Late opstand
Begrijp je eigenlijk wel wat je doet? De stem van Fenna klonk vlak, als een waas in dikke nevel, en haar rust was dreigender dan elk geschreeuw. Begrijp je wat dat betekent voor ons allemaal?
Marjolein stond bij het raam en keek naar buiten. Regen als mot in november zong zijn lied op het lege fietspad, waar mensen in jassen en met hun hoofden diep onder de kraag, haastig voorbijstroomden als schaduwen.
Ik weet wat het betekent voor mij, zei ze uiteindelijk, haar stem zoekend in het grijs.
Voor jou. Fenna rolde het woord langzaam als een knikker over haar tong. Jij bent altijd zo. Altijd: voor jou. En wij dan?
Jullie zijn volwassen. Er resoneerde een merkwaardige zekerheid in die zin, als klanken van een handklok in een lege kerk.
Mam, je bent eenenzestig.
Ik weet heel goed hoe oud ik ben.
Fenna liet zich neerploffen op de bank, een oud oranje geval uit een vorige flat, met een onuitroeibare muffe geur. Marjolein keek ernaar, dacht aan alle keren dat ze die bank had willen dumpen en toch liet hij zijn grove lijf elke keer weer vallen op dezelfde plek, uit gewoonte, uit spijt, uit de illusie dat het ding leefde.
En wat zal iedereen zeggen, denk je? vroeg Fenna plots, terwijl ze een sigaret pakte maar hem niet aandeed.
Daar heb ik niet over nagedacht, antwoordde Marjolein zonder beweeg.
En dat was waar.
***
Het was allemaal begonnen in maart, toen Marjolein van Esch, vroeger lerares Nederlands en geschiedenis, nu gepensioneerd met een paar uurtjes als voorleesjuf in de openbare bieb, besloot haar vriendin Geertje op te zoeken in Dokkum.
Geertje woonde er al acht jaar, was verhuisd na het overlijden van haar man, had een charmant huisje aan de rand van het dorp gevonden, een moestuin, en, zoals ze het zelf altijd zei, eindelijk ruimte om adem te halen. Meestal kwam Marjolein s zomers, één keer per jaar, maar nu was er een plotselinge aandrang, een soort vreemd zuchtje wind in haar borst: ga nu, niet in juli, ga nu.
Maart in Dokkum had het karakter van natte sokken en koude neuzen, en de lucht trilde vaag tussen dooie blaadjes en oplichtende vensters van de molen. Marjolein liep over de smalle klinkertjes, verrast door de stilte niet leegte, maar absolute stilte, als het moment net voor het ochtendgloren.
Geertje ving haar op het stoepje op, in klompen en een veel te grote jas van haar overleden man.
Eindelijk daar, zei ze, ik had de stamppot al opgewarmd.
Aan tafel met thee praatte Geertje over haar buurvrouw, haar wortelrassen, en haar plan om een geit te kopen.
Een geit? Marjolein trok een wenkbrauw op.
Melk, yoghurt, eigen kaas! Ik las: makkelijk zat.
Geertje, volgens mij heb jij nog nooit een levende geit aangeraakt.
Dan wordt het tijd, toch? grinnikte Geertje. Ze schonk thee bij. Maar jij… jij ziet eruit als een donderdagmiddag in februari. Sorry, maar zo is het.
Marjolein keek naar haar handen. Gewone, al wat verweerde handen, met lijnen onder de huid en adertjes die zich niet meer wilden schuilhouden.
Het gaat. zei ze enkel.
Het gaat is geen antwoord. Is er wat gebeurd?
Nee. Alles zoals altijd.
En dáár zit de ellende, zei Geertje scherp. Zodra alles altijd hetzelfde is, is er iets mis.
Marjolein zweeg. Buiten viel de vroege schemer over de brug, een lantaarn lichtte op in de verte.
De volgende dag sleepte Geertje haar mee naar de weekmarkt. Geen grote Albert Heijn, maar zon ouderwets Hollandse markt waar ouden van dagen hun augurken stonden te slijten en er wollen sokken lagen tussen potten zuurkool. Daar, bij de kraam met gedroogde paddestoelen, viel Marjoleins blik op Bart.
