Mamas blush
12 juli
Ik weet echt niet meer wat ik met haar aan moet. Gisteren vroeg ze of papa van André vaak alleen naar de sauna in zijn eentje ging.
Ik stond bij het keukenraam in de zomerhuisjeswijk in Hillegom, keek naar mijn moeder die tussen de groentebedden door schuifelde, het zonlicht weerkaatste op haar te felgele zomerjurk. André zat aan tafel, zijn krant niet opzij legend.
Ze is altijd nieuwsgierig geweest, je moeder. Misschien vraagt ze het gewoon uit belangstelling, bromde hij.
Je snapt het niet, André. Zoals ze het vroeg. Met zon glimlach. En dan had ze blush op. In de hitte! Blush!
Ik draaide me om, pakte een glas water en ging tegenover hem zitten aan het kleine keukenblok. Buiten brak de julizon op ons veld als een fata morgana, de lucht trilde boven het grintpad, en ergens hoorde ik het scherpe gezang van merels. Drie weken geleden had ik haar uit Haarlem gehaald om bij mijn schoonouders op de tuin te logeren, dacht dat ze haar hoofd leeg zou maken, even verlost van dat lege flatje waar ze nu in haar eentje woonde. Sinds haar laatste vriendin, Tante Mieke, een paar maanden geleden was overleden, raakte mijn moeder steeds verder in zichzelf verstrikt. Ze belde niet meer, gaf korte, sikkeneurige antwoorden, en als ik bij haar kwam zat ze starend voor het raam als een schim uit vroeger tijden.
Even eruit zou goed voor haar zijn, dacht ik. Lekker buiten bezig zijn met tomatenplanten, appeltaarten bakken met mijn schoonmoeder Riet Maas, wat leven om zich heen. Mijn schoonvader Jan was altijd in zijn schuurtje te vinden of onkruid aan het wieden. Het was er rustig, gezellig, gemoedelijk.
Maar het ging meteen anders dan ik gehoopt had.
Ze kwam op een vrijdagmiddag met één koffertje aan, alsof het een logeerpartijtje werd zoals vroeger bij tante Aafje. Ze hielp meteen mee, tafel dekken, aardbeien plukken, afwassen. Riet was enthousiast, riep Wat heb jij een arbeidzame moeder, Marleen! Jan knikte beleefd als mijn moeder zwaaiend de tuinslang aanbood of een stoeltje aandroeg. De eerste week ging het prima.
Toen veranderde er iets. Mijn moeder begon steeds vaker in Jans buurt te verschijnen. Als hij het geraamte van het oude schuurtje repareerde stond ze er met een kan water. Als hij worteltjes wiedde zat ze er ineens naast, met haar handen in de aarde. Aanvankelijk dacht ik er niets van, ze hielp gewoon graag. Maar op een avond, toen André en ik aan het wandelen waren, zag ik mijn moeder bij het raampje van het schuurtje, ongewoon geïnteresseerd kijkend hoe Jan hout aan het schaven was, blond krullende spaanders dwarrelend in het zonlicht. Ze staarde zo intens dat het haast oncomfortabel voelde.
Mam? Wat doe je daar? riep ik naar haar.
Ze schrok op, draaide zich om. Haar wangen gloeiden niet van de zon.
Gewoon, even kijken. Jan maakt een houten krukje, zo knap vind ik dat altijd.
Ze glimlachte, met een meisjesachtigheid die niet paste bij een vrouw van bijna zestig. Onrust nestelde zich in mijn maag, maar ik liet het gaan.
Een paar dagen later kwam Riet voorzichtig op me af terwijl ze een pan bramenjam roerde:
Lieverd, mist je moeder niet t een en ander in de stad? Misschien voelt ze zich wat alleen?
Hoe bedoel je?
Riet legde haar hand op mijn arm, zo moederlijk als alleen zij dat kan.
Nou, alles draait tegenwoordig om Jan. Drinken brengen, vragen of hij hulp nodig heeft… Hij heeft genoeg aan zn handen en zijn gereedschap, die bemoeienis is wat veel.
Ik voelde mijn gezicht heet worden van plaatsvervangende schaamte. Natuurlijk kende ik mijn moeder. Haar eenzaamheid sinds papa overleed, hoe ze zich aan allerlei clubjes vasthield, iedere kans greep op gezelschap. Maar zo, tussen de familie van mijn man, dat kon toch niet?
