Dagboek, dinsdagmorgen:
Onze poes Frits sliep vannacht weer met mijn vrouw Anneke. Hij kromde zich met zijn rug tegen haar aan en duwde mij met al zijn vier poten weg van het bed. Toen ik vanochtend wakker werd, keek hij me brutaal en spottend aan. Ik mompelde wat boze woorden, maar ik kon er weinig tegen doen. Hem noemt ze haar lieveling, haar lachebekje en zonnetje. Anneke lachte erom, maar ik vond het helemaal niet grappig.
Voor haar zonnetje wordt er een lekker visje gebakken. Daarna haalt Anneke zorgvuldig de graatjes eruit en stapelt de knapperige huid netjes naast de warme, sappige stukjes op zijn bordje. Frits kijkt mij dan aan met een arrogante glimlach, wat waarschijnlijk betekent:
Jij bent een loser, hier ben ik de echte baas.
Aan mij blijven de stukken vis over die Frits niet lust. Kortom, hij plaagt me waar hij maar kan. En ik wraak mezelf door hem stiekem van het bord met vis weg te duwen, of van de bank te schuiven. Het voelt als een kleine strijd de oorlog thuis.
Soms vind ik ‘s ochtends een onverwachte verrassing in mijn sloffen of schoenen. Anneke lacht steeds en zegt:
Je moet hem gewoon niet plagen. Terwijl ze haar zonnetje aait. Frits kijkt me van bovenaf minachtend aan. Ik zucht. Er valt weinig te zeggen, want Anneke is mijn enige en daar wil ik geen ruzie over. Dus slik ik het maar.
Maar deze ochtend…
Net toen ik naar mijn werk wilde vertrekken, hoorde ik Anneke in de gang plotseling gillen. Ik stormde naar haar toe en zag Frits, zes kilo pluizige, wilde haren en scherpe nagels, als een dolle stier op Anneke afvliegen. Toen hij mij zag, sprong hij op mijn borst en duwde me zo hard dat ik uit de gang viel en op de vloer belandde. Ik sprong op, greep een stoel als schild, trok Anneke aan haar arm mee naar de slaapkamer. Frits sprong en stootte met zijn poot tegen een stoel. Hij schreeuwde luid.
Het hield hem echter niet tegen. Hij bleef ons aanvallen tot de slaapkamerdeur achter ons dichtviel. We luisterden naar het sissen achter de deur. Daarna begonnen we onze talloze krassen met alcohol en jodium uit de EHBO-doos te behandelen. Anneke belde haar werk en vertelde dat onze kat compleet doorgedraaid was en dat we naar het ziekenhuis moesten in plaats van naar kantoor. Daarna belde ik mijn chef en gaf hem hetzelfde verhaal.
Plots begon het huis te schudden. De keukenramen sprongen en er klonken barsten in het glas van de badkamer. Mijn telefoon viel uit mijn handen. Er viel een vreemde stilte, zo oorverdovend. Anneke en ik vergaten Frits en renden naar de keuken om uit het raam te kijken.
Voor ons huis lag een enorme krater. Overal lagen stukken van auto’s verspreid. De kleine bestelwagen van onze buurman die op gas reed en gevuld was met gasflessen was waarschijnlijk ontploft. Op de parkeerplaats lagen autos omgekanteld, machteloos draaiend met hun wielen als schildpadden op hun rug. In de verte hoorde je sirenes van politie en ambulance.
Met stomverbaasde gezichten draaiden Anneke en ik ons tegelijk om naar Frits. Hij zat in een hoekje met zijn gebroken rechtervoorpootje tegen zijn borst aan en huilde zacht.
Anneke gilde en rende naar hem toe, tilde hem op en drukte hem aan haar hart. Ik viste snel de autosleutels uit mijn zak. We stormden naar beneden, namen geen lift, maar sprongen van trede naar trede zeven verdiepingen zonder een woord te zeggen.
Vergeef het me, slachtoffers van de explosie wij hadden onze eigen gewonde.
Onze auto stond gelukkig veilig achter het huis. We sprongen erin en reden zo hard als we konden naar de dierenarts. Ik voelde me vreselijk, met een hoofd vol katten die krabben op de melodie van Twee in het café, die toevallig door de radio klonk.
Een uur later kwam Anneke van de dierenarts met haar schat op de arm. Frits liet zijn ingezwachtelde poot zien aan iedereen die in de wachtkamer zat met hun huisdieren. Toen ze hoorden wat er gebeurd was, sprong iedereen op, aaide onze kat en liet troostende woorden achter.
Thuis begon Anneke meteen Frits favoriete vis te bakken. Ze haalde de graatjes eruit en stapelde de krokante huid weer netjes op zijn bordje. De rest kreeg ik. Frits strompelde op drie poten naar zijn bordje en keek me pijnlijk aan hij probeerde weer die minachtende blik, maar er zat nu alleen pijn in zijn snoet.
Ik was druk en haastig. Toen ik klaar was, legde ik mijn vis, graatvrij, bij hem op het bord.
Frits staarde me met stomme verbazing aan. Zachtjes trok hij zijn gebroken pootje dichter tegen zich aan en miauwde vragend.
Ik tilde hem op, bracht hem dicht bij mijn gezicht en zei:
Misschien ben ik wel een pechvogel. Maar met zo’n vrouw en zo’n kat ben ik de gelukkigste pechvogel ter wereld. En ik gaf hem een kus op zijn snuit.
Frits begon zacht te spinnen en duwde zijn grote kop tegen mijn wang. Ik zette hem neer. Hij trok een pijnlijk gezicht, maar begon van zijn vis te eten, terwijl Anneke en ik samen naar hem keken en glimlachten.
Sinds die dag slaapt Frits alleen nog met mij. Hij kijkt me in het gezicht en ik bid alleen nog tot God om één ding:
Dat ik nog veel jaren mag meemaken met Anneke en Frits naast mij.
En verder heb ik niets nodig.
Echt niet.
Dat is pas echt geluk.






