Niets valt meer terug te draaien – het is zoals het is

Je kunt er nu niks meer aan doen

Tom stond bij het raam van zijn flat, met een blik waar de buurvrouw een vijfdaagse storm mee kon voorspellen, turend naar de vage lichten van een slaperig, regenachtig Amsterdam. De straat beneden leek zowaar verlaten: alleen een paar haastige fietsers met opgetrokken schouders sjeesden over het glimmende asfalt, terwijl trams hun lichtstrepen door de natte avond zaaiden. De klok aan de muur wees half éénen Tom werd met de minuut zenuwachtiger: Marloes was nog steeds niet thuis. Met zijn hand door het haar een beweging die hem vooral kalmer moest maken maar meer deed denken aan iemand die een wiskundig proefschrift probeerde op te lossen probeerde hij zijn gedachten te ordenen. Maar in zijn hoofd speelde de dag zich keer op keer af. Als een kapotte LP steeds weer dat korte gesprek met Marloes, vlak voordat ze vertrok…

Drie uur eerder.

In de woonkamer gonsde zacht wat gelach en het kenmerkend gebrom van mannen die net wat teveel bitterballen op hebben. Tom draaide zich om en wierp zijn vrienden een blik toe. Sjoerd, de oudste van het stel, hing wijdbeens in de fauteuil en keek hem grijnzend aan.

Nou, grote vriend, waar is je beeldschone metgezellin dan? vroeg Sjoerd met een opgetrokken wenkbrauw. We hangen hier al een halfuur, en het hoogtepunt van de avond is nog steeds je plastic cactus.

Tom liep naar de groep, starend naar de verzameling oud-klasgenoten op zijn bank en stoelen. Op de salontafel stonden Grolsch en Hertog Jan in slagorde opgesteld, tussen een schaal borrelnoten, blokjes oude kaas en, onvermijdelijk, plakjes leverworst. Alles was klaar voor een relaxte jongensavond behalve dat die zich niet echt aandiende.

Ze is moe, mompelde Tom, terwijl hij zijn best deed vooral rustig over te komen. Ze kwam van haar werk, wilde gewoon geen mensen.

Martijn, altijd scherp als een natte krant, liet zich nog verder in de bank zakken.

Moe? echoode hij, met een grijns. Ja hoor, klassieker. Misschien ben je haar gewoon te soft aan het behandelen, Tom. Een vrouw moet weten wie de baas is, gast.

Tom balde zijn vuisten onder de tafel die toon over Marloes kon hij moeilijk luchten of zien. Toch voelde hij ook dat iets hem vandaag dwarszat wat hij niet wilde toegeven. Hoe vaak had hij niet gevraagd of Marloes erbij wilde zijn met de mannen en elke keer had ze een smoesje klaar: druk, geen zin, iets anders aan haar hoofd. En juist nu, nu hij alles had voorbereid en hoopte haar eindelijk gewoon gezellig bij het stel te hebben, had ze zich opgesloten achter haar slaapkamerdeur, alsof zijn plannen geen drol waard waren.

Hij haalde diep adem, voelde zijn irritatie groeien, maar trachtte zijn gezicht in de plooi te houden. Wat ging er mis? Was hij té pushy geweest? Of was het gewoon een rotdag die voorbij zou trekken? Tom keek naar zijn vrienden, die vrolijk borrelden zonder hem, en voelde zich plotseling verdacht alleen.

Ik regel het wel, zei Tom stoer, terwijl hij opstond en richting de slaapkamer liep. Van binnen draaide zijn maag zich om niet van de leverworst maar hij hield zich groot. Die ongein van zijn vrienden, die schampere blikken; het was genoeg geweest. Hij zou laten zien wie hier de man was.

De slaapkamerdeur zat op slot. Tom bonkte ertegen aan, beslist. Marloes, kom op, iedereen wacht op je. Geen kindergezeur nou!

Een stilte, toen een zachte, vermoeide stem.

Tom, echt, ik ben doodop. Kan dit de volgende keer? Echt, alsjeblieft?

Zijn irritatie kookte op. Hij sprak zo rustig als hij kon, maar zijn stem was toch pinantjes snediger dan gepland.

Geen volgende keer! Open die deur nu gewoon!

Weer stil. Tom overwoog even de reservesleutel, maar hoorde toen het slot klikken. Marloes opende een kier: ze zag eruit alsof ze een dubbele dienst bij de Spoedeisende Hulp had gedraaid bleker dan de gracht s winters, wallen tot haar kin, haar in een soort knot die vooral praktisch was.

Ik kan niet. Haar stem was amper hoorbaar. Mijn hoofd zit vol werk en gezeur vandaag Ik wil alleen maar liggen, niks, gewoon even niks hoeven. Doe je borrel maar zonder mij, oké?

Tom beet op zijn lip. Natuurlijk, hij had medelijden, maar gevoelsmatig wurgde de frustratie hem. In zijn hoofd speelde slechts één gedachte: kon ze hem niet eens één keer, gewoon één keer, steunen als hij dat vroeg?

