Mijn kleinzoon wordt géén linkshandige, siste Wilma Verbeek plotseling, terwijl haar vingers afwezig over het gemarmerde tafelblad van de keuken gleden.
Rutger draaide zich loom naar zijn schoonmoeder. Er hing een waas van ergernis in zijn ogen, als mist die tegen de ramen sloeg op een februarimiddag in Leeuwarden.
Wat zou daar mis mee zijn? Willem is geboren als linkshandige. Dat hoort gewoon bij hem.
Horen, dat zal wel! Wilma snoof alsof ze een zure haring proefde. Het is geen bijzonderheid, het is een gebrek. In Nederland is rechts de norm. De linkerhand is voor onzin en ongeluk, dat weet toch iedereen?
Rutger had moeite zijn lachen in te houden. Het was alsof de jaren vijftig zich ineens tegoed deden aan het heden, en zijn schoonmoeder met stroopwafels in haar tas door oude Friese tradities struinde.
Wilma, de wetenschap heeft al lang…
Met jouw wetenschap kun je me niks wijs maken, onderbrak ze streng. Ik heb mijn zoon Maarten ook omgeturnden kijk eens, een keurige vent geworden. Jullie moeten Willem ook op tijd naar rechts laten schrijven. Later zul je me dankbaar zijn.
Ze stond op, haar dikke sokken schuifelden over de plavuizen, en liet Rutger achter met een koude mok koffie en een beklemmend gevoel van iets dat niet meer weg te slikken was.
Aanvankelijk wond Rutger zich er niet over op. Och, de oude Wilma met haar Friese stijfkoppigheid, wie kon daar nou kwaad om worden? Elk geslacht draagt zn eigen pakketje oer-Hollandse kortzichtigheid met zich mee. Hij observeerde hoe Wilma met zachte hand haar kleinzoon de soepkom bijschoof, gestaag lepels van links naar rechts schoof, en dacht: ach joh, kinderzielen zijn flexibel, een ouwelijk trekje van oma kan weinig schade aanrichten.
Willem was altijd linkshandig geweest, vanaf zijn peutertijd. Rutger herinnerde zich hoe het ventje, net anderhalf, zijn houten boerderijdieren greep met die linkerpols, alsof die al alles wist. Later krabbelde hij kinderlijke strepen over papier altijd met links, alsof het vanzelf sprak. Het hoorde gewoon bij Willem, zoals zijn kuiltje in de kin of zijn lichtgrijze ogen.
Voor Wilma was het anders, als een vuiltje dat je van de ramen wilt krabben. In haar hoofd stond linkshandigheid gelijk aan mislukking; een vergissing van de natuur, iets om zo snel mogelijk te corrigeren. Als Willem een stift in zijn linkerhand hield, kneep zij haar lippen zo strak samen dat haar wangen wit werden.
Met rechts, Willem. Rechts is netjes.
Ga je weer beginnen? In onze familie zijn we allemaal rechts, en dat blijft zo ook.
Ik heb Maarten ook omgedraaid, dus jij leert het ook wel!
Rutger ving eens een gesprek tussen Wilma en zijn vrouw Marleen op, waarin Wilma met onwrikbare trots haar heldendaden uit de oude doos opdiste: hoe kleine Maarten verkeerd geboren was, maar dat ze zijn linkerhand vastbond en hem streng toesprak, tot hij uiteindelijk gewoon werd. Zo krijg je normale mensen. De echo van haar overtuiging bezorgde Rutger kippenvel.
De veranderingen bij Willem kwamen langzaam, als een trage novembermist boven de Friese weilanden. Eerst aarzelingen: zijn hand zweefde boven tafel, een vingerwijzing naar een ingewikkelde beslissing. Daarna de gewoonte om steig in omas richting te kijken: let ze op? Veilig? Of krijg ik op mn kop?
Papa, met welke hand moet het eigenlijk?
Willems stemmetje, thuis bij de zuurkool.
Met welke jij wilt, jongen.
Maar oma zegt…
Oma mag best zwijgen, jij doet het zoals het fijn voelt.
Maar echt vanzelf ging het niet meer. Alles begon te haperenWillem liet dingen vallen, schrok van eigen bewegingen, bewoog zich krampachtig voorzichtig. De speelsheid was uit zijn lijfje verdwenen, plaatsgemaakt door een rare wantrouwen jegens zichzelf.