Ze herkende hem niet direct, vijfendertig jaar doet gekke dingen met gezichten, maar er was iets aan zijn houding, de manier waarop hij zijn handen in de jaszakken wegstak een echo uit een vergeten tijd. Ze hield stil.
Hij ook.
Marjolein? zei hij aarzelend.
Bart.
En dat was alles wat ze in het begin zeiden. Toen schoof Geertje, met de handigheid van een goede vriendin, naar de sokkenkraam. Middenin die markt, bij de geur van paddestoel en natte aarde, stonden zij twee te kijken.
Woon jij hier? vroeg ze zacht.
Al twee jaar nu. Jij?
Ik ben op bezoek, bij een vriendin.
Aha.
Weer die stilte. Maar niet ongemakkelijk, eerder als een uitgerekte regendruppel die weigert te vallen, alsof haast nergens voor nodig was.
Jij bent amper veranderd, vond hij.
Onzin.
Alleen een beetje.
Marjolein lachte. Ze had niet gedacht dat ze dat kon.
***
Bart van der Hulst was haar jaargenoot. Geen vriend, geen liefde, gewoon een medestudent, vijf jaar Nederlands bij de lerarenopleiding. Daarna verdween hij naar Leeuwarden, zij bleef in Haarlem en trouwde, kreeg kinderen. Ze hoorde via via dat hij getrouwd was, een dochter had, en zo verdampte alles.
En nu stond hij daar, aan een paddestoelenkraam.
Ze spraken af om samen koffie te drinken in een klein bruin café aan het water. Geertje vond het prima.
Ga maar, ga maar, zei ze. Ik kijk toch wel mn Boer Zoekt Vrouw. En maak je geen illusies, ik regel niks hoor.
Denk ik ook niet.
Jawel, grijnsde Geertje. Maar hup, ga.
Bijna lege tafeltjes, warme gloed van lampen met versleten kappen, wanden vol vergeelde fotos van Dokkum van vroeger. Ze namen thee en appeltaart, lachten om stomme jeugdzonden, treuzelden rond herinneringen die eerst stal ruiken en dan warm worden.
Bart zei uiteindelijk:
Mijn vrouw is drie jaar geleden overleden.
Dat spijt me, zei Marjolein.
Ja… Nou ja, je raakt niet gewend, maar je leeft opnieuw of anders, geloof ik.
Ik begrijp het.
En hoe is het bij jou?
Haar man, Pieter, was negen jaar geleden vertrokken voor een andere vrouw. Geen drama, geen verklaringen. Eerst dacht ze maandenlang wat haar fout was, wroetend door haar verleden als een mol onder de grond. Daarna was er alleen maar leven over. Kinderen, kleinkinderen, haar biebklasje, Geertje in Dokkum.
Het is… verschillend, zei ze.
Hij knikte, liet het daar dan.
***
Thuis in Haarlem dacht Marjolein: oude bekenden tref je, je praat, je vertrekt. Klaar.
Maar een week later vond ze een bericht van Bart via Geertje. Hoe was je reis terug? stond er alleen.
Ze antwoordde. Er ontspon zich een correspondentie in het begin schaars, daarna dagelijks. Het voelde vreemd want normaal miste Marjolein de slag van directe reacties totaal. Fenna haatte het: Mam, waarom reageer jij nóóit direct? Maar nu betrapte ze zichzelf erop dat ze steeds opnieuw haar telefoon checkte.
Bart hield zijn berichten simpel, zonder franjes. Vertelde over zijn leven als restaurateur, hoe hij dag in dag uit met oude schilderijen werkte. Hij vroeg naar haar leesgroepje, naar de kinderen. Stuurde soms een foto: een kerk in de mist, zijn zwart-witte kat Bram op de vensterbank, een glas thee op het ruwhouten tafelblad.
Fenna viel het na een maand op.
Mam, jij zit steeds op je mobiel.