Dus ik mag voor gek staan voor mijn vrienden? Zijn stem versprak een dosis chagrijn die niemand kon ontgaan. Ze zitten me al te sarren dat ik onder de plak zit. Kom nou gewoon even, halfuurtje, dan mag je weer instorten in bed.

Sorry Tom, maar ik ga mezelf niet opofferen om jouw ego te redden, Marloes probeerde glimlachend dapper te zijn. Na een korte pauze vervolgde ze: Had dan een zaterdag gekozen of me gewaarschuwd, joh! In plaats van dat ik thuiskom, doodop, en meteen struikel over een stel lallende brommers in mijn eigen huis.

Iets knapte. Tom deed een stap richting haar, pakte haar vaster dan netjes was bij haar arm en trok haar naar de deur. Marloes voelde direct aan dat zijn geduld op was en probeerde zich los te rukken.

Laat me los! klonk ze fel.

Heel even haperde Tom, toen pakte hij haar rond haar middel en tilde haar, niet al te galant, richting woonkamer. Marloes was duidelijk not amused. Doe eens normaal, Tom! Wat ben je nou aan t doen?

Even zitten. Daarna mag je terug je bed in, siste hij, gehaast, alsof hij daarmee haar verzet kon weg masseren. Waarom maakte ze het hem zo moeilijk?

Maar Marloes gaf zich niet gewonnen ze deelde onverwacht een goeie por in zijn zij uit. Tom kreunde, schoot los en Marloes schoot pijlsnel de slaapkamer weer in, deur bijna op slot…

Toch was Tom sneller hij greep haar bij haar schouder, grof uit frustratie. Doe nou eens normaal! schreeuwde hij wanhopig. Maar Marloes blik was vuur en tranen tegelijk.

Blijf van me af! Schreeuwde ze, haar stem trillend van woede en verdriet.

In een opwelling sloeg hij haar, zacht, meer uit reflex dan kwaadaardigheid. Toch was het te veel Marloes verstijfde, keek hem verbijsterd aan en zonder een woord te zeggen griste haar jas van de kapstok. De voordeur was binnen een seconde achter haar dicht gesmeten, de stilte die overbleef drukte harder dan welk verwijt dan ook.

De vrienden hadden vanuit de woonkamer het toneelstuk met open mond gadegeslagen. Sjoerd kuchte en verbrak de ijskoude stilte:

Eh misschien even sorry zeggen?

Tom haalde zijn schouders op, ogen naar de grond, bijna hoorbaar mokkend:

Ze komt vanzelf terug. Even afkoelen.

Maar Marloes kwam niet terug.

Na ruim een uur werd Tom toch onrustig. Hij pakte zijn mobiele telefoon, belde, kreeg alleen de voicemail (Hallo, hier Marloes! klonk boos opgewekt), stuurde haar berichten: Waar ben je?, Kunnen we praten?, Ik maak me zorgen. Geen reactie. En toen, plotseling geblokkeerd.

Hij belde een paar van haar vriendinnen. Niemand wist iets. Behalve Cecile, haar studievriendin, die wel erg koel bleef aan de lijn:

Als zij wegrent, heeft ze daar ongetwijfeld een goeie reden voor. Misschien moet jij vooral even heel goed nadenken, Tom.

Daar zat hij dan, handen trillend, hoofd vol vragen waar geen antwoord op bestond.

Rond twaalf uur liet Tom zijn vrienden in het appartement achter en slenterde de novembernacht in. Fietsen spoten voorbij, trams snerpten langs, maar Tom zag vooral reflecterende grachten en oranje lantaarns. En Marloes, natuurlijk, telkens weer: het meisje dat hij meer dan wat ook had willen begrijpen.

Ze hadden elkaar leren kennen in een klein café vlak bij zijn werk, vlak na werktijd. Tom bestelde een koffie, Marloes zat naast hem met haar neus in een detective. Hij vroeg naar het boek, zij vertelde precies dat boek dat hij als tiener aan flarden had gelezen. Binnen no time waren ze verwikkeld in literaire discussie, spraken af, werden dolverliefd, en binnen een maand deelde Marloes zijn te kleine huisje.

Aanvankelijk was alles vreugdevol avonden samen met foute Nederlandse series, gezelschapsspelletjes, Marloes brownies die telkens weer te nat waren (maar met liefde werden opgegeten). Maar met de tijd kwamen de verschillen. Tom hield van rumoer: vrienden, biertjes, voetbal op groot scherm. Marloes wilde juist rust, koken, praten, kaarsen aan gewoon, samen zijn. Voor haar zelf bepalen hoe de avond liep was belangrijk. Maar Tom dacht: we zijn samen, dus we doen samen. En dat was nou net het probleem.

Staand bij een lantaarn overdacht hij zijn gedrag: Was hij echt zon commandant geworden? Je moet! in plaats van Zullen we samen…? Ze moest vast gedacht hebben dat ze niet haar eigen leven had.