Ik zal met haar praten, beloofde ik. Maar het gesprek kwam er niet van.
Die avond zaten we samen op het overdekte terras, het avondlicht viel goud over de tuin. Mam, voel je je een beetje thuis? Word je hier niet te snel gek van de rust? begon ik.
Och, Marleen, het is hier heerlijk. Luchten, bloemen… En jouw schoonvader, die man weet alles van fruitbomen en gereedschap.
Mam, Jan is vaak bezig hè. Laat hem maar werken, hij vindt het fijn als hij niet afgeleid wordt.
Ze keerde haar ogen af, gekwetst.
Ik probeer alleen maar te helpen.
Dat weet ik, maar help dan Riet; zij vindt het juist gezellig als je samen in de keuken staat.
Ze knikte, maar haar geest was elders.
De volgende dag verscheen ze bij het ontbijt in een veel te strak, lichtblauw blousje. Riet keek op van haar koffie, Jan merkte er niets van. Na het ontbijt liep mam opnieuw, mét haar opgefriste kapsel en die onmisbare blush, richting het schuurtje. Vanachter het raam zag ik hoe ze bleef wachten, glimlachen, haar haren fatsoeneren. Jan zei iets tegen haar; mam lachte te luid.
Oh god, dacht ik.
Tegen het eind van de tweede week werd het echt pijnlijk. Ze begon zich uitbundig op te maken: felle lipstick, wenkbrauwpotlood, blush. Jurkjes zo fleurig en open dat zelfs ik ervan schrok terwijl de avonden allang fris werden. De keuken trok ze zich minder van aan, met Riet was er weinig contact meer. s Avonds liep ze telkens met Jan mee naar de kas of het schuurtje alsof ze onmisbaar geworden was.
Op een avond hoorde ik, bij toeval, een gesprek. Ik was mijn mobiel vergeten op de veranda en hoorde haar achter het huis zeggen:
Jan, voel je soms weleens dat je iets mist?
Waar doel je op, Trees? (zo werd mijn moeder door de familie genoemd).
Gewoon, wat spanning? Nieuwe indrukken? Je werkt altijd, maar het leven is zo snel voorbij, hè?
Jan grinnikte vriendelijk. Ik ben bijna zeventig, Trees, ik heb genoeg meegemaakt. Klussen is mijn ontspanning.
Maar soms wil je toch gewoon even een goed gesprek… een beetje écht contact?
Ik heb Riet. Al bijna veertig jaar. We hebben altijd genoeg te vertellen.
De koelte in zijn stem was onmiskenbaar. Mam voelde het en viel stil.
Snel sloop ik terug het huis in en lag die nacht wakker, André naast me snurkend. Aan tafel de volgende ochtend was Riet ijzig beleefd tegen mam, ze schonk haar pap in stilte. Mam hield haar handen laag, haar ogen naar het tafellaken.
Na het ontbijt trok Jan zich terug en wilde mam hem gewoontegetrouw volgen, maar nu riep Riet haar kordaat:
Trees, help je mee met de jam? De rode bessen zijn geplukt, het is tijd.
Daar zat geen bezwaar bij in. Mam knikte, een verslagen blik in haar ogen, en liep achter Riet het tuinhuis in.
Het was slechts een adempauze.
Bij de lunch zat iedereen aan het terras, mam vertelde plotseling terwijl iedereen luisterde:
Weet je, mijn vader was ook zo handig. Uren kon ik kijken hoe hij dingen maakte. Ik hou daar zo van, mannen die weten wat ze doen met hun handen.
Jan glimlachte beleefd, maiste zacht: Handigheid is een mooi ding, ja.
Mam keek dromerig naar hem. Echte mannen, dat is tegenwoordig zeldzaam. Ik vind dat zo fascinerend
Het was zo dubbelzinnig dat Riet haar vork liet vallen en André zich verslikte. Ik kneep mijn ogen dicht. Alleen Jan leek de ondertoon te missen.
Die middag greep ik mijn moeder vast op de gang:
Dit kan echt niet meer, mam.
Wat kan niet?
Dit gedrag. Iedereen ziet het! Behalve Jan misschien.
Ze werd rood tot in haar hals.
