Onder de jas: Hoe een oude, eenzame Amsterdammer met een klein pensioen en een ziek lijf een verla…

Onder de jas

Ouderschap en vermoeidheid hingen als mist, terwijl Egbert van den Berg, op leeftijd en wat verloren, zijn weg zocht door de smalle straten van Haarlem. De dokter in het ziekenhuis was bot geweest. Het is helder en weinig rooskleurig, meneer Van den Berg. Er valt niets meer te doen; slikt u wat vitamines. Maar wat verwacht u eigenlijk? Hoe oud bent u nou?

Vijf-en-zeventig. Egbert wist het heel goed. De dokter had natuurlijk gelijk. Vijf-en-zeventig is niet niks. Wie lang geleefd heeft, hoort bescheidener te zijn, ruimte te maken voor anderen. Geen wonderen meer te verlangen

Het leven was sober voor Egbert. De AOW was klein en de huur voor zijn kleine kamer viel zwaar. Zijn dochter, Marieke, had de flat verkocht geld was dringend nodig en beloofd een ander onderkomen te regelen. Zelfs een bescheiden studiootje. Maar ja de uitgaven waren veel te hoog, alles in het buitenland is zo duur, heel anders dan hier. Hier kun je rondkomen, zelfs als je het niet breed hebt.

Egbert struikelde bijna over een klein pupje. Grijzig, rillend, met gouden, dromerige kraaloogjes. Helemaal alleen, midden op de stoep.

Koud was het al, de herfstmist bewoog als melkglas langs de grachten. Het puppy dromde tegen hem aan, ongecoördineerd en hulpeloos, gouden ogen die fluisterden om een wonder.

Egbert wilde het hondje eigenlijk ontwijken. Waar moet ik met jou heen? murmelde hij. Ik ben oud. Vijf-en-zeventig. Mijn geld is zo weinig, mijn kamer nog kleiner en niet eens van mij.

En ik draag een last, mijn eigen ziekte. Mijn leven is klein, niet veel over. Waar moet ik jou toch onderbrengen?

Hij tilde het dier toch op en stak het onder zijn jas.

Warmte stijgt, bij hond en mens. Zo liepen ze naar huis, naar de kamer in het oude studentenhuis, waar niemand om je bekommert wie je mee naar binnen neemt, met wie je leeft

Egbert gaf het pupje soep met brood. En at zelf ook. Plots vond hij honger.

Daarna dweilde hij de plas van het slaperige diertje op. Samen sliepen ze op het krakende bankje. Net voor hij wegdoezelde stelde Egbert het pupje gerust: Je heet voortaan Rikkertje. Mooi Hollandse naam, toch? Meer kan ik niet beloven zelfs niet dat ik morgen wakker word

Maar Rikkertje groeide uit tot een vrolijke, kleine hondje. En werd bijna twintig jaar oud.

Egbert bleef Rikkertje trouw en leefde zelf ook nog bijna twintig jaar. Hun levens waren goed, want Egbert dacht niet meer aan zijn zorgen en ouderdom, maar aan voer en wandelingen voor Rikkertje. Een oude kennis belde hij op. Die vond een rustig baantje: het corrigeren van artikeltjes. Geen vetpot, maar toch broodnodig. En Marieke kocht uiteindelijk zijn kamer vrij, de kamer die hij al huurde. Toch gelukt uiteindelijk

Met Rikkertje moest hij naar buiten, naar het plantsoen waar de honden uitgelaten werden. Eerst dwong Egbert zich erheen, tegenstribbelend. Maar mettertijd leerde hij de andere hondenbaasjes kennen, hoorde hun verhalen, praatte mee haar eigen levensdroom.

Niemand weet hoeveel tijd je krijgt. Dat is niet te voorspellen.

Maar samen waren ze er bijna twintig jaar. Zelfs als je denkt dat de tijd opraakt en weinig overblijft geld, gezondheid, mogelijkheden kan het verrassend anders lopen. Leven is altijd klein en fragiel.

Maar vriendelijkheid verlengt het, vult het, geeft het betekenis. Je moet zorgen goed te doen, zelfs als het lijkt alsof de klok bijna stilstaat.

Rate article