Toevallige melding
Mijn telefoon lag met het scherm naar beneden op het nachtkastje, net zoals altijd. Ik was eerlijk gezegd niet van plan m überhaupt aan te raken. Ik reikte gewoon naar mijn glas water, stootte met mijn hand langs het gladde plastic randje, en toen lichtte het scherm plotseling op, per ongeluk, zoals dingen soms boven water komen die liever verborgen waren gebleven.
Ik zag maar één regeltje. Eén zin, in een melding van WhatsApp.
Ik mis je ook. Vandaag was zo fijn. Je Anne.
Ik had het even niet door. Ik staarde naar die woorden, een seconde, twee, drie alsof het een andere taal was en ik tijd nodig had om te vertalen. Toen keek ik naar Jeroen, die rustig naast me lag te slapen, op zijn zij, gezicht naar de muur. Zijn schouder een beetje omhooggetrokken, ademhaling diep en gelijkmatig, zoals je dat alleen hebt als je nergens wakker van ligt.
Je Anne.
Anne. Anne Bakker. Vriendin. Diezelfde Anne die drie maanden geleden hielp het behang uit te zoeken voor de babykamer. Die misschien wel honderd keer met mij thee heeft gedronken in deze keuken. Die vorige week nog belde omdat ze geen fatsoenlijke vent kan vinden, dat ze het helemaal zat was, dat het allemaal dezelfde zijn en ze zo moe is van dat eeuwige alleen-zijn.
Rustig pakte ik mijn glas water, nam een slok. Zet m terug. Stapte uit bed, zo zacht dat geen plank kraakte. Ik liep de gang in, trok zachtjes de slaapkamerdeur dicht, liep naar de keuken en klikte alleen het lampje boven het fornuis aan. Niet het grote licht, dat is veel te fel, mijn ogen prikten toch al, hoewel dat niet echt door het licht kwam.
Ik ging aan de keukentafel zitten, gewoon staren naar het lege aanrechtblad.
Het was herfstnacht buiten, zoals altijd, de vage, vervaagde lichtjes aan de overkant van de binnenplaats. De waterkoker stond er nog, met water van gister. Ik zette m niet aan. Ik zat gewoon.
Vandaag was zo fijn.
Wanneer? Woensdag kwam hij pas half acht thuis, zei dat hij een late afspraak met klanten had, dat hij met hen gegeten had, dat hij doodop was en alleen nog wilde slapen. Ik warmde zijn eten op, hij at bijna niks. We keken samen tv, hij viel op de bank in slaap. Ik heb m zelf toegedekt. Zelf. Met mijn eigen handen.
Mijn vingers klemden zich om het tafelblad.
Pim lag te slapen in zijn kamer. Acht jaar, hij slaapt altijd diep, en soms zegt hij grappige dingen in zijn slaap, over autootjes of school. Morgen moest ik hem om negen uur naar voetbal brengen. Brood halen. Mijn moeder bellen, die ik alweer vier dagen niet gesproken had en nu vast zat te mokken.
Gewoon, het gewone leven. Je denkt dat je het snapt. Alles hangt aan die kleine dingen. Maar blijkbaar liep er onder dat leven de hele tijd nog een ander leven mee. Een parallel universum, met andere berichten, andere etentjes, een andere vrouw die zich je noemt.
Ik liep naar het raam. Op de vensterbank stond een geranium, die ik eigenlijk niet leuk vond maar toch bleef verzorgen, omdat mijn buurvrouw m ooit gaf. Hij hield dapper vol, een beetje stoffig, maar levend.
Ik keek lang naar dat plantje. Toen ging ik weer zitten aan de tafel.
Ik wist dat ik iets moest beslissen, of misschien moest ik juist niks beslissen, nog niet. Wat wijs was, kon ik niet zeggen. Alles in mij was stil, die vreemde stilte die vlak voor iets heel luidruchtigs hangt. Geen huilen, geen schreeuwen. Gewoon stilte, maar vlijmscherp.
