Dagboek, 14 november
Ik ben altijd gehaast. Altijd onderweg, altijd nét op tijd. Die donkere novembermiddag rende ik over de Spuistraat in Amsterdam, mijn jas half open en een map vol papieren die bij elke stap dreigden te vallen. De miezer begon als een zacht gefluister, maar binnen een paar tellen was het een dichte regengordijn, waardoor de stoep onzichtbaar werd. Zuchtend vervloekte ik stilletjes het weer.
Mijn plan was simpel: thuiskomen, snel douchen en aan die presentatie voor morgen werken. Maar de regen was onverbiddelijk. Ik moest wel schuilen. Ik duwde de deur open van een kleine boeken-café, zon zaak waarvan het meubilair sleets en de geur van versgemalen koffie bijna nostalgisch is.
Ik schudde het water uit mijn haar en liep richting de toonbank.
Een zwarte thee graag, zei ik, zonder op te kijken.
Geen koffiedrinker? klonk een mannelijke stem, nieuwsgierig maar ook een beetje plagend.
Ik keek omhoog. Achter de toonbank stond een lange man, begin dertig, donkerbruin haar en een stoppelbaard. Hij glimlachte, alsof hij me allang kende.
Niet als ik nog na moet denken, antwoordde ik een beetje op mijn hoede. Koffie maakt het alleen maar erger.
Goed, zwarte thee dan. Maar weet dat bijna iedereen hier aan het eind tóch voor koffie zwicht, grapte hij, terwijl hij naar het vrijwel lege café wees.
Ik glimlachte onwillekeurig voor het eerst die dag.
En jij bent?
Lucas van Dijk, stelde hij zich voor, met een hand over de toonbank. Eigenaar, barista en boekenverslinder.
Ik stelde mezelf ook voor Marloes van den Berg. Met thee in de hand zocht ik een tafeltje bij het raam. De regen trommelde op het glas. Terwijl ik mijn notities erbij pakte, verscheen Lucas met een boek.
Niet erg toch? Volgens mij is dit iets voor jou.
Het was een oude roman, donkerblauw met goudopdruk.
Hoe weet jij nou wat ik graag lees? vroeg ik licht wantrouwend.
Ik weet niks zeker. Maar als iemand gehaast en natgeregend binnenkomt, thee bestelt en niemand wil aankijken Dan heeft die meestal vooral behoefte aan een goed verhaal.
Ik nam het boek toch aan. Verrast door zijn inzicht. Terwijl ik las, vulde de ruimte zich met het getik van regen en de geur van koffie. Even later vroeg ik:
Sta je hier altijd achter de bar?
Bij regen weer wel, zei hij, met een twinkeling in zijn ogen. Ik lachte, zeker van een grapje maar achteraf bleek van niet.
De volgende dagen hervond Amsterdam zijn comfortabele routine en ik herviel in mijn eigen hectiek. Maar die dinsdag, toen de hemel opnieuw openscheurde, werd ik vanzelf weer de boekwinkel in gedreven. Lucas was er al.
Daar ben je weer, zei hij, en schonk zonder te vragen thee in.
De regen ook, antwoordde ik.
We spraken wat meer. Lucas vertelde dat hij de zaak had geërfd van zijn opa; vroeger was het puur een boekhandel geweest. De koffiehoek had Lucas toegevoegd, om mensen meer redenen te geven te blijven hangen.
Lucas hoorde dat ik architect was bij een veeleisend bureau, waar dagen van twaalf uur haast standaard waren.
Klinkt uitputtend, zei hij.
Dat is het ook, gaf ik toe. Maar ik weet niet anders dan rennen.
Lucas keek me aan, met zon rustige blik die alles relativeert.
Soms moet je het leven even laten inhalen, zei hij zacht.
En zo werd de regen mijn bondgenoot. Elke bui was een reden de Spuistraat op te zoeken. Soms las ik zwijgend, soms discussieerden we over boeken, films, of reizen die we ooit nog wilden maken.
Op een donderdag in december vroeg Lucas:
Zaterdag sluiten we eerder. Er komt een jazz-bandje spelen. Lijkt het je wat?
Normaal gesproken zou ik zon spontane uitnodiging afslaan. Maar ik zei ja.
Die avond was het café gevuld met kaarslicht en schaduwen van boekenkasten onder de oude houten balken. Lucas had een plek op de eerste rij vrijgehouden. Tijdens het optreden raakten onze knieën elkaar af en toe. Per ongeluk. Of niet.
Na afloop bracht hij een glas rode wijn en kwam naast me zitten.
Ik heb je zo vaak zien binnenstormen om aan de regen te ontsnappen, zei hij zacht. Maar volgens mij was het meer dan regen waar je voor wegrende.
Even kon ik alleen maar zwijgen hij had gelijk.
Misschien wel. En hier vergeet ik gewoon waar ik bang voor ben.
Toen ik afscheid nam, regende het opnieuw. Lucas liep met me mee tot bij de deur.
Ik heb geen paraplu, zei ik.
Ik ook niet. Als we rennen, halen we de hoek voordat we zeiknat zijn.
We renden niet. We liepen langzaam, lachend, natgeregend, maar zonder haast. Op de hoek bleef ik staan.
Wacht niet tot de regen om terug te komen, fluisterde Lucas.
Ik glimlachte. Ik zal het proberen.
De dag erna kwam ik niet. Ook niet de volgende. Maar die zondag het was kraakhelder liep ik toch weer naar het café. Lucas keek op.
Waar is de regen?
Vandaag draag ik hem bij me, antwoordde ik.
We dronken geen thee of koffie. We hadden een lang gesprek, rustige stiltes, blikken die meer zeiden dan woorden. Toen het donker werd, nam Lucas me mee naar een verborgen hoekje, een kleine ruimte met uitzicht over de Amstel.
Hier las mijn opa altijd als het regende, zei hij zacht. Hij vond het rustgevende geluid van water het deed hem beseffen dat alles gewoon doorstroomt.
Ik leunde met mijn voorhoofd tegen het koude glas.
Misschien is dat wel waarom ik hier graag ben. Dit is de enige plek waar ik stil kan staan.
Lucas stapte dichterbij. Zo langzaam dat ik zijn adem voelde voordat ik hem zag.
Je mag stilstaan en blijven.
Ik draaide me naar hem toe. Precies toen begon het onverwacht te regenen, de druppels tikten tegen het raam.
Het lijkt alsof de lucht voor ons meejuicht, fluisterde Lucas.
Het lijkt er wel op, zei ik. En ik kuste hem. Zacht, warm, met de geur van koffie en thee in de lucht. Een kus zonder haast.
Vanaf dat moment werd elke regenbui ons excuus. Het maakte niet meer uit of het stormde of de zon scheen het boeken-café aan de Spuistraat werd onze plek. Daar, bij het raam aan de Amstel, tussen stapels boeken en dampende kopjes, hebben Lucas en ik ontdekt dat liefde zich niet altijd laat zien als de zon schijnt Maar soms pas als de regen je uitnodigt wat langer te blijven.





