Mijn naam is Elias. Al twintig jaar werk ik bij de bagageafhandeling en gevonden voorwerpen balie op Amsterdam Centraal. Het is er altijd luidruchtig en chaotisch

Hoi, ik ben Elias. Al twintig jaar werk ik bij de bagageafhandeling en gevonden voorwerpen op Amsterdam Centraal. Je kent het wel: de hectiek, mensen die zich haasten, omroepberichten die over elkaar heen schallen, de geur van koffie en verse stroopwafels die overal doorheen waait.

Maar weet je op wie ik let? De Aanleggers. Dat zijn de mensen die nergens heen gaan. Ze hangen op de banken, met drie of vier volle canvas tassen en koffers. Ze slepen heel hun hebben en houden mee naar het toilet en naar het broodjeszaakje. Sommigen zijn dakloos, anderen zitten gewoon ergens tussen in. Alles wat ze bezitten dragen ze bij zich. Solliciteren krijgt geen kans, want als je bij een gesprek aankomt met een slaapzak onder je arm, weet je werkgever genoeg. Een woning huren lukt ook niet, want waar laat je al je spullen tijdens een bezichtiging? De kluisjes op het station kosten tegenwoordig 15 euro per dag. Ja, dat kun je net zo goed duizend euro noemen: onhaalbaar.

Afgelopen winter dook er ineens een jonge vent op, Marcus heette hij. Netjes onderhouden, frisgeschoren, overhemd zonder vlekken, maar hij sleepte twee enorme koffers en nog een rugzak mee. Elke dag zat hij vlak bij mijn balie, helemaal vastgelopen. Op een dinsdag kwam hij naar me toe. Ik heb om twee uur een sollicitatiegesprek in de havenwijk, zei hij zenuwachtig, maar ik kan dit niet allemaal meeslepen. Hij schopte tegen zijn koffer. Laat ik het hier staan, wordt het gejat. Neem ik het mee, dan zien ze meteen dat ik geen huis heb en word ik nooit aangenomen.

Ik keek naar onze opslagruimte voor gevonden voorwerpen. Die plek is eigenlijk bedoeld voor verdwaalde paraplus en jasjes die nooit worden opgehaald. Geef die bagage maar aan mij, zei ik. Wat? vroeg hij ongelovig. Ik registreer t als gevonden nog geen eigenaar. Dan heb je 24 uur. Ga naar je sollicitatie. Kom terug voor het einde van mijn dienst.

Hij keek alsof ik hem een gratis appartement had aangeboden. Hij schoof al zijn koffers naar me toe, kwam rechtop te staanik zweer je, hij leek ineens tien centimeter langer zonder dat gewicht. En hij stoof de deur uit. Om vijf uur kwam hij terug, helemaal stralend. Ik mag op tweede gesprek komen, zei hij trots.

Daarna begon ik het voor meer mensen te doen. Ik kreeg er zelfs een soort systeem in. Als ik iemand zag klooien bij het toiletraampje met te veel tassen, gaf ik een seintje: Even taggen? fluisterde ik dan. Alles noteerde ik in een speciaal notitieboekje, mijn Aanleggers-Logboek. Het was niet echt opslag, ik bewaarde gewoon hun bagage, zodat zij even vrij konden zijn.

Na een paar maanden had mijn leidinggevende, meneer Van Dijk, mij door toen hij zes koffers vond die volgens het boekje niet in opslag thuishoorden. Elias, dit is wel een illegaal opslagbedrijf hé? snauwde hij. Dit is een risico! Nee, zei ik, het is een kans. Zie die rode tas? Die vrouw is nu aan het solliciteren bij de lunchroom. Die blauwe? Die kerel zit nu zijn mbo-diploma te behalen.

Ik klapte mijn logboek open. Marcus is vorige week teruggekomen. Die had zijn tas niet meer nodig, want hij kocht een ov-kaart hij heeft nu een woning en ging op bezoek bij zijn moeder.

Van Dijk keek naar de tassen, naar mij en weet je? Hij heeft me niet ontslagen. In plaats daarvan ruimde hij een bezemkast op bij de ingang. Er kwam een bordje op te hangen: Kansenkastjes gratis kluisjes voor werkzoekenden. Vragen bij Elias.

Inmiddels werken we samen met een opvanghuis hier in de stad. Wie een sollicitatie op de planning heeft, krijgt een jeton voor een gratis kluisje. Ik ben nu 62, ik hang kaartjes aan tassen. Maar ik heb geleerd: je kunt niet verder komen in het leven als je al je ballast niet even neer mag zetten. Het beste dat je soms voor iemand kunt doen, is niet geld geven, maar gewoon een veilige plek bieden. Dan kunnen ze tenminste even rechtop door een deur stappen.

Rate article