*****************************

De volgende dag probeerde Tom weer te bellen. Tevergeefs. Toen klopte hij uiteindelijk, als een boze tiener, bij haar moeder aan een rijtjeshuis in Diemen, tuin vol blauwe regen.

Mevrouw Oosterhuis, altijd vriendelijk, keek hem nu aan met een strengheid waar heel VvE Diemen van sidderde.

Tom? zei ze, koel. Wat doe jij hier?

Eh, hallo, ik… is Marloes hier misschien?

Nee, zei haar moeder, beslist. Maar al was ze hier, dan had ik het niet gezegd.

Tom voelde de irritatie opnieuw opborrelen, maar probeerde volwassen te klinken:

Maar waarom? Wat deed ik dan zo verkeerd?

Mevrouw Oosterhuis zuchtte (zoals alleen een moeder dat kan), schuifelde de keuken in en wees dat hij moest zitten. Het rook naar versgebakken appeltaart wrang vertrouwd inmiddels.

Tom, je bent geen slechte jongen. Maar Marloes is geen meubelstuk. Ze heeft gevoel, ze is moe, en ze heeft recht op rust.

Tom wilde sputteren, maar slikte.

Ze liep gewoon weg! Zonder uitleg.

Heb je haar die kans gegeven? vroeg mevrouw Oosterhuis vriendelijk, maar dwingend. Of ben je maar door blijven duwen?

Hij keek naar zijn knokkels. Gisteravond kwam terug; hij had haar vastgepakt, geschreeuwd. Zelfs een klets uit frustratie

Ze belde me huilend op, gisteren, vervolgde haar moeder na een paar seconden stilte. Vertelde wat jij deed. Hoe kun je zoiets doen, Tom?

Hij schudde zijn hoofd, schaamte gutste uit zijn poriën.

Het spijt me Ik snap nu dat ik fout zat.

Sorry zeggen is stap één, maar het maakt haar pijn niet ongedaan. Eerst nadenken voor je weer praat, Tom, zei ze nuchter.

*****************************

s Avonds zat Tom op hun favoriete bankje in het park. Gele bladeren plakten aan zijn schoenen, de lucht rook naar regen en modder. Hij dacht aan vroeger toen ze eindeloos hand in hand rondliepen, discussies voerden over of Gouda of Edammer de betere kaas was.

En toen zag hij haar. Marloes. Ineengedoken in haar jas, sjaal om haar hals gewikkeld alsof ze in Lapland woonde. Tom stond op, zenuwen in zijn knie, stem zacht:

Marloes…

Ze keek op, ogen moe, stem nog matter:

Wat wil je, Tom? Ik heb even geen puf voor jou.

Tom had zich van tevoren duizend keer voorgenomen wat hij zou zeggen, over spijt en alles goedmaken. Maar nu ratelden de grappen van zijn vrienden door zijn hoofd: Wat doet ie nou, onder de plak zeker? En die oude ergernis stak meteen weer de kop op.

Dus je loopt zo weg? Laat mij als een sukkel achter voor mn vrienden?

Marloes snoof, bleef hem aankijken. Dat was niet mijn intentie. Maar, Tom, luister dan…

Nee, jíj besloot dat jij wel mocht bepalen! en nu lachen ze me allemaal uit!

Moet ik mijn hoofd om jouw gevoelens maken, op een dag dat ik letterlijk gevloerd was door werk? Jij vroeg niet één keer hoe het met me ging. Je besloot vooral dat jíj gelijk had.

En mijn kant dan? Is die niet belangrijk soms? besloot Tom, bits.

Ik was kapot. Kapot, Tom! Ik wilde een kwartiertje stilte. Toen pakte jij me vast, dreef je je zin door en, eerlijk, daarna sloeg je me. Snap je dat?

Tom zweeg. Plots zag hij alles scherp: Marloes die trillend haar jas pakte, haar blik na die klap.

Dus nu? vroeg Marloes zacht, schouders omlaag. Moet ik bang zijn voor een uitbrander? Of blijf je proberen mij te veranderen?

Hij zocht naar woorden, maar iedere zin klonk flut en leeg. De moed ontbrak hem.

Weet je… zei ze, hoofd naar beneden, ik dacht dat je me zou troosten. Dat je zou zien dat het niet goed ging. Maar je dacht alleen maar aan jezelf.

Maar ik… probeerde Tom.

Nee Tom. Genoeg. Ik ben klaar.

Ze liep weg, langzaam, haar schoenen vechtend met de natte bladeren. Tom stond als versteend, terwijl de avond zich als een koude deken over hem legde. Om hem heen fietste de stad door, trams rinkten, mensen lachten, maar in zijn oren weerklonk alleen zijn eigen gejaagde ademhaling.

Hij had niet alleen een vriendin, maar een warm mens verloren, iemand die hem steunde, van hem hield en alles omdat hij verstrikt was geraakt in zijn eigen ego. Nu was het stil. Onherroepelijk stil. Want sommige dingen kun je gewoon niet meer anders doen.

Rate article