Ik communiceer gewoon, dat mag toch?
Mam, je zoekt gewoon aandacht, als een verliefd meisje. Je zet me voor schut.
Dat drong tot haar door. Ze stamelde: Ik wil gewoon dat iemand merkt dat ik er nog ben. Dat ik nog leef. Niet alleen de overbodige moeder ben
Medelijden overnam het van de schaamte. Ik sloeg een arm om haar heen.
Het komt goed, mam. Echt. Maar niet zo.
Ze snikte zacht tegen mn schouder.
Twee dagen bleef het rustiger. Haar blush lag onaangeroerd in haar toilettas. Ze werkte met Riet aan het sap en aan zoetigheden, trok minder op met Jan.
Tot die zondag, Riets verjaardag. Familie en buren kwamen, lange tafels vol taarten en gevulde schalen. Riet straalde, Jan zat in zijn netste overhemd naast haar. Mam hield zich aanvankelijk gedeisd, hielp met serveren.
Tot vlak na zessen. Ze kwam binnen in een donkergroen, veel te strak jurkje, op hakken door het gras (ik kromp ineen). Haar make-up was overweldigend: de lipstick, het poeder, blush tot onder haar ogen.
Riet verstijfde. Jan keek niet anders dan anders.
Mam ging tegenover Jan zitten, bleef alleen maar naar hem kijken. Ieder gebaar van hem werd gevolgd met verlangende blik. Riet probeerde haar in het gesprek te betrekken, ving geen blik.
En toen gingen de glazen omhoog. Oom Bert sprak, toen buurvrouw Jet, André, zelfs ik. En mam als laatste. Ze stond op, trilde:
“Riet, lieve vrouw, je boft maar met Jan. Hij is als mijn vader. Zo’n man die alles kan. Echte mannen zijn zeldzaam. Wees blij dat je hem hebt.”
De stilte sneed. Riet zette haar glas met kracht op tafel.
Dank je, Trees. Dat zal ik zeker. IJzig koud.
Mam bleef zitten, ongemakkelijk, als een kind dat net een flater heeft geslagen. Maar daar bleef het niet bij; ze ging zich over Jan ontfermen, voorzag hem van eten, maakte zijn kraag los, waaiertje toe. Jan werd er nerveus van, protesteerde, mam lachte nerveus.
Daar greep Riet in: Trees, het is mooi geweest, ga zitten. Jan redt zich wel.
Mam trok zich mokkend terug. De sfeer bekoelde.
Vlak voor het donker werd, stond Jan op om het licht uit te doen in de schuur. Mam stond meteen klaar: “Ik loop even mee hoor. Voor het geval je struikelt.”
Voordat ik iets kon doen, liepen ze samen weg. Riet stond op, keek me aan en knikte: Nu is het klaar. Ze liep geruisloos achter hen aan, ik volgde met kloppend hart, samen met André. In het schijnsel van de lamp binnen zagen we mam dicht naast Jan staan. Ze raakte zijn pols aan en sprak zacht:
Jan, jij hebt ook behoefte aan aandacht, ik weet het. Riet is altijd druk, niemand begrijpt je echt zoals ik.
Dat ging te ver; Jan trok zijn hand weg, keek haar aan met verbazing en walging.
Tjeetje Trees, waar haal je dat vandaan? Alsjeblieft zeg.
Riet kwam binnen, koelbloedig als altijd:
Pak je spullen, Trees. Morgenochtend breng ik je naar het station.
Mam hakkelde iets over misverstanden, maar Riet was onverbiddelijk.
Niks misverstand. Drie weken loop je om mijn man heen, je zet me voor schut. Genoeg. Morgen vertrek je uit mijn huis.
Mam wankelde naar buiten. Ik wilde haar achterna, maar André hield me tegen.
Die avond was het huis stil. Jan bleef in het schuurtje, Riet en ik zaten werkeloos aan tafel. Toen ik op haar kamer kwam, zat mam op bed, restjes mascaravlekken op de kussensloop.
Waarom, mam? Na alles wat ik zei?
Ze hief haar hoofd niet op.
Omdat ik zo alleen ben, Marleen. Zo ontzettend alleen. Ik hoopte… even niet onzichtbaar te zijn.
Tranen liepen over haar wangen.