Marleen wist het allemaal, haar lip gestuwd tussen haar tanden wanneer Wilma weer ging leuteren over deugdelijk opvoeden. Haar jeugd lag onder die bulldozer van moeders wilskracht, dus deinst ze altijd terug voor discussie, als een mossel die zich in het zand terugtrekt. Zwijgen tot de storm overdrijft, dat had ze geleerd.
Rutger probeerde haar erop aan te spreken.
Dit is echt niet gezond, kijk nou naar hem.
Mam bedoelt het goed.
Wat goed? Zie je niet wat het met hem doet?
Marleen haalde enkel haar schouders op. Goede gewoontes slijten diep.
Elke dag werd het net iets erger. Wilma leek er lol in te krijgen: niet alleen corrigeren maar alles van Willem van commentaar voorzien. Een hoofdknik wanneer hij rechts pakt, theatrale zucht als het weer links is.
Kijk nou, Willem, het lukt toch? Zie je wel dat het kan! Jij wordt nog net zo best als je oom.
Rutger besloot het ditmaal direct aan te pakken, de boterhapper bij de horens gevat. Op zaterdag, terwijl Wilma als een Friese priesterin boven de pan snert hing, haar mes blikkerend boven de boerenkool, kwam Rutger achter haar staan.
Je snijdt het verkeerd.
Wilma draaide zich niet om.
Wat zeg je nou?
Boerenkool hoort je fijnner te snijden, en niet dwars op het blad maar met de nerf mee.
Ze snoof, maar sneed gewoon verder.
Echt, hij boog door zo doet niemand het. Dat is fout.
Rutger, ik kook al dertig jaar.
En dertig jaar kook je het verkeerd. Zal ik je het leren?
Hij stak zijn hand uit naar het mes; Wilma trok zich terug.
Ben je gek geworden?
Helemaal niet. Je moet het goed leren doen. Kijk hier, alweer te veel water en het vuur te hoog.
Zo doe ik het altijd!
Geen argument. Overnieuw leren. Vanaf het begin.
Wilma hield het mes stil boven de pan. Haar ogen werden groot van onbegrip.
Wat zit je nou te zwetsen?
Precies wat jij Willem zegt. Je moet het gewoon leren. Zo hoort het niet. Je moet het anders doen.
Dat is toch heel wat anders!
Is dat echt zo? In mijn ogen is het gelijk.
Haar wangen werden rood van ergernis terwijl ze het mes neerlegde.
Jij vergelijkt mijn koken met… mijn zingen! Ik doe het zoals ik gewend ben, dat voelt goed!
En Willem voelt zich goed met zijn linkerhand. Toch probeer jij hem anders te maken.
Dat is anders! Hij is nog jong, hij kan leren.
Jij bent opgegroeid met jouw gewoontes en toch leer ik jou iets nieuwsvind je dat fijn?
Rutger kruiste zijn armen.
En toch ga jij over zijn grens heen.
Wilmas ogen fonkelden van boosheid. Je hebt het recht niet!
Toch doe ik het. Als je niet ophoudt, blijf ik alles wat je doet bekritiseren. Elk sneden, elke draai, elke gewoonte.
Ze stonden tegenover elkaar, als boze ganzen aan de trekvaart.
Dit is flauw van je, fluisterde Wilma.
Maar misschien begrijp je het dan eindelijk.
Er brak iets in haar; schouders die inzakten, een blik vol kwetsbaarheid zo groot als het IJsselmeer.
Het is uit liefde, prevelde ze.
Dat weet ik. Maar die liefde mag niet dwingen. Anders komen er grenzen. Dan mag je Willem niet meer zien.
De snert stond te pruttelen; niemand roerde.
s Avonds, toen Wilma zich terugtrok, nestelde Marleen zich bij Rutger op de bank, haar hoofd op zijn schouder, ogen als natte herfstblaadjes.
Niemand nam het voor mij op als kind. Mam wist alles, zei altijd wat ik moest doen. Ik… gehoorzaamde gewoon.
Rutger sloeg een arm om haar heen.
Maar nu bepaalt jouw moeder hier nooit meer de regels. Niet voor ons. Niet voor Willem.
Marleen knikte. Ze kneep zacht in zijn hand.
En ergens in de schemer van Willems kamer ritselde het potlood over het papier. Linkshandig. Niemand zei dat het fout was.