Ik zat daar tot vier uur s nachts, deed niks. Keek alleen naar de ramen aan de overkant, hoe ze één voor één donker werden. Uiteindelijk zette ik toch de waterkoker aan. Ik maakte thee, dronk het niet op. Spoelde het kopje om. Terug naar bed, ging naast mijn man liggen, zonder hem aan te raken, starend naar het plafond.
Jeroen sliep.
Ik luisterde naar zijn ademhaling en dacht dat het me tot gisteren nooit was opgevallen het was gewoon een geluid dat erbij hoorde, net als de koelkast, of de autos in de straat. Nu begreep ik ineens, het klonk vreemd, alsof ik het voor het eerst hoorde in al die jaren, en het was niet te dragen.
De volgende ochtend stond ik als eerste op. Maakte Pim wakker, gaf hem pap waar hij met lange tanden at, want hij wilde gewoon een boterham met hagelslag. Ik maakte zon boterham. Veters gestrikt aan zijn sneakers hij kan het zelf nog niet snel, geen tijd ook. Pakte zijn hand en liep naar buiten.
Koud was het, natte stoeprook, herfstbladeren. Pim kletste over zijn rekenles van gister en dat de juf helemaal niet eerlijk was hij wíst zeker dat hij het goed had maar kreeg toch fout. Ik luisterde, knikte, gaf de juiste antwoorden, precies op de goede plekken. Dat heb ik jaren gedaan, op de automatische piloot.
We waren op tijd voor voetbal. Ik gaf hem over aan de trainer, keek even toe hoe hij zich aansloot bij zijn groepje, lachte, duwde, gewoon een jongetje met zijn rugtas. Toen weer naar buiten.
Daar, op een bankje voor de sporthal, haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Zocht Anne B. in mijn contacten. Keek naar die naam. Legde de telefoon weer weg.
Niet nu.
Nog niet.
Die eerste dagen dacht ik vaak terug. Wanneer was het begonnen? Draaide in mijn hoofd alles voor de geest, als oude fotos die je bekijkt op zoek naar een detail dat je eerder niet zag. Daar stonden we op Annes verjaardag in mei Jeroen lachte om een van haar grappen, en ik dacht nog: wat fijn dat mijn man zo goed met mijn vriendin omgaat niet iedereen heeft dat geluk. Of dat weekend dat Anne langskwam om te helpen met de gordijnen, dat zij met Jeroen in de keuken stonden te praten, terwijl ik Pim naar bed bracht. Waar ging het over? had ik gevraagd. Over haar werk, ze is toch interieurontwerper, ik vroeg naar haar kantoor, had hij gezegd. Ik knikte. Natuurlijk.
Natuurlijk.
Huilen deed ik niet. Dat verbaasde me. Ik wachtte op tranen, maar er kwam niks, alleen dorst en een knoop onder mijn ribben, koud en hard. Ik at, sliep, zorgde, belde mensen terug. Jeroen merkte niets. Zoals altijd was hij aardig, niet meer en niet minder. Vroeg hoe mijn dag was. Soms gaf hij me een zoen op mijn wang als hij weg ging. Ik bood vanzelf mijn wang aan.
Op dag vier belde Anne.
De telefoon trilde in mijn broekzak, ik zag het scherm, en mijn keel kneep zich dicht. Maar ik ademde uit, nam op met een zo normaal mogelijke stem.
Hey An.
Noortje! Waar ben jij? Ik stuurde je maandag nog een appje, niks terug!
Haar stem was zoals altijd. Warm, haast een beetje schuldig zoals het klinkt als iemand bang is dat jij boos bent. Precies die warmte, dat was nu het ergste.
Sorry, druk. Pim is wat verkouden, loog ik met het grootste gemak, en dat verbaasde me ook.
Oh jee, niks ernstigs toch?
Nee joh, beetje snot. Gaat alweer beter.
Jeetje, ik schrik al. Hee, zijn jullie zaterdag vrij? Zullen we samen iets doen? Echt te lang geleden.