De volgende ochtend stond haar koffer bij de deur. Zonder een woord aan Riet of Jan vertrok ze met mij. In de auto vroeg ze zacht:
Heb ik alles verpest?
“Ja, mam. Dit was niet oké.
Riet zal me nooit vergeven?
Misschien niet. Jan snapt niet eens wat er gebeurd is, maar Riet vergeet het nooit.
Mam rook nog naar haar bloemenbonte parfum maar was ineens een klein, oud vrouwtje.
Thuis bleef ze wekenlang binnen, gordijnen dicht, telefoon uit. Elke dag belde ik: Hoe gaat het, mam?
Ja. Prima hoor, niks aan de hand. Er valt weinig te vertellen.
Na drie weken ging ik er zonder aankondiging heen met een bos bloemen. Ze zat in haar ochtendjas, de tv uit, haar blik dof op de salontafel.
Mam, je moet niet zo in je eentje blijven zitten. Zal ik je meenemen naar de stad, koffie drinken?
Nee, dat heeft geen zin meer. Ik heb mezelf voor schut gezet. Ik kan niet meer terug.
Ik ging naast haar zitten. Probeerde haar hand te pakken, maar haar vingers bleven slap.
“Ik schaam me zo, Marleen…”
“Mam, het is niet goed gegaan, dat geef ik toe. Maar je mag fouten maken. Je mag verdrietig zijn, maar je moet niet verdwijnen, niet opgeven.”
Ze schudde langzaam haar hoofd.
Ik ben moe, ik ben te oud om nog kontakten te zoeken. Het lukt me niet.
Het deed pijn om haar zo te zien.
Een maand later kreeg ik haar tóch mee naar een cursus tablet voor senioren in de bibliotheek. Ze mopperde, maar langzaam vond ze aansluiting met andere Haagse dames van haar leeftijd. Heel soms glimlachte ze als we samen koffie dronken op het terras bij de vijver.
Toch keerde de somberte steeds terug. Af en toe draaide ze haar rimpelige handen om haar glazen: Heb jij eigenlijk ooit zon allesverterende eenzaamheid gevoeld, Marleen?
Soms, moest ik bekennen. Maar ik wist dat ik André en vrienden had en zij was door iedereen verlaten.
Geluk is niet alleen een man, mam.
Nee. Maar het idee dat iemand je weer écht ziet als vrouw dat was ik kwijt.
We zaten zwijgend in het park, er speelde een accordeon bij de fontein. Na lang kijken naar alle gezinnen zei mam:
Als ik toen niet dat schuurtje was binnengegaan… had ik het ten minste niet verpest voor mezelf en voor jou.
Het voorjaar erop ging ik alleen naar de tuin. Riet vroeg met een vleugje spijt:
Hoe gaat het met Trees?
“Ze leeft. Gaat op en neer. Maar ze loopt vast.
Riet knikte. Misschien was ik te streng. Misschien had ik het moeten laten rusten. Maar ik wil mijn huis beschermen…
Ik snap het, zuchtte ik. Het is jouw huis, het was pijnlijk.
In de trein terug naar huis dacht ik na. Dat alles zo snel kan omslaan door eenzaamheid en een paar laagjes blush.
Thuis zat mam aan haar tafel bij het raam, haar schaduw lag lang in het morgenlicht.
Denk je dat het ooit nog echt goed komt, mam?
Ze keek me lang aan.
Ik heb iets onomkeerbaars gedaan, Marleen. Ik leef door, omdat jij dat wilt. Maar ik houd me voortaan rustig. Dan doe ik niemand meer pijn.
Als ik nu, maanden later, die zomer in gedachten terughaal, weet ik één ding zeker: eenzaamheid bij oude mensen is als een kiertje in de muur, langzaam groeit het uit tot een barst, tot je hele huis erdoor scheurt. En als je dat niet ziet, kan zelfs blush niet verhullen wat van binnen kapot is.
Wat ik geleerd heb? Dat je nooit moet onderschatten hoe erg je moeder je nodig heeft. Soms zoekt ze liefde zo krampachtig, dat ze alles vergeet zelfs zichzelf. Je kunt haar niet altijd redden. Maar je mag haar ook nooit loslaten. Want als je dat doet, laat je jezelf ook een beetje los.






