Nacht aan de Rand van het Onbekende

Hoi, luister even, ik wil je even meenemen door mijn nachtdienst gisteravond. Ik had net mijn donkerblauwe jas uitgetrokken, de kastje dichtgedaan en de slotje geklikt. In de omkleedruimte rook het naar goedkoop wasmiddel en bleekmiddel uit de naastgelegen wc. De dienst begon om negen uur s avonds, maar ik kwam wat eerder om nog even rustig om te kleden en een slok van mijn sterke zwarte thee uit de thermoskan te nemen. Het bittere nasmaakje zei: dit wordt een lange nacht. Ik trok de witte blouse onder mijn jas, stopte een paar rubberen handschoenen in mijn zak en stapte de gang van de intensivecare‐afdeling in.

De gang was zwak verlicht, alleen het zachte geruis van de stappen van een schoonmaakster die een lege karretje duwt. Achter het lange raam zag je de late herfstduisternis: een paar lantaarns verlichtten de bevroren korrels sneeuw op de binnenplaats. Ik knikte naar de dagdienstverpleegster, die me een map met de patiëntopdrachten, de contactgegevens van de oncall anesthesist en een oude pieper gaf. Drie zware patiënten voor de nacht, allemaal kritieke zorg: bloeddruk meten, infusen controleren, de longen luisteren en vooral zorgen dat niemand uit de hand loopt.

In kamer 6 lag Andries Jansen, 78 jaar, eindstadium maagkanker, een opioïdpomp en een gezicht dat eruitzag als was. De monitor liet een trillende hartslag zien, de saturatie schommelde rond de 84%. Ik bevochtigde zijn lippen, richtte het kussen recht en checkte de tijd voor de volgende morfinedosis de pijn moet ook s nachts onder controle blijven. Zijn ademhaling werd wat rustiger, maar er klonk nog steeds een schelle fluit tussen de ribben.

Door de volgende deur flikkerde het cardiomonitor van een jonge man, Niek de Vries, 25, na een autoongeluk. Hij had een gebroken bekken, een kneuzing van de long en interne fixatie. De katheter was aangesloten op een drainage, er stonden kolloïden op de standaard. Ik keek of de urineopvang niet vol was en hoorde een fluisterende stem:

Hoe lang moet ik hier nog blijven?

Nog een dag, alles volgens plan, gewoon rustig blijven ademen antwoordde ik kalm. Hij sloot zijn ogen, en ik ging door naar de volgende patiënt.

Marloes de Groot, 43, had net een zelfmoordpoging achter de rug; een doosje slaapmedicatie en diepe wanhoop. Haar maag was gespoeld, haar bewustzijn troebel, en er waren verse roze bandjes om haar polsen. Ze kronkelde onder het dekentje, probeerde het los te trekken.

Marloes, ik ben hier. Het is nu droog in je mond, laten we even je lippen bevochtigen zei ik terwijl ik een wattenbolletje met water aanreikte. Haar glazen blik bleef op het plafond gericht: hoeveel pijn moet je voelen om die pillen te nemen, dacht ik even.

Om half drie uur s nachts begon ik met de eerste notities: temperatuur, bloeddruk, infusiesnelheid. Uit de kamer van de oude man kwam een steeds harder hoesten. Ik tilde het hoofdeinde, zette een aspirator aan en gaf hem een zuurstofmasker. De piepende adem werd zwakker, maar zijn vingers bleven koud en blauwachtig.

Nog geen minuut was ik weg, toen het monitor van Niek een alarm gaf: saturatie 79, de bloeddruk daalde. Hij lag op zijn zij en had de zuurstofslang uitgehold; de drainage trok, waardoor er een donker vlekje op het laken kwam. Ik zette hem weer recht, drukte een gaasje tegen de lekkage, verving de fles oplossing en stelde de nieuwe parameters in. De gang voelde als een slapende corridor.

Rond middernacht zat ik nog steeds bij Marloes dossier; ze had twee kinderen, een scheiding in augustus, geen eerdere pogingen. Ze vroeg om naar het toilet en begon stilletjes te huilen. Ik hielp haar, gaf diazepam en dimde het licht. De diepe fase van de dienst begon gedachten sleepten, benen voelden als lood.

Om één uur s nachts begon de verwarming zacht te zoemen en vormde zich rijp op het raamkozijn. Ik liep opnieuw door de oudeman trauma zelfmoord ronde: verving de urineopvang, smeerde de lippen in, controleerde de doseringen. De oncall arts kwam even langs, keek naar de grafieken en vertrok weer: een beroerte op een andere verdieping. De wereld draaide op groene lijnen van de monitoren en een laatste slok afgekoelde thee.

03:42. Tegelijkertijd: een hese kreet van Marloes, een VTACalarm bij Niek, een langgerekt kreun van de oude man. Ik drukte de algemene alarmknop, de pieper ging af. De tijd leek te krimpen tot een smalle spleet waarin je drie levens tegelijk moet doorprikken.