Ik keek naar de muur voor me. Aan die muur een oude vakantiefoto, Jeroen en ik bij zee, zes jaar geleden, Pim was er nog niet. Allebei de haren door de wind, allebei lachen, een mooie foto.
Zaterdag wordt lastig, denk ik, zei ik. Maar ik bel je later deze week, goed?
Tuurlijk, tuurlijk. Gaat het wel met jou? Je stem klinkt vermoeid
Gewoon moe. Komt goed.
Echt zeker? Noortje, als er iets is?
Ik weet het, An. Dankje. Doei.
Ik hing op. Stond op. Pakte de foto van de muur, keek naar mijn lachende gezicht. Legde de foto in de lade van de commode en schoof hem dicht.
Die nacht heb ik eindelijk gehuild. Zachtjes in de badkamer, stromend water erbij om het te maskeren. Het was lelijk huilen, met gezwollen ogen en brandende keel. Ik huilde niet om Jeroen, niet om hem als man. Maar om het vertrouwen, om alle jaren, om mijn eigen naïviteit. Om het stomme geloof daarin. Om het feit dat Pim zal opgroeien in een gezin waarin zijn vader loog, en hij het misschien pas weet als het al te laat is.
Daarna waste ik mijn gezicht met koud water. Keek in de spiegel. Achtendertig jaar, niet jong, niet oud. Gewoon een gezicht, met rode ogen. Ik besefte dat ik morgen op mijn werk weer vrolijk moest zijn.
En nog iets: ik vond dat ze niet zomaar door mochten gaan waar ze waren gebleven. Je moet ze geen illusie geven dat jij je hoofd buigt en het gewoon laat gebeuren. Dat hun stiekeme leventje gewoon een verlengstuk is, een decor van jouw dagelijkse werkelijkheid en die van Pim. Nee.
Terug naar bed. Jeroen sliep. Ik lag erbij.
Er moest nagedacht worden.
De weken daarna leefde ik in twee lagen. Aan de buitenkant alles gewoon: eten koken, werken, Pim naar voetbal, gesprekken met Jeroen, soms zelfs lachen om zijn grappen ze waren nog steeds grappig, dat kun je jezelf niet verbieden. Soms betrapte ik mezelf erop dat ik gewoon vergat, dat ik even leefde en dat was nog erger: dat betekende immers dat het ook gewoon dóór kan, alsof alles nog klopt.
Vanbinnen was ik druk bezig, rustig en gestructureerd. Geen detective ingehuurd. Ik lette gewoon beter op. Hoe Jeroen steeds de telefoon pakt en in een andere kamer zit. Hoe hij soms grijnst om zijn scherm, ziet dat ik kijk, en m weglegt. Hoe hij zich steeds vaker “verslaapt” bij zogenaamde klanten, en weer niets eet van mijn eten.
Toen hij op een dag onder de douche stond, pakte ik zijn telefoon. Ik ken zijn code vier cijfers, Pim zijn geboortejaar, die heeft hij nooit aangepast. Ik vond de chat met Anne.
Ik scrolde snel. Niet alles gelezen, ik wilde alleen peilen hoe erg het was. Vijf minuten was genoeg. Het begon in juli. Drie maanden. Tijdens het schilderen van de kinderkamer, toen Pim naar groep vier ging, toen ik naar mijn moeders verjaardag was Jeroen bleef zogenaamd voor werk thuis. Ik had er nooit wat achter gezocht.
Ik legde zijn telefoon terug en liep naar de keuken. Stak het fornuis aan. Ging ui snijden voor de soep, netjes, blokjes alles onder controle.
Jeroen kwam uit de douche, badjas om, keek even in de keuken.
Ah, soep? Lekker, had trek!
Over een half uurtje is het klaar, zei ik.
Mijn stem klonk neutraal. Alles was neutraal.
