Niet zomaar buren
In een klein dorpje, waar de straten s zomers verborgen lagen onder een deken van groen, en in de herfst schitterden in het goud van esdoornbladeren, woonden naast elkaar twee gezinnen. Altijd samenhangend, altijd behulpzaam. De kinderen waren inmiddels opgegroeid en vertrokken naar Amsterdam.
Toen gebeurde het: Jan verloor zijn vrouw. Vroeg in de ochtend, terwijl de wolken over de polder gleden en grijsblauwe nevel het gras bedekte, holde hij naar de buren, Sjoerd en Willemien, en bonsde op het raam, hard en dringend.
Wat is er aan de hand? Sjoerd stoof naar buiten, nog half slapend in zijn pyjama, Willemien volgde, haar oma-sjaal snel over de schouders geworpen.
Greetje, mijn Greetje… snikte Jan, die op de koude stoep neerzeeg. De herfst had het dorp nat en kil gemaakt.
Wat is er met Greetje? duwde Sjoerd hem zachtjes, Moeten we de huisarts bellen?
Niet nodig, ze is weg… mijn Greetje is weg, stamelde Jan, diep bedroefd.
De buren bleven hem bijstaan, tot zijn zoon en schoondochter uit Rotterdam arriveerden. Willemien bracht hem af en toe een kalmerend pilletje; na de begrafenis probeerden ze Jan niet veel alleen te laten. Ze nodigden hem uit voor de stamppot, de boterham met kaas, en de avondlijke schaakpartijen in het zachte licht van de schemerige woonkamer.
Zes maanden gingen voorbij. Jan leerde alleen zijn weg te vinden in huis koken, wassen, zich redden met het huishouden. Soms kwamen kinderen langs, bleven ze kort, reden dan weer terug naar de stad.
Het was een dromerige augustusavond waarop Jan op het erf van Sjoerd zat. Ze spraken weinig, schoven schaakstukken traag heen en weer over het bord. Plots tuimelde Sjoerd opzij, en Jan sprong net op tijd bij om hem op te vangen.
Sjoerd? Wat doe je? probeerde Jan nog, maar Sjoerd reageerde niet. Willemien! riep hij, toen zij juist vanachter het huis kwam, een kom vol verse augurken in haar handen.
Het beeld bewoog traag en vertekend: de augurken vielen op het natte gras, de kom rolde weg, Willemien rende op haar man af. Sjoerd was niet meer later zei de huisarts dat het zijn hart was geweest.
Hoe kan dat nou, huilde Willemien, hij klaagde nooit over zijn hart.
Toen was het Jan die haar hielp, samen met haar kinderen uit Groningen, en na de begrafenis bleef ze achter met die tinkelende stilte in huis die s nachts grotesk werd. Jan kwam overdag vaak langs; s nachts raasden de polderwinden, dansende gedachten lieten haar niet slapen.
De tijd gleed voorbij, traag als stroop. Willemien vond haar ritme terug, soms kwamen haar kinderen met de trein, haar kleinkinderen genoten van stroopwafels aan haar tafel. Nu ze beiden gepensioneerd waren, hielpen Jan en Willemien elkaar hij ooit geschiedenisleraar op de HAVO, zij jarenlang in de dorpsbibliotheek.
Het leven sukkelde voort naar de herfst. Elke ochtend ging Jan het erf op met zijn bezem. Gele en bruine bladeren raasden onder zijn voeten; hij veegde ze weg van de stoep naar Willemiens huis, maar de harde wind blies ze telkens terug, alsof de herfst hem uitlachte. Dan dook hij haar tuin in, waar de blaadjes minder talrijk waren.
Willemien gluurde vanachter het raam. Ze lachte.
Jan, hoelang blijf je zo doorgaan? riep ze door het open raam. Iedereen weet dat jij in je eentje oorlog voert met de herfst.
Jan hief zijn hoofd, zijn ogen fonkelden.
Als we allemaal de bladeren laten liggen, wordt het hier een puinhoop. Ze verdwijnen niet vanzelf!
Maar al die herfstbladeren… zo schitterend! Kijk hoe ze glanzen! hield Willemien vol.
Prachtig, dat wel, maar o zo glad voor je het weet, lig je ondersteboven, mopperde Jan, en hij veegde verder.
Dan opende ze de poort. Op het erf stond, naast het schuurtje, een houten zitbankje. Willemien zette er twee mokken neer en gebaarde dat Jan moest komen zitten.
Kom, tijd voor thee met honing het is guur vandaag!
Met honing, Willemien? We dronken het altijd met citroen! fronste Jan, terwijl hij een slok nam.
Vandaag moet je van binnen opwarmen, zei ze met een glimlach.
Veel te zoet! bromde Jan. Op onze leeftijd, voorzichtig met suiker!
Drink op. Eén keer per week mag dat heus wel.
Vooruit dan.
Gisteren belde mijn kleinzoon Bram, zei Willemien ineens. Hij vroeg: Oma, wat doe je daar helemaal alleen? Kom bij ons in Utrecht wonen!