Bij Niek zag ik een hartslag van 140 en een dalende bloeddruk. Een cardioversie hield ik nog in de reserve, maar ik besloot eerst medicatie te proberen. In de gang viel een ladekast om: Marloes had haar beugel losgerukt. De oude man hoestte minder vaak. Ik drukte de rode noodknop, het licht flitste over de afdeling en, met de sleutelkaart van de medicijnkast in mijn hand, besefte ik dat er geen weg terug was naar de rust van tevoren.

Het alarm bleef knipperen toen twee van het reanimatieteam een anesthesist en een verpleegkundige met een koffertje bij mijn post aankwamen. Ik gaf snel een samenvatting en volgde hen naar Niek, al terwijl ik een dop met dopamine pakte.

Binnen danste het monitor in roodgroen, maar het ritme bleef nog redelijk. Terwijl de verpleegkundige een extra katheter legde, drukte ik een gaasje tegen de lekkage en gaf de arts een spuit. 150 op 40, rapporteerde ik. Een minuut later waren de lijnen op het scherm weer gelijk. De jongen zou het redden.

De pieper trilde: de schoonmaakster kreeg de hand niet meer rond Marloes. Ik gaf de observatie aan de verpleegkundige en sprintte naar de derde kamer. De vrouw stond blootsvoets bij het raam, haar handen om een fles fysiologisch zout geklemd.

Marloes, kijk me aan. Hier ben je veilig, niemand veroordeelt je zei ik zacht, stapte langzaam dichterbij. De plastic fles viel op de linoleumvloer, Marloes barstte in tranen. Ik hielp haar gaan liggen, legde nieuwe zachte verbanden aan, gaf een minimale dosis diazepam en belde de oncall psychiater: een beoordeling in de ochtend en voortdurende observatie.

Pas daarna keerde ik terug naar Andries. De piepende adem werd zwaarder, de saturatie zakte tot 63. De morfine werkte nog, maar de frons tussen zijn wenkbrauwen sprak van pijn. Ik gaf een extra bolus, ging op een krukje zitten en voelde zijn koude hand. De sirene in de gang was al stil, slechts een zacht gefluister van commandos, en hier was bijna stilte. Hij nam twee korte, onderbroken inademingen en ging dan stil. Tijd van overlijden: 04:05. Ik sloot de zuurstof af en trok het laken onder zijn kin.

De verpleegkundige kwam binnen, hielp de apparatuur uit te schakelen en ging papieren invullen. Patiënt gered, patiënt behouden, patiënt vertrokken zonder kreet, dacht ik stilletjes.

Om vijf uur brak het bleke ochtendlicht door het troebele glas. Ik verzamelde de gebruikte handschoenen, spoelde Nieks drainage, verving het laken met het opgedroogde bloed. Hij ademde rustiger.

Stabiliteit. s Ochtends maken we een röntgenfoto en, als alles zo blijft, verplaatsen we hem naar de algemene afdeling zei ik. Hij knikte net even.

Marloes ademhaling was nu gelijkmatig. Ik zette een uitschuifbare stoel naast haar bed de schoonmaakster blijft hier draaien. In het dossier noteerde ik: Risico op herhaald zelfbeschadiging hoog, 24uur observatie, psycholoog consult, veiligheidsplan.

Om half zeven kwam de oncall arts opnieuw, dit keer zonder haast. Ik gaf hem een mondeling verslag en overhandigde het procedurelogboek. Hij keek even naar de sterftetijd, knikte en ondertekende.

Om acht uur kwamen de dagdienstverpleegster en de huishoudelijke assistent. Ik liet de nieuwe verbanden bij Niek zien, het analgesieschema, de observatieprocedure voor Marloes. Daarna ruimden we de kamer van de oude man, sloten zijn ogen en maakten het lichaam klaar voor transport.

In het computersysteem tikte ik met trillende vingers: Marloes de Groot helder bewust, negatieve gedachten ontkend; Niek de Vries hemodynamiek gestabiliseerd; Andries Jansen overlijden, pijn onder controle. Aan het eind schreef ik: Verplegingsobservatie volledig gewaarborgd en klikte op Opslaan.

In de omkleedruimte rook nog steeds dat wasmiddel, maar nu hoor ik ochtendgesprekken. Ik hang mijn jas netjes op, zet de pieper op opladen een lange piep klinkt als afscheid.

Buiten ligt een dun laagje sneeuw in de kouw tussen de stoepen. Ik haal diep de koude lucht in, voel de stoom uit mijn longen en glimlach. In mijn zak ritselt een extra theezakje voor de volgende dienst. Autos rijden langs, en ik gun mezelf een halve minuut rust voordat ik naar de bushalte loop. De nacht is voorbij, en ik heb het toch volgehouden.

Rate article