Die nacht besloot ik dat er een etentje zou komen. Niet meteen en niet morgen. Ik had tijd nodig. Niet uit wraak, dat niet. Ik wilde ze allebei één keer samen zien, hier, in mijn huis, aan mijn tafel, en gewoon rustig zeggen wat ik moest zeggen. Geen drama, geen schreeuwpartij. Ik wist inmiddels dat dat alleen maar tegen jezelf werkt, zij gaan daarna samen weg en zeggen dat jij hysterisch bent.
Vrijdagavond belde ik Anne.
An, over zaterdag… je vroeg of we samen iets gingen doen? Kan je anders hiernaartoe? Dan maak ik iets lekkers, kan Jeroen er ook bij zijn. Is wel weer eens gezellig.
Een korte pauze, een paar seconden, niet meer.
Leuk. Hoe laat?
Zeven uur?
Ik ben er. Moet ik iets meenemen?
Hoeft niet.
Ik hing op. Ging de woonkamer in. Jeroen zat tv te kijken.
Anne komt zaterdag eten. Weer eens een fatsoenlijke avond met zn drieën.
Hij keek om, er flitste iets langs zijn gezicht niks te vangen, maar het was er even.
Prima, zei hij. Goed idee.
Vond ik ook, zei ik, en ging de keuken weer in.
Ze zouden elkaar vast direct appen daarna om af te spreken hoe ze zich moesten gedragen. Dat boeide me niet. Ik was niet van plan het voor Pims ogen te doen. Die zou toch bij mijn moeder slapen die avond. Rustig etentje.
De hele week had ik nagedacht over het menu. Het moest goed zijn, niet omdat ik indruk wilde maken maar omdat koken nou eenmaal helpt te denken. Het werd ovenschotel met kip, aardappels en rozemarijn, salade met rucola en peer (favoriet van Anne), en mijn beste appeltaart. Het hele huis moest gewoon goed voelen. Mooi tafelkleed, bloemen op tafel, geen kaarsen, dat vond ik net iets te veel.
Zaterdag bracht ik Pim al om twee uur naar mijn moeder. Waarom kijk je zo moe? vroeg ze weer, als altijd. Ik zei dat ik slecht geslapen had. Pim was alweer verdwenen naar de tv, ik kneep in zijn schouder, ging terug naar huis.
Het was stil thuis. Jeroen was even naar de supermarkt, kwam om drie uur terug met tassen. Wijn erbij, goede fles, dat zag ik.
Voor bij het eten, zei hij. Vind je goed?
Prima idee, antwoordde ik.
Hij deed wat nerveus, liep sneller dan normaal. Telkens zijn telefoon checken bij de koelkast. Ging daarna zogenaamd verdiept in de krant zitten, die hij anders nooit las.
Ik was bezig in de keuken. Kip wassen, aardappels snijden, salade maken. De geur van rozemarijn en knoflook was het enige warme in huis, zo voelde het. Ik zette het raam open, de herfstlucht kwam binnen.
Om zes uur was alles klaar. Drie borden, drie glazen. Geen kaarsen, maar wel netjes. Bloemen in een vaas.
Precies om zeven uur ging de bel.
Anne kwam in een nieuw donkerblauw mantel, keurig haar, bekende parfum. Ze had bonbons meegebracht in een mooi doosje, terwijl dat niet nodig was.
Noortje, wat ziet het er weer leuk uit bij jullie het ruikt heerlijk! zei ze op de drempel.
Kom binnen, ik ben echt blij dat je er bent, zei ik, en dat meende ik. Al was dat gevoel een beetje verwrongen ergens was ik daadwerkelijk opgelucht.
Jeroen kwam de kamer in, begroette Anne met drie zoenen, zoals het hoort. Gewoon normaal, beiden speelden hun aandeel alsof ze hun hele leven niet anders hadden gedaan.
We gingen zitten.
Het eerste halfuur was gewoon geklets. Anne over een lastig project bij een kantoor in Rotterdam, weer rare klanten die gouden handgrepen willen. Jeroen lachte om zijn eigen ‘immobiele’ opdrachtgevers. Ik schonk wijn in.
