olympiades. Op een dag trokken ze me mee naar de scheikunde-olympiade. Ik zag dat natuurlijk als een teken van erkenning voor mijn bijzondere intellect. Toen mijn moeder chemicus, met vóór haar huwelijk met mijn vader een deftige oud-adellijke achternaam daarvan hoorde, gedroeg ze zich prompt als een marktkoopvrouw. Normaal lacht zij als een heldin uit een Couperus-roman, maar nu morste ze haar thee en schaterde het hele huis bijeen.
Dat was overigens de eerste en laatste keer dat ik mijn moeder heb horen bulderen van het lachen. Al snel werd ik doorgestuurd naar de regionale olympiade natuurkunde. En daarna weer, en nóg eens. Toen begon ik te vermoeden dat de schooldirectie eigenlijk vooral mij structureel afl everde, zodat de rest van de school rustig les kon volgen.
Voor de biologie-olympiade mocht ik eens met gezelschap. Bij toeval trof ik Ties Kruithof als compagnon. Ook hij was even kundig in biologie als ik in staat ben een hert van een schildpad te onderscheiden op honderd meter afstand. Toen de biologiedocente hoorde wie onze school zou vertegenwoordigen, stond ze op het punt een glaasje water en een beschuitje te pakken en een protesthongerstaking te beginnen. Maar die zijn de hele dag weg! overtuigden haar volgens mij de rector en adjunct.
Met Ties werd ik in een immens lokaal gezet, tussen zestig onbekende collega-biologen. We kregen ieder een groot vel papier, uitklapbaar formaat. Op datzelfde moment gaf een vrouw achter het katheder een vurig motiverende speech. Op haar borst pronkte een glazen broche zo groot als een Friese doorloper. De boodschap: wij waren uitverkoren, de toekomst lag voor ons open, maar als we jetzt gingen spieken zouden we later nog dozen moeten sjouwen in de haven van Rotterdam al is daar uiteraard niks mis mee.
Ik keek wat om me heen en tikte de schouder van het meisje rechts van me aan. Zij bloosde en liet haar netjes opgemaakte wimpers zakken. Plots begon de hele zaal als bezetenen te schrijven. Ties schoof onrustig op zijn stoel:
– Ik snap er niks van. Wat moet ik eigenlijk doen?
Zelfs nu vermoedde hij niet dat er geschreven moest worden hij dacht dat we limonade kwamen drinken. Toen ik het blad bekeek, begon het me te dagen: op de mooiste, witte plekken hoorden antwoorden te staan. Dat legde ik onze bioloog-in-spé Ties uit. De vrouw met de broche vroeg me wat rustiger te doen.
– Maar waar staan dan de antwoorden? fluisterde Ties.
De vrouw met de broche vroeg terloops uit welke school deze twee fanatiekelingen kwamen. Eén die het politiebureau kent van binnen, laat zich niet zomaar pakken, dus zei ik van de 172e. Dat noteerde ze keurig, bij mij en bij Ties. Ze knabbelde even aan haar brilpoot en schreef weer wat in haar blocnote.
– Wij zijn toch van de 175e? sputterde Ties.
– Hou je mond, sufferd, fluisterde ik terug.
Ties gaf me een por, miste en schopte de stoel aan van het sproetige meisje voor me. Zij draaide zich als een uil om, concludeerde dat we eetbaar noch gevaarlijk waren, en vroeg vriendelijk of we voortaan wilden ophouden met schoppen. Die sproeten bleven me bij.
– Wat moet je nou? snauwde Ties haar toe. Ga zitten en doe rustig.
De vrouw maakte haar terechtwijzing nu af. Het meisje begon zachtjes te huilen. Om haar te troosten, moedigde de vrouw haar moederlijk aan vooral op zichzelf te vertrouwen Dan lukt het je vast! Vroeger konden leraren nog echt overtuigen: ze veegde haar tranen weg, en warempel, het ging opeens stukken beter bij haar.
Ik wist even niet waar ik het zoeken moest. De levensjaren van Linnaeus uit mn hoofd leren én ondertussen de oogopslag van het wimpermeisje vangen, was onbegonnen werk. Linnaeus, of de wimpers. Samen werd het een beeld van Linnaeus met kunstig gekrulde wimpers. Niet oké. Wie hij dan ook was, de combinatie leverde een soort nachtmerrie op.
– Hoeveel vissoorten leven er in het IJsselmeer? vroeg Ties plots, terloops.