Ik lees wat.
Dat zei je altijd over mn telefoongebruik, dat ik in de groep niet oplette.
Dan had ik ongelijk.
Fenna’s blik gleed langs haar heen als stroom langs een brugpijler, zonder verder vragen.
In april wilde Bart naar Haarlem komen.
Moet bij een restauratieatelier zijn, schreef hij. Misschien kun je koffie drinken?
Als je wilt. Marjolein glimlachte om dat keurige als je wilt. Altijd voorzichtig.
Kom gerust, schreef ze terug.
Ze ontmoetten elkaar aan het Spaarne, waar de rivier kronkelt langs klassieke gevels. Een ijzige voorjaarswind, maar licht hing al laag en geel. Marjolein droeg haar fijne grijze jas.
Hij wachtte bij de brug, handen in de zakken. Precies als op de markt.
Hoi.
Hoi.
Samen wandelden ze langs het water, spraken over alles en niets. Ze vertelde hoe een jongen uit haar groepje een opstel had geschreven: Boeken zijn ramen, maar dan naar binnen. Bart hield stil.
Dat klopt precies. Acht jaar zeg je?
Acht. Hij is erg wijs.
Jij doet goed werk met die kinderen, kun je horen.
Waarom denk je dat?
Omdat je over ze praat met dezelfde warmte als over iets belangrijks.
Ze keek even naar hem. Hij staarde naar het water.
Ze dronken later koffie, ze voelde zich licht, alsof de tijd stilstond geen haast, geen verantwoordelijkheid, alleen samenzijn. Iets wat ze vergeten was.
Bij afscheid zei hij:
Ik zou graag nog eens komen. Als het mag.
Mag, zei ze.
***
Fenna ontdekte het in mei niet omdat Marjolein het zelf vertelde, maar na een ongewoon telefoontje. Fenna merkte de zenuw. Marjolein was niet thuis, nam haar telefoon niet op.
Waar was je?
Buiten wandelen.
Alleen?
Kleine pauze. Fenna hoorde dat meteen.
Nee.
Toen volgde het vragenvuur. Eerst zacht, toen steeds feller.
Wie is hij?
Een oude kennis. Ik vertelde over Dokkum?
Je zei: een oud bekende.
Precies dat.
Mam, je bent…
Ik weet hoe oud ik ben, Fenna.
Stilte.
Wat is dit dan? Gewoon samen wandelen?
Voor nu wel.
Voor nu Fenna herhaalde.
Marjolein legde niet uit. Sommige dingen zijn onmogelijk uit te leggen, niet omdat je geen woorden hebt, maar omdat woorden niets zouden raken.
Zoon Tobias, in Amsterdam met vrouw en twee zoontjes, reageerde anders. Toen Marjolein het hem vertelde, droog tijdens een zijdelings gesprek, vroeg hij enkel:
Is hij oké?
Ja.
Nou, prima dan, ma.
Klaar. Marjolein moest er daarna lang aan denken. Welke reactie is nu fijner, die van Fenna of die van Tobias?
***
De zomer liet zich voelen als een nieuw soort tijd. Bart kwam steeds vaker naar Haarlem, zij ging soms naar Dokkum. Ze slenterden door markten en musea, dronken samen koffie. Eén keer liet hij haar zijn atelier zien: een muffig lokaal met zon door hoge ramen, waar de geur van lijnolie en bewerkt hout in de lucht hing. Iconen, van bijna zwart tot helder weer opgefrisd, stonden langs de muren.
Ben je niet bang om zoiets ouds aan te raken? vroeg ze.
Juist niet. Het is goed te weten dat het er was vóór mij en erna weer verder leeft.
Geloof je eigenlijk?
Hij dacht na.
Ik weet niet hoe dat heet, wat ik voel. Maar het is wél belangrijk voor me.
Ze keek naar een gezicht op een icoon. Lichter inmiddels, een stralende rust in die blik.
Mijn man zei altijd dat wat ik deed onzin was, zei ze ineens, dat mijn biebgroepje verspilde tijd was, voor een habbekrats.