Het werd donker buiten, ik deed het lampje boven tafel aan. Het was knus en daardoor pijnlijk knus.
Pas bij het tweede glas wijn, net toen Anne haar vork in de salade prikte, zei ik het, gewoon kalm, zonder aanloop.
Ik moet iets vertellen. Luister allebei even, alsjeblieft.
Ze keken me allebei aan. Anne met haar vork omhoog, Jeroen met het glas half in zijn hand.
Ik weet het van jullie. Sinds juli. Jeroen, ik heb jullie chat gelezen. Ik weet alles wat ik moet weten.
Het was stil. Zo stil dat zelfs de klok op de koelkast hoorbaar was.
Jeroen als eerste, zijn stem vlak, ingeslikt.
Noor
Wacht even, zei ik. Ik ben hier niet om te schreeuwen. Ik wil gewoon dat jullie dit horen, nu jullie hier samen zitten. Ik wéét het. Dat is één.
Ik keek naar Anne. Zij keek heel gefocust naar het tafelkleed. Blozende wangen, vingers wit op haar vork.
An, jij was tientallen keren bij mij thuis. Je wist alles van ons. Als ik het moeilijk had, bleef jij slapen. Toen ik beviel van Pim bleef jij op de gang wachten tot hij geboren was. Ik zeg het je niet om je extra pijn te doen. Ik wilde alleen dat je weet dat ik het allemaal nog weet. Ik heb het niet vergeten.
Anne keek me eindelijk aan. Haar ogen vochtig en verloren.
Noor, het spijt me
Nee, stop maar even, zei ik zacht.
Toen keek ik naar Jeroen.
Twaalf jaar zijn we samen. Ik ga nu niet alles navlooien: wanneer het precies misging, waarom je dacht dat jij dit mocht. Dat is voor een ander gesprek, niet nu. Ik wilde alleen met jullie samen aan tafel zitten en zeggen dat ik het weet. Dat is het verschil jullie dachten dat ik het niet wist.
Jeroen zette zijn glas voorzichtig neer, als bang om het te breken.
Noor, het ligt ingewikkelder dan jij denkt. We moeten echt eens rustig praten, samen
Dat weet ik. Dat komt. Maar niet vandaag.
Ik stond op, pakte mijn glas wijn en dronk het leeg. Zette het neer.
Jullie kunnen de kip gewoon nog opeten. Ik heb mijn best gedaan. Daarna mogen jullie beiden gaan. Pim is bij mn moeder, blijft daar slapen. Ik heb nog genoeg te doen.
Ze bewogen zich niet.
Jeroen keek me aan, hij leek verward, alsof hij niet wist wat te doen nu ik niet ging schreeuwen. Anne zei ineens, haar stem kraakte:
Noor, echt het spijt me zó.
Ik keek haar lang aan. Dat bekende gezicht, vijftien jaar vriendschap. Haar oogmake-up begon te vlekken, en haar parfum rook ik, ooit zelf aangeraden.
Ik weet het niet, Anne, zei ik uiteindelijk. Misschien ooit. Maar niet nu.
Ik liep de kamer uit, naar de slaapkamer. Deur dicht. Ik hoorde ze in de keuken, stemmen gedempt, stoelen die schoven. De voordeur sloeg zacht dicht, toen nog een keer.
Stil.
Ik bleef zitten en luisterde. De geur van rozemarijn-kip en Annes parfum, beetje bij beetje verdampte het. Drie borden, eentje nauwelijks aangeraakt.
Ik weet niet hoe lang ik zo bleef zitten. Uiteindelijk ruimde ik alles op, restjes kip in folie, koelkast. Alles schoonmaken, tafel, kruimels.
Toen bleef ik gewoon op een keukenstoel zitten.
Dat was het dan. Wat blijft er over na twaalf jaar huwelijk en je beste vriendin? Een schone tafel en de geur van afwasmiddel.
Ik belde mijn moeder.