– Negenhonderdtwaalf, zei ik.
– Echt waar?
– Daar maak ik geen grapjes over.
Mijn antwoord op de Linnaeus-vraag vatte ik zo samen dat het zelfs paste in een biografie van Annie M.G. Schmidt. Niemand zou mn wijsneuzerigheid doorhebben.
Ga je mee naar de film? schreef ik op een briefje, netjes opgevouwen, dat ik naar het wimpermeisje gooide. Het antwoord kwam snel: Ik heb al verkering, stond er in sierlijke letters. Vrouwen en nee zeggen… Fascinerend. Ik was helemáál niet van plan haar relatie stuk te maken ik wilde er gewoon eentje bij! Ik had al twee vriendinnen, die óók al vriendinnen waren. Hun vriendjes sliepen altijd prima. Alleen mn vader had er last van, want die moest euros blijven afgeven.
Is hij leuker dan ik?, vroeg ik op een volgend briefje. Ja, kreeg ik terug. Waarom zit hij dan niet bij de olympiade? Ze moest er even over nadenken dat snap ik.
– Je haalt het IJsselmeer toch niet door elkaar met de Waddenzee? siste de vrouw met de broche, toen ze voor de derde keer Ties tafel passeerde. Ze hoopte nota bene spiekbriefjes bij ons te vinden. Je moet tenminste ongeveer weten waar het over gaat om te kunnen spieken, maar bij ons viel niets te vinden.
Ties zat erbij als een agressieve peuter die om een medische diagnose smeekte. Maar dat was toevallig gewoon zijn dagelijks gezicht wist die vrouw veel.
– Waar heeft ze het over, over oceanen? siste Ties, terwijl hij me hinderde in het aanknopen van schoolromans. Er staat niemand iets over oceanen te vragen.
Wie is wie met Rutger Hauer? schreef ik op een briefje Nee! kwam terug, met een schetsje van een lachend gezicht met vlechten en flaporen erbij. Tja, die oren deden meer met me dan haar wimpers. Emojis van nu missen die magie. Ik stond op het punt verliefd te worden, tot Ties me weer afleidde.
– Even serieus: welk niveau kon-form van het eiwit keratine? Is keratine dan het antwoord? Klinkt als een Oezbeek. Eekhoorns hebben toch rood haar?
Ik knikte plechtig.
– s Winters grijs, vulde ik aan.
Ties schreef op: Rood. s Winters grijs. Hij paste zich naadloos aan ieder sociaal gesprek aan.
Het sproetige meisje fluisterde opeens naar me: Alfa-helix.
Waar? zei ik, terwijl ik om me heen keek.
Het conformatie-niveau: alfa-helix legde ze uit en keek weer weg.
Ik keek naar haar oren die waren ook indrukwekkend. Snel noteerde ik haar antwoord, trok een hoekje van mijn schrijfblad af en pende: Ga je mee naar de film? Ooit zou het moeten lukken
Prima, klonk het al snel op mijn tafelblad. Even later weer van rechts: Oké, dan maar.
Een merkwaardig existentiëel dilemma. Inmiddels worstelde ik met de vraag Hoe heet een baby-neushoorn? Niet makkelijk, als twee meisjes tegelijkertijd serieuze bedoelingen met je lijken te hebben. Neushoorntje? Neusje? Kalfje… Neus-Ties? Rechts wimpers, voor me sproeten. Ik schreef: Baby neushoorn.
Met sproetje hield ik het nog tot de winter vol tot de eekhoorns grijs werden dus. Meisje-met-wimpers kwam nooit opdagen bij de bioscoop. Typisch die vrouwen.
Ondertussen werd ik tweede op de biologie-olympiade en kreeg een fraai diploma. Maar het uitreiken duurde twee maanden zoeken, bellen, speuren Er bleek op de 172e school maar één leerling met mijn achternaam. Dat was een brugsmurf die, toen de rector vroeg hoe híj op de olympiade gekomen was, moest huilen en beloofde het nooit meer te doen. Uiteindelijk vonden ze mij ook.
Ik was de enige van die wetenschappelijke bijeenkomst die wist hoe je een baby-neushoorn heet. Tot nu toe heeft de wetenschap dat raadsel trouwens nog steeds niet opgelost, geloof ik En zo werd ik onderdeel van de academische wereld. Tot ik verpest raakte en eruit stapte, zoals u ziet.






