Een man was de voorraadkast aan het opruimen en gooide rommel en oude spullen weg. Hij had buiten al een grote berg verzameld. Toen viel zijn oog op een dun, vuil boekje. Waarschijnlijk van de kinderen. Hij sloeg het open en begon te lezen. Zijn blik viel op de woorden dat een mens “geboren wordt om in de grond te wroeten en dan te sterven, zonder zelfs zijn eigen graf te hebben kunnen graven.”
Het raakte hem diep. Was dit niet precies zijn leven? Wat had hij gezien? Al sinds zijn jeugd alleen maar werk. Thuis: de moestuin, het hek, de schuur. In het voorjaar de grond omspitten, zaaien, wieden. Hij en zijn vrouw hadden zelfs een extra stuk land bijgekocht. Hun hele jeugd was erin gaan zitten.
Het boerenleven had hen tot slaven gemaakt. Op hun oude dag hadden ze allebei een kromme rug gekregen. Ze hadden niets gezien. Niets! Nooit ergens naartoe gereisd. Ze waren afgestompt van het werk, hun handen aardegeel, hun ogen altijd naar de grond gericht.
En zijn vrouw? Wasemde, kookte, maakte jam en ingelegde groenten, altijd bezig met het dagelijks brood. Gorki had gelijk in “Makar Tsjoedra”: de mens is een slaaf. Zijn hele leven draait om een stuk brood.
Ze hadden nooit iets gelezen, stonden ver van de cultuur, konden amper een gesprek voeren. Het deed pijn in zijn hart. Het leek alsof hun leven voor niets was geweest. Ergens waren er theaters, palmbomen, mooie, slimme mensen die over mooie dingen praattenterwijl hij en zijn vrouw altijd boeren waren gebleven.
En hun kinderen volgden hetzelfde pad. Hetzelfde lot wachtte hen.
Wat had hij nou eigenlijk meegemaakt? Nooit deftige kleren gedragen. Nooit verder gekomen dan Zeeland. Zelfs Amsterdam had hij nooit gezien. Eén keer in zijn leven had hij in een vliegtuig gezeten. Een paar keer met de trein gereisd.
Zijn hele leven: de tuin, het erf, het vee en de kippen. Werken tot de vakantie, en in de vakantie thuis werken. Een vrouw die altijd aan het sjouwen was.
En dan sterven, “zonder je eigen graf te hebben kunnen graven.” Prachtige woorden!
Hij veegde het stof van het boekje en legde het in de gang op de kast. Hij kon het niet weggooien. Iedereen moest dit lezen, om na te denken over hun eigen slavernij.
De dag eindigde. Ze zaten met zijn tweeën in het schemerdonker, zonder licht aan te doen. Hij vertelde haar over zijn gedachten over slavernij en het wroeten in de aarde. Dat hun leven voor niets was geweest. Dat ze spoedig zouden sterven zonder ooit iets anders dan hun groentetuin te hebben gezien. Waarom hadden ze zich zo uitgeslooft? Het leven krijg je maar één keer, en zij hadden het verkwanseld.
Zijn vrouw zei niets. Stond op, haalde water en gaf de planten te drinken. Daarna trok ze schoon beddengoed uit de kast en maakte het bed op. Ze ging liggen, draaide zich naar hem toe en zei: “Kom maar slapen. Hou op met dat gezeur.”
Geen van beiden kon slapen. Hij voelde dat zij ook wakker lag. Toen zuchtte ze en keerde zich naar hem toe. “Niet iedereen kan een ontdekkingsreiziger zijn of een beroemdheid. Die zijn door God gezegend. Zij hebben een roeping. Maar de meeste mensen moeten blij zijn met hun werk, hun land, hun kinderen. En met het rooien van aardappelen. Waarom zou je naar anderen kijken?”
Even later voegde ze eraan toe dat zij geen slavin was. Ze deed wat ze wilde, wat haar vreugde gaf. En ze had nergens spijt van.
Hij stond op, trok een oude vest aan en liep naar buiten. De sterren glinsterden aan de hemel. Hij stak een sigaret op en ging op de trap zitten.
“Wat een wijze vrouw heb ik toch! Vijftig jaar samen, en ik wist het niet.”
Ze zorgde voor het huis, voedde het gezin, hield alles netjes. En ze was geen slavin! Omdat God haar had gezegend met haar gezin, haar man, haar kinderen. Omdat alles begint en eindigt bij familie. Hij drukte zijn sigaret uit, stond langzaam op en liep terug naar binnen. In het donker kuste hij haar voorhoofd. Ze sliep al bijna, maar glimlachte even. Hij trok het dek zeer zacht tot aan haar kin, legde zich neer en sloot zijn ogen. De wind zuchtte zacht door de bomen, en voor het eerst in tijden voelde hij rust.