Mam, kan Pim tot zondag bij jou blijven?
Natuurlijk. Hij slaapt al. Noortje, is er iets?
Ja. Ik vertel je nog wel. Niet nu.
Kom je niet hierheen dan?
Nee, ik blijf even hier. Dat wil ik graag.
Mijn moeder drong niet aan. Ze voelde precies aan wanneer ze dat juist niet moest doen.
Je eet wel hè?
Ja, ik heb goed gekookt. De kip was gelukt.
Mooi dan, zei ze. En juist dat mooi dan deed het meeste pijn die avond.
Ik drukte haar weg en huilde. Geen badkamer of stromend water; gewoon voorovergebogen aan de keukentafel. Echt huilen, zolang tot het over was. Daarna snuiten, gezicht wassen boven de spoelbak.
Buiten lag Leiden, november, gewoon een zaterdagavond. Jeroen en Anne waren ergens op straat, of in een auto, misschien spraken ze elkaar. Wat ze elkaar zeiden wist ik niet, en heel eerlijk: het maakte me even niet uit.
Ik dacht niet vooruit. Niet over hoe nu verder. Vandaag was voldoende: ik had de avond overleefd, niet geschreeuwd, niet ingezakt, alleen uitgesproken wat ik moest zeggen.
Jeroen kwam om één uur s nachts thuis.
Ik lag wakker, hoorde zijn voetstappen, waterglas in de keuken. Hij bleef even bij de slaapkamerdeur staan, dat voelde ik.
Toen deed hij stil de deur open.
Je slaapt niet hè? zei hij. Geen vraag, een vaststelling.
Nee.
Hij kwam binnen, ging op de rand van zijn kant van het bed zitten. Even stil.
Noor, ik weet niet hoe ik moest beginnen.
Begin dan maar niet nu, zei ik. Ga maar slapen. Morgen praten we verder.
Wil je niet
Jeroen. Het is nacht. Ik ben moe. Morgen.
Hij kroop naast me. We lagen zwijgend naast elkaar, ieder aan de rand van het bed. Twee vreemden onder één deken, samengebracht door toeval of routine.
De ochtend daarna was ik vroeg op. Terwijl Jeroen nog sliep pakte ik een weekendtas. Niet meteen weggaan gewoon alles bij elkaar: paspoort, bankpas, kleren, foto van Pim van het nachtkastje.
Zet de tas bij de deur.
Maak koffie. Wacht tot Jeroen komt.
Hij ziet de tas, blijft staan.
Ga je weg?
Even bij mijn moeder. Samen met Pim. We moeten praten, Jeroen, maar ik wil nu eerst even apart zijn. Paar dagen.
Hij kijkt naar de tas, en naar mij.
Noor, mag ik het uitleggen?
Vertel.
Hij zwijgt. Ik neem een slok koffie, kijk hem aan.
Ik weet ook niet hoe het zo is gelopen. Was niet gepland
Niemand plant dit, Jeroen. Zo werkt dat niet.
Wil je scheiden?
Het woord viel zwaar tussen ons.
Ik weet het nog niet. Ik heb tijd nodig om te begrijpen wat ik wil. Maar ik weet wél dat ik nu niet hier kan blijven en doen alsof alles normaal is. Dat snap je toch?
Hij knikte, langzaam, alsof het nu pas echt landde.
En Pim
Pim redt zich. Dat is ons probleem, niet van hem. Daar let ik wel op.
Ik dronk het laatste restje koffie op, zette het kopje weg, pakte mijn tas.
Ik bel je wel.
En ik ging.
Het trappenhuis was koel, rook naar oud hout en iemand zijn tostis. Ik liep naar beneden en telde de treden zes verdiepingen, ik kende het aantal uit mn hoofd, maar vandaag telde ik net zo lang totdat ik buiten stond.
Frisse lucht sloeg me om de oren, natte herfstbladeren op de stoep, een man in een oranje hesje veegde ze bij elkaar. De lucht was grijs, typisch november. Maar ik stond daar en ademde diep, schuilde nergens voor.
