Een droomachtig tuincomplex
Ergens in een klein dorpje nabij Amersfoort, langs de rivier de Eem, stond ons vakantiehuisje. Naast ons woonden Kees en Marjan, en daarnaastOma. Verder stonden er nog huisjes, maar die deden er nu even niet toe.
Kees had zeven jaar geleden het perceel gekocht. Meteen ging de bouw van startgraafmachines, Poolse arbeiders, grindlagen, heipalen, funderingen. Tussen mei en september verrees een heel erf: een groot huis, een waterput, een schuur, een garage, een sauna… Geen moment stilte! Kees was overalhij bond wapening, sjouwde balken, goot beton, legde kabels. De mensen in de polder zijn geduldig. Ze begrepen dat hij zich hier vestigde voor de lange termijn.
Behalve Oma.
Elke ochtend kwam de bus uit de stad aan. Eerste eruit? Oma. Altijd! Zo noemde iedereen haargeen andere naam. Ze rende naar haar huisje in een grijze regenjas, zwarte hoofddoek en versleten klompen. In haar handen een uitgezakte tas en een vijf-liter jerrycan met water. Uit de rivier dronken we niethet water stond stil, vol kroos in de zomer. Meesten haalden drinkwater uit de stad. Sommigen hadden een put, maar het water rook naar rotte eieren, of de put nu twintig of zestig meter diep was. Alleen goed voor de tuin.
Oma stormde haar erf op, en dan begon het geschreeuw.
De tractor stonk naar diesel. De heipalen maakten te veel lawaai. De Polen praatten te hard. Het huis van Kees gooide schaduw op haar aardbeien (hoewel alles netjes volgens de regels was gebouwd).
Kees negeerde het meestal. Maar soms, tijdens een rookpauze bij het hek, bromde hij:
“Oma, u bent als een horzel op een hete dag. Of u zuigt me leeg, of ik moet u doodmeppen.”
“Doe maar, vuile hond!” brulde Oma. “Ik steek je hele paleis in de fik! Denk je dat ik bang voor je ben?”
Na een paar jaar waren Kees en ik geen vrienden, maar wel goede bekenden. Hij bleek twee passies te hebben: Nederlandse rock… en tomaten.
Zijn kas was reusachtig. Hij wist álles over tomatennieuwe rassen, mest schemas, grond vervangen elk voorjaar. Lampen tegen de nachtvorst, vitrage tegen verbranding.
“Op het zuiden plant je ze en ze groeien vanzelf,” mopperde hij. “Hier in de polder? Moeilijk. S Ochtends de deur open, s avonds dicht. Bij regen alleen de lijzijde open. Altijd wat.”
En dan stond die kereleen keiharde projectleider volgens geruchtenzachtjes tegen zijn tomaten te praten. Als tegen kleine kinderen.
Oma haatte zijn muziek. Geen Doe Maar, geen Herman Brood, geen Boudewijn de Groot. Elke dag commentaar.
Kees kookte, maar reageerde niet. Sloeg dan een borrel achterover, zette de muziek uit en verdween.
Toen kwam de overstroming.
Wekenlang regen. De Eem zwol aan, sleepte hekken, hondenhokken, bomen mee. Mensen vluchtten. Geen bussen meer. Kees vertrok ooktot hij zich Oma herinnerde.
“Ga maar, klootzak! Ik blijf! Anders jatten ze alles!”
Een week later zakte het water. Kees kwam naar me toe, met een fles jenever.
“Luister… Mijn kas is nat. De deur stond open. Ik zweer dat ik m dichtliet toen ik weg moest.”
“Behalve Oma.”
“Behalve Oma,” herhaalde hij, naar haar huisje kijkend. “Maar dat kan niet. We haten elkaar.”
“Behalve Oma,” zei ik nog eens.
Toen Oma terugkwam, sjouwde ze emmers water. Haar pompje was weggespoeld.
Die nacht hoorde ik Kees timmeren.
“Buuf,” zei hij de volgende ochtend, “ik heb een leiding naar háár erf gelegd. Uit mijn put.”
Weken later nodigde hij me uit voor de eerste tomaten. En bbq.
“Wachten we op iemand?” vroeg ik.
Toen klopte het.
Daar stond Oma.
Maar andersnetjes gekamd, jurk met bloemetjes, sandalen, een sjaaltje. Zelfs een barnstenen ketting.
“Mag ik erbij?” glimlachte ze.
“Kom binnen, mevrouw De Vries!” zei Kees.
We dronken, aten, luisterden. Ze vertelde over haar jeugd in het weeshuis, haar man die jong stierf, haar leven op de spoorwegen.
“Kees,” zei ze later, “ga toch naar dat kuuroord met Marjan. Ik pas wel op je tomaten.”
“U hebt ze in de overstroming verzorgd, hè?” durfde ik te vragen.
Ze knipoogde. “Al dat werk… Zonde als ze doodgaan.”
Toen Kees terugkwam, speelde hij tussen 12 en 14 oude rocknummers.
Voor MEVROUW DE VRIES.