Maar ik ben helemaal niet alleen, heb ik hem geantwoord. Ik heb hier een goede vriend, knipoogde ze naar Jan.
Jan nipte snel aan zijn thee.
Goed gezegd, hoewel vriend wel erg eenvoudig klinkt… zei hij langzaam.
Noem het dan anders?
Nou ja… medestander in de oorlog tegen herfstbladeren wellicht? Ze schoten allebei in de lach.
Soms veegde Jan de bladeren in haar tuin, maar op een ochtend verscheen Willemien niet voor haar dagelijkse groet. Bezorgd liep Jan de houten trap op en klopte op haar voordeur. Na een poosje deed ze open, gehuld in een geblokte deken, steunend tegen het kozijn.
Kom, ga zitten, mompelde hij bezorgd, hielp haar in haar stoel en sloeg de deken over haar heen.
Gewoon verkouden, klonk haar stem door haar verstopte neus.
Wie brengt mij nu thee? probeerde Jan een grapje.
Hij legde zijn jas weg en keek naar de pillen op de kast.
Is dat alles? Ik ga even naar de apotheek, sprak hij resoluut.
Heb je dat echt nodig?
Ja, dat is nodig, zei Jan vastberaden.
Even later was hij terug, ramend door de gure wind met een plastic tasje pharmaceutische waren, plus een verse scharrelkip van de Jumbo. Terwijl Willemien half dommelde in haar stoel, stroomde langzaam de geur van kippensoep haar huiskamer binnen.
Jij kunt nog koken ook, Jan? ze glimlachte zwakjes.
In nood leert men alles. Nou, kom, een flinke kom bouillon zal goed doen!
Dankbaar lepelde ze de soep; haar gezicht ontspande in een glimlach.
Heerlijk… dank je, Jan.
Graag gedaan. Ik verlang dat je snel opknapt anders valt er voor mij niets meer te vegen, mompelde hij, zijn gezicht verbergend achter een flauwe lach.
Goed, partner, ik zal mijn best doen, beloofde ze plechtig.
Na een week was Willemien weer het zonnetje van het dorp. Samen met Jan wandelden ze voor het eerst in maanden door het parkje langs de Vecht, waar bladeren knisperden en de zon, al was het herfst, hun rug nog verwarmde.
Het is mooi, die herfst. Ik begin er echt van te houden, zei Willemien.
Zeker, vooral in de juiste gezelschap.
Ze liep gearmd met Jan over de laan, pratend en lachend, terwijl de bladeren zich als kleurrijke tapijten voor hen uitrolden.
Op een ochtend stond Jan aan haar deur met een bijzondere vraag.
Ik mis een boek over cactussen verzorgen in mijn kast…
Maar je hebt helemaal geen cactussen? lachte Willemien.
Jan glimlachte geheimzinnig, en haalde een klein potje vanachter zijn rug. Deze is voor jou!
Hoe moet ik daar nou voor zorgen? Ik heb nooit een cactus gehad!
Jij bent de bibliothecaresse, als iemand het weet, ben jij het…
Eerst zien, dan geloven. Maar als deze bloeit, trakteer je mij op een ijsje!
Afgesproken!
De winter kwam, een dikke deken van sneeuw legde zich over het dorp. Op een ochtend stond Jan weer op de stoep, iets achter zijn rug verborgen.
Wat heb je nu weer mee? vroeg Willemien nieuwsgierig.
Jan twijfelde even, keek naar zijn schoenen. Eigenlijk… misschien moet ik gewoon blijven… Blijven wonen bij jou. Zullen we trouwen? Hij overhandigde haar een boeket rode tulpen haar wangen kleurden als de bloemen.
O Jan, heb je daar zo lang over gedaan?
Bang dat je nee zei… Dus? Zeg je ja?
Ja, natuurlijk, wat zou ik zonder je moeten! Al helemaal nu, met zulke mooie bloemen, zei Willemien terwijl ze de tulpen in de vaas zette.
Samen overleefden ze de koude winter en begroetten de lente. Op een ochtend jubelde Willemien uit het keukenraam:
Jan, kom kijken! De cactus bloeit jij bent me een ijsje verschuldigd!
Ongelooflijk! We gaan straks naar de Albert Heijn, jij kiest. Eens per belofte!
Ze liepen samen door het dorp in de eerste warme zon, debatterend of het een raket ijsje moest zijn of een schepijsje in een hoorntje. De lucht strakblauw boven hen, Jan lachte breed.
Waarom ben je zo vrolijk? vroeg Willemien, zijn blik zoekend.
Het voelt alsof we een geweldig team zijn geworden.
Dat zijn we ook, antwoordde ze zacht.
Ze liepen samen voort, allang niet slechts buren of medestrijders, maar twee mensen die elkaar gevonden hadden tussen de herfstbladeren, sneeuw en lentelicht. Met elkaar raakte de eenzaamheid de bodem niet meer.
Bedankt voor het luisteren naar deze droom, en sterkte en zonneschijn voor iedereen.