En jij?
Eerst vond ik dat hij gelijk had. Heel langzaam kwam ik daar pas van los.
Bart zweeg. Hij keek haar alleen aan. Dat volstond.
s Avonds zaten ze bij hem thuis aan de thee en Marjolein voelde zich zeldzaam rustig. Niet omdat alles opgelost was Fenna belde haast niet als haar moeder naar Dokkum ging, dat was haar stille verzet. Kleindochter Noor, acht, had ooit aan de telefoon gevraagd: Oma, kom je wel weer naar huis? In haar stem klonk iets scherps, iets gewoons en toch pijnlijk. Maar nu voelde die steek minder.
Heb je weleens gedacht aan verhuizen? vroeg Bart.
Marjolein keek op.
Waarheen?
Hierheen. Of een andere plek. Verhuizen, gewoon.
Hij sprak voorzichtig, ogen in zn mok.
Bedoel je…?
Ik bedoel niets concreet. Het is gewoon een vraag.
Nee, niet serieus. Vroeger wel, maar dat leek altijd onmogelijk.
Waarom?
Kinderen. Kleinkinderen. Mijn flat. Mijn werk, zelfs als is het weinig. Het is allemaal hier.
Maar je kinderen zijn volwassen.
Dat verandert niets.
Hij knikte.
Je hebt gelijk. Het was maar een vraag.
Maar een vraag. Ze dronk haar thee. Hij bleef ergens hangen, zoals alleen grote vragen dat doen.
***
Augustus. Fenna kwam op een zaterdag uit Utrecht, vastbesloten, tas in de hand. Tijdens de thee keek ze uit het raam en zei ineens:
Meen je het?
Wat?
Jullie. Dit alles.
Ik weet het niet, zei Marjolein eerlijk.
Mam. Vind je het niet… vreemd? Op jouw leeftijd?
Jouw leeftijd of de mijne?
Voor onze familie bedoel ik. Papa leeft nog, hij…
Papa woont al negen jaar met een ander, Fenna.
Dat maakt niet uit. Jullie waren dertig jaar samen.
Dat maakt alles uit, zei Marjolein rustig.
Fenna schoof haar kopje weg.
Heb je nagedacht over wat Noor vindt? Begrijpt ze het?
Noor is acht.
Ze begrijpt alles.
Noor begrijpt wat jij haar uitlegt.
En wat leg je haar dan uit?
Marjolein keek naar haar dochter. Fenna leek sprekend op haar vader rechte mond, zware wenkbrauwen. Vroeger was dat vertederend, nu onherkenbaar.
Dat oma een goede vriend ontmoet heeft. Dat is voldoende.
En daarna?
Daarna zien we wel.
Daarna zien we wel, mopperde Fenna, daar scherm je altijd mee wanneer je niks wilt zeggen.
Nee. Ik zeg dat als ik het écht niet weet. Het is eerlijk.
Lange stilte bij het raam.
Ik ben bang dat je spijt krijgt, zei Fenna heel zacht.
Ik kan ook spijt krijgen als ik het niet probeer.
Fenna draaide zich om.
Dat is filosoferen. Daar word ik niet kalmer van.
Ik soms ook niet, zei Marjolein. Maar ik leef er mee.
s Avonds vertrok Fenna terug naar Utrecht. Ze namen afscheid met een stevig omhelzing, warm en toch gespannen, alsof ze elk moment iets konden breken tussen hen in.
***
September was scherp en onverwarmd. Marjolein was zes jaar met pensioen, maar haar biebclubje gaf structuur. Kinderen kwamen op dinsdag en vrijdag, lazen, tekenden, speelden een toneelstukje. De ruimte was klein, lage boekenrekken, oude bankkussens.
Tamara, hoofd van de bibliotheek, vijfenzestig, wist van Bart. Niet omdat Marjolein het had verteld, maar omdat het zichtbaar was: Marjolein was veranderd. Meer naar binnen gekeerd, niet vervelend gewoon eindelijk ook zichzelf in beeld.
