Mijn jeugd voelde als een rare, mistige droom vol kou. Eerst woonden we met zn vieren in een scheef huisje aan de rand van een weiland: ik, mijn moeder, vader en mijn jongere broertje. Mijn moeder, Jasmijn, was haar hele leven al ziek, net alsof ze bedekt was met een dunne sluier van mist die alleen haar kon kietelen. Haar ziekte groeide als onkruid, met ieder jaar werden haar klachten zichtbaarder; ze moest steeds vaker naar het ziekenhuis. Die aanvallen van haar ze leken wel op een vreemde donder, trillend tussen de muren van ons huis maakten mij en mijn broer bang, zo bang dat onze schaduwen s avonds groter werden. We waren te jong om het te snappen.
Op een dag veranderde alles. Mijn vader, Hendrik, werd moe van de grauwe sluier rondom mijn moeder. Alsof hij zichzelf op een fiets wist te zetten die steeds alleen maar verder de polder in reed, vond hij een andere vrouw en vertrok uit ons leven. Ineens voelde het huis leeg, op de tochtige wind na die door de brievenbus floot. Geen enkele volwassene bleef in de buurt, geen buur die zijn klompen uittrok om ons een handje te helpen. Ook onze spaarpot leek harder te huilen; het geld was snel op. Vanaf ons zevende moesten mijn broertje en ik zelf mijn moeder Jasmijn haar injecties geven de doktersjas droegen we zonder iets te begrijpen. Vader hield zich verborgen als een paling in het riet; we zagen of hoorden hem zelden.
Toen ik twaalf was, mijn broertje tien, werd alles nog troebeler. Jasmijn verdween voor maanden in het ziekenhuis. Vader kon zich niet langer verschuilen en haalde ons op. Moeder smeekte hem ons niet te vergeten. Dus belandden we op een boerderij midden in Noord-Holland, in het huis van onze stiefmoeder, een vrouw met de koude glimlach van een hagelwitte windmolen. Haar naam was Grietje precies zoals in een vreemd, oud sprookje.
Het was een dor en eindeloos landschap. Grietje zette mij en mijn broertje aan het werk alsof we kleine molenaars waren: schoffelen, melken, aanharken, dagenlang tot onze vingers de geur van aarde droegen. Geen minuut rust had onze dag. Schoot ik de school binnen een gammel gebouwtje waar drop werd uitgedeeld om te zwijgen dan was ik ademloos dankbaar: tussen de geschiedenisboeken leek het leven zacht. Mijn vader aanschouwde Grietjes wreedheid door zijn oogharen; zwijgend spoelde hij zijn geweten weg met extra kopjes koffie, alsof het onze lasten niet waren.
Dit duurde twee volle jaren, waarin de tijd traag droop als stroop. Tot een dag waarop alles draaide: Jasmijn kwam terug, gezonder dan ooit, en trok ons uit Grietjes boze handen. Ze verdween weer toen ik eenmaal naar de universiteit ging, haar naam een echo in lege gangen. Sindsdien sprak ik Hendrik nooit meer.
Misschien kan ik hem zijn koude onverschilligheid nooit vergeven. De pijn groeit hars in mijn keel, druipend, bitter. Mijn huwelijk, mijn kinderen hij bleef ver weg, werd niet uitgenodigd, zijn naam stug als een oude dijk. Laatst, op een marktplein in Haarlem, zag ik hem opeens staan tussen de bloemenkramen. Veel kleiner geworden, alsof de wind hem had uitgehold. Zijn stem kraakte, hij vertelde me dat hij ziek was, weinig tijd had, verontschuldigde zich. Maar ik draaide me om en verdween in het wirwar van tulpen. Ik wil leren vergeven, zelfs nu, maar hoe doe je dat in een droom waar ik iedere ochtend nog met een steen op mijn hart wakker word?