Ik dacht aan Pim. Aan hoe hij straks wakker wordt bij oma, om pannenkoeken vraagt, ze krijgt, gewoon blij is. Hij weet van niks, en dat is goed. Acht jaar. Laat hem maar focussen op voetbal en een strenge juf. De rest verzin ik later wel.
Ik wist niet hoe het nu verder moest. Of er een scheiding komt, of wat dan ook. Of ik Anne ooit echt kan vergeven. Dat was het moeilijkste stuk, nog moeilijker dan Jeroen met een man, ja, soms loopt het stuk en dat is dan pijnlijk, maar wel te begrijpen. Maar met je vriendin, aan wie je alles vertelde? Dat kost tijd, waarvan ik nu niet weet hoeveel.
Maar voor nu stond ik daar, met mijn tas, in een grijs ochtendlicht waar ergens in een zijstraatje mijn zoon op borden pannenkoeken wachtte. Ik zette mijn voet op het pad en liep.
Gewoon, lopen.
Mijn moeder deed open zonder vragen. Ze zag mijn tas, keek naar mijn gezicht, begreep alles en zei alleen:
Ga je handen wassen, ik zet thee.
Pim kwam uit zijn kamer gestormd met zijn sokken scheef, slaperig.
Mama! Waarom ben je ineens hier? Je zei toch dat je niet kwam?
Ik miste je gewoon, zei ik, en kneep hem stevig vast, neus in zijn haar. Hij rook naar kindershampoo en slaap.
Je kietelt! giechelde hij en rende terug naar zijn tekenfilm.
Ik bleef even kijken.
In de keuken hoorde ik mijn moeder rommelen met kopjes. Kleine keuken, oude roosjes op het gordijn, magneten op de koelkast, eentje knutselde Pim ooit op de crèche. Heel gewoon allemaal het maakte me haast weer aan het huilen.
Maar ik deed het niet.
Mijn moeder zette thee voor me neer, ging tegenover me zitten.
Vertel je het nog?
Straks. Even landen.
Het is Jeroen?
Ja.
Ze knikte. Geen vragen. Kopje in de hand, even samen stil. Er klonk een lachend tekenfilmfiguur uit de kamer, Pim gegniffelde mee.
Mam, mag ik even bij jou blijven wonen?
Zo lang je wilt. De kamer is altijd van jou.
Meer hoefde zij niet te zeggen.
Daarna begon een leven zonder naam. Niet tijdelijk, niet nieuw gewoon een leven. Dag voor dag.
Met Jeroen sprak ik paar keer, serieuze gesprekken zonder geschreeuw. Hij had geen echte uitleg. Hij had spijt, dacht aan Pim, wist ook niet wat nu echt goed was.
Ik luisterde, praatte, vergaf niet, bestrafte niet.
Het regelen van de scheiding duurde maanden papieren, advocaten, waar Pim zou wonen, wat met het huis. Pijnlijk en vermoeiend, zoals dat soort dingen horen te zijn. Maar ik zette door.
Anne hield zich weken stil. Daarna stuurde ze één kort appje: Ik ben er als je wil praten. Ik las het, reageerde niet. Niet om haar te straffen, maar omdat ik niet wist wat te zeggen. Dat had tijd nodig.
Het was eind november toen ik Pim ophaalde van voetbal. Het sneeuwde zacht de eerste sneeuw. Pim dook het veld uit, gezicht omhoog, ving een vlok op zijn tong.
Sneeuw! Mama, kijk!
Ik keek omhoog. Sneeuwvlokken dwarrelden uit een vaalgrijze lucht als je lang kijkt lijkt het net andersom. De kou voelde ineens goed.
Ja, ik zie het.
Gaan we een sneeuwpop maken?
Als er genoeg ligt. Dit is nog te weinig.
Oh mamaaa
Kom, anders bevries je.