Er gebeurt iets bij jou, zei Tamara op een dag, terloops.
Ja, knikte Marjolein.
Iets goeds?
Ik weet het niet.
Maakt niet uit, zei Tamara. Hoofdzaak: dat iets gebeurt. Anders zijn we rivieren die maar blijven stromen zonder oevers.
Ze lachten samen.
In september stelde Bart voor om samen een paar dagen naar Middelburg te gaan. Daar was een tentoonstelling met oude handschriften. Ze huurden allebei een eigen kamer in een pension, bezochten musea, slenterden s avonds door de stad. In een klein restaurant, met zicht op het donker en de kaarsen op de tafels, zei Bart ineens:
Ik wil dat je iets weet.
Wat?
Ik druk niet. Als je druk voelt, komt dat niet van mij.
Ze keek hem aan.
Ik weet het.
Ik meen het. Ik ben drieënzestig, geen jongen meer die eisen stelt. Ik ben gewoon dankbaar dat jij er bent.
Ze deed er even over om te antwoorden. Buiten stroomde de Oude Markt als een droom voorbij.
Dat is moeilijk om te bevatten, fluisterde ze.
Waarom?
Omdat ik gewend ben dat er achter woorden een verwachting zit.
Hier niet.
Dat weet ik. Maar wennen is lastig.
Hij knikte. Ze dronken uit en liepen zwijgend over straat. Bart hield geen arm vast. Gewoon naast elkaar, dat was precies genoeg.
***
Oktober bracht het gevreesde gesprek.
Ze belde zelf. Fenna’s stem brak dwars door de ruis van het mobiele netwerk.
Ik wil iets vertellen, Fen. Bart heeft gevraagd of ik naar Dokkum kom, om daar te wonen. Ik denk erover na.
Lang, geluidloos wachten.
Je bent serieus.
Ja.
Jullie kennen elkaar zeven maanden.
Acht.
Mam! Acht maanden! Weet je wat dat is?
Acht maanden.
Dat is niks! Je weet niks van hem!
Genoeg.
Wat weet je? Dat hij je leuk vindt? Mensen veranderen, mam! Alles kan verkeren!
Fenna.
Ja?
Je vader veranderde ook. Wij waren dertig jaar getrouwd.
Stilte.
Dat is niet eerlijk, zei Fenna uiteindelijk zacht.
Ik wil alleen eerlijk zijn met jou, met mezelf.
Later die avond belde Tobias.
Mam, wil je echt verhuizen?
Het spookt door mijn hoofd.
Is het huis oké daar? Is hij oké?
Nette kerel, huisje in orde. Klein maar fijn.
Ga je je flat verkopen?
Nee, verhuren eerst.
En als je terug wilt?
Tobias.
Wat? Ik vraag maar.
Dan kom ik terug. Maar ik wil proberen zonder terugval-opties.
Pauze.
Goed dan. Maar bel ons vaak.
Doe ik.
Lang zat Marjolein daarna voor het raam, luisterend naar regenvlagen tegen het glas. Ze voelde voor het eerst in haar leven dat ze een eigen besluit nam. Geen plicht, geen plotseling verlies, niet omdat omstandigheden het eisten gewoon omdat ze het wilde.
Het voelde vreemd. Ongekend.
Ze opende haar berichten en schreef aan Bart: Ik denk na. Geef me nog even.
Zijn antwoord kwam snel: Neem je tijd. Ik ben er.
***
Geertje belde wekelijks en koos nooit partij. Ze zei niet doen of niet. Ze babbelde over haar geit, die er uiteindelijk was gekomen.
Hoe heet ze? vroeg Marjolein.
Grietje.
Serieus?
Tuurlijk. Past bij haar karakter.
Geertje, jij bent echt onvoorspelbaar.
Is dat erg?
Nee, het is fijn.
Na een stilte:
Zou je met twintig jaar minder ook zo lang twijfelen?
Dat heeft toch niks met leeftijd te maken?
Vast niet. Alhoewel. Je wordt voorzichtiger met de jaren, je noemt het wijsheid. Soms is het wijsheid. Soms is het gewoon angst.
Je klinkt als Tamara.
Complimentje?
Louter een feit.
Geertje hing op, Marjolein dacht nog lang na. Angst als dekmantel van wijsheid treffend. Ze was altijd bang geweest om spijt te krijgen van verkeerde keuzes. Later bang om te lang niet te kiezen.
Maar nu was de angst anders. Niet over Bart, maar over zichzelf.
Over wie ze kon zijn behalve moeder, oma, echtgenote, docent. Wie ben je zonder die rollen?
Haar boekenclubje was haar eerste eigen keus in tijden.
En nu, misschien, nóg een.
***
Laat in oktober gebeurde iets onverwachts. Haar ex-schoonmoeder, Jannetje van Esch, belde. Tweeëntachtig, woonde alleen in Haarlem, Marjolein zocht haar soms op uit gewoonte, uit menselijkheid.
Fenna zei het al, begon Jannetje direct.
Wat?
Over die kennis van jou. Dat je misschien weggaat.
Marjolein wachtte.
En wat vindt u?
Je hebt het verdiend, sprak Jannetje vast. Mijn zoon waardeerde jou nooit echt. Dat zag ik allang. Nu zeg ik het.
Jannetje…
Niet onderbreken. Op mijn leeftijd zeg je wat je vindt. Ga, als je wilt. De kleinkinderen redden zich. Fenna is bang voor verlies, dat is niet aan jou.
Ze ziet me wél.
Ze ziet je als moeder, als oppas, als onmiddellijk beschikbaar. Maar ook als mens?
Stilte.
Zie? zei Jannetje. Ga. Bel me eens, ik vind het gezellig.
Lang stond Marjolein daarna aan de keukendeur, bladerloos de bomen, herfst als een open mond die zich niet direct sluit.
Wat zien mensen van elkaar? Fenna zag altijd een moeder bij de hand, Tobias iemand op wie je kon bouwen, Tamara een collega. Jannetje, vreemd genoeg, een mens.
En Bart, wat zag hij?
Ze wist het niet zeker. Maar diep vanbinnen vermoedde ze dat hij haar zag, los van rol of geschiedenis.
***
November bracht sneeuw en een onverwacht telefoontje van Noor.
Zelf gebeld, ongewoon: meestal reikte Fenna haar de telefoon aan aan het eind van een gesprek. Nu: onbekend nummer, zondagochtend.
Oma, ben jij het?
Noor, waar bel je mee?
Met mamas tablet. Oma, ga je weg?
Marjolein ging zitten.
Heb je veel gehoord bij de grote mensen?
Een beetje. Mama belde met oom Tobias. Ga je weg?
Ik weet het echt nog niet, Noor.
En als je weggaat, kom je dan op bezoek?
Natuurlijk.
Beloofd?
Beloofd.
Stilte. Dan Noor:
Oma, is het daar mooi?
Waar?
Waar je misschien heen gaat.
Heel mooi. Witte kerken, winter, een rivier.
Net als hier?
Anders, iets kleiner.
Oké dan. Weer stilte. Oma?
Ja?
Mama is bang dat je ziek wordt en dat wij dan niet snel genoeg kunnen komen.
Er kneep iets in Marjoleins borst.
Zeg tegen mama dat ik kerngezond blijf.
Dat weet ze wel, maar ze is gewoon bang.
Ik ook, Noor.
Waarvoor?
Ze dacht na.
Veel dingen, Noor. Maar iedereen is wel eens bang.
Maar je zei toch altijd, dapperen zijn ook bang, ze doen het alleen tóch?
Dat klopt. Dat zei ik.
Dat onthoud ik, klonk haar kleindochter trots. Nou, ik ga maar. Mama komt eraan.
Noor.
Ja?
Ik hou van je.
Ik ook, oma. Doei.
***
Halverwege november reisde Marjolein naar Dokkum, niet voor een weekend, maar een hele week. Haar koffer vol met warme truien, Tamara ingelicht en de post overgelaten aan haar buurvrouw Ank.