Hij pakte mijn hand in zijn want. Zijn hand was warm, het autootje erop stond stoer. Samen liepen we verder, en Pim bleef ratelen over een klasgenoot die sneeuwpoppen kan bouwen tot boven zijn hoofd.
Ik hield zijn hand stevig vast.
Het deed nog steeds pijn. Je komt er niet zomaar vanaf twaalf jaar verdwijnen niet in één november. Maar met de pijn kwam ook iets anders, iets als lucht. Zelf lopen, zelf sturen, zelf kiezen.
Wist ik of ik het goed deed? Ja, ik wist dat het het juiste was, maar of het ooit lichter zou voelen dat wist ik niet. Dat zijn twee verschillende dingen, leerde ik nu, voor het eerst echt.
Een week later vond ik een huurappartement in een wijk verderop. Een bescheiden tweekamerflat, vierde verdieping, uitzicht op groen. Een ouder echtpaar verhuurde het, relaxed, weinig woorden. Ik keek rond, stond in de lege kamers, luisterde naar de stilte. Kleine keuken, maar veel licht. Zicht op bomen vanuit Pims kamer.
Wil je hem huren? vroeg de eigenaar.
Ja, zei ik.
De verhuizing duurde één dag. Buurmannen van mijn moeder sjouwden wat spullen, Jeroen bracht Pims spullen zonder iets te zeggen, zette de dozen neer in de gang, keek om zich heen.
Goed appartement, zei hij.
Ja, zei ik.
Bij de deur draaide hij zich nog even om.
Noor, ik heb er echt spijt van.
Ik keek hem aan die man, die ik ooit zo goed kende. Hij oogde moe, ouder geworden, doodgewoon.
Ik weet het, Jeroen. Ga maar.
Hij liep weg.
Ik deed de deur dicht, bleef ertegen leunen.
Daarna pakte ik dozen uit.
Pim kwam die avond binnenstormen, meteen naar zijn kamer. Zag het uitzicht op de bomen, zei dat hij altijd op de vensterbank wilde liggen en naar de katten beneden kijken. Ik zei dat de vensterbank smal is. Maar ik ben klein, dat kan wel! Hij lachte.
Ik lachte mee, zonder dat ik dat van tevoren bedacht had. Pim keek verbaasd.
Wat is er?
Niks. Zin in eten? Ik heb kroketten gehaald!
Kroketten! riep hij alweer richting keuken.
Ik zette het licht aan, pan op het fornuis. In de keuken rook het naar vreemd huis, en een beetje naar vorige bewoners maar dat trekt wel bij als je gaat koken.
Het vet borrelde. Ik mikte de kroketten erin.
Pim zat aan tafel te tekenen; morgen moest hij een werkstuk maken, was ie vergeten. Gaan we dan nu echt sneeuwpoppen maken als het dikker ligt?
Beloofd.
Echt waar?
Echt waar.
Hij knikte en ging door met tekenen.
Buiten sneeuwde het nu stevig, zon echte decemberdeken. De stad werd stiller, witter, een beetje zachter met elke vlok.
Ik stond bij het fornuis, roerde in de pan. Dacht niet ergens specifiek aan. Gewoon roeren, luisteren hoe Pim voor zich uit mompelde, kijken naar de sneeuw.
Wat er morgen kwam wist ik niet.
Ik wist alleen: ik ga vroeg opstaan, Pim klaarmaken voor school, nog brood halen, mijn moeder bellen want ik had al drie dagen niet gebeld. Misschien die avond nog wat dozen uitpakken, of misschien ook niet. Ze lopen niet weg.
De pijn zal blijven, dat wist ik. Soms nachts, soms overdag, zomaar ineens. Een bepaalde geur, een stem aan de telefoon, ineens een herinnering uit die jaren iets goeds, iets echts, dat niet verdwijnt, omdat het er echt was. Het slijt niet vlug. Ik verwachtte dat trouwens ook niet.
Maar de kroketten waren klaar. Pim zat al verwachtingsvol te kijken.
Komt eraan, zei ik.