Bart haalde haar op. Onderweg sprak hij over de restauratie van een kerktorentje, Marjolein keek naar het Friese landschap rijdend onder besneeuwde hemel precies het uitzicht als bij haar eerste komst, nu als een cirkel die zich sloot.
Een week waren ze samen. Zijn huis was klein, houten vloer, oude ruiten die in de wind klapperden. Marjolein kookte; Bart deed het huishouden. s Ochtends koffie aan een klein keukentafeltje, de sneeuw lag als een laken over de tuin.
s Avonds vroeg ze:
Vind je het niet lastig, samenwonen na acht jaar alleen?
Nee, dit is anders. Het is alleen lastig als je niet leeft zoals je wilt.
Hoe bedoel je?
Ik werkte jaren op de bouw, uit geldzorgen. Later omslag gemaakt, te laat volgens iedereen, ik was al over veertig. Toen lachte men. Mijn vrouw steunde me, zij was bijzonder kalm.
Vertel eens over haar.
Hij zweeg even.
Anna. Stil type, niet zwijgzaam, gewoon… zonder haast. Ze bracht rust.
Mis je haar?
Ja. Maar dat sluit toekomst niet uit, snap je?
Ja. Ik denk dat ik dat begrijp.
Ze zaten samen in de stilte, een prettige stilte deze keer.
***
Op donderdag, vijfde dag, belde Fenna. Marjolein stapte naar buiten. De sneeuw was gestopt, sterren sprankelden tussen de wolken.
Zit je daar? Fennas stem klonk ver, alsof van een bandrecorder.
Ja.
Hoe lang?
Tot zondag.
Mam, mag ik wat vragen? Eerlijk graag.
Vraag maar.
Doe je dit om iets te bewijzen? Aan jezelf, aan ons?
Marjolein tuurde naar boven.
Nee.
Waarom dan?
Gewoon… om anders te leven dan ik altijd deed.
Was je dan niet gelukkig vroeger?
Niet ongelukkig. Maar niet volledig zoals ik wilde.
Wat miste je?
Ze dacht diep na. Alles leek op orde: flat, kinderen, werk, vriendinnen. Geen groot verdriet.
Maar toch was er altijd het gevoel alsof haar leven aan de zijlijn liep, als een script uitgevoerd zonder zichzelf echt te spelen.
Mezelf, zei ze uiteindelijk.
Mezelf? Wat bedoel je daarmee?
Dat zegt het al.
Lange stilte.
Ga je gelukkig zijn daar? vroeg Fenna toen. Geen sarcasme, enkel benieuwd.
Ik weet het niet. Maar ik wil het proberen.
Oké, zei Fenna. Oké.
Het was geen instemming, maar ook geen vijandigheid meer.
***
Zondag, bij het vertrek, vroeg Bart:
Besloten?
Bijna.
Is dat goed of slecht?
Dat betekent: ik heb weinig tijd nodig. Nog héél even.
Hij knikte.
Je bent bang om een fout te maken.
Dat klopt.
Mag ik wat zeggen?
Natuurlijk.
Er zijn fouten die je maakt en fouten die je nooit maakt die laatste zijn het ergst.
Ze keek lang. Hij lachte.
Zeg je dat expres? Het zijn exact mijn eigen gedachten.
Hij lachte nogmaals. Het was een mooi gezicht, zo’n lach in zijn rimpels.
Ze kwam s avonds laat thuis in Haarlem. De flat omhulde haar in veilige stilte, bekende geuren, licht uit tegenoverliggende ramen. Ze zag het boek op tafel, haar bladwijzer er nog in Je draagt je eenzaamheid met je mee, geen veroordeling maar een feit dat je verschillend kunt hanteren.
Ze sloeg het dicht. Schreef Bart: Ik kom in januari. Lang. We zien wel.
Zijn antwoord: Ik wacht.
***
December gleed voorbij als een waterige droom. Marjolein bezocht de bieb, begeleidde haar groepje, sprak met Jannetje. Alles zoals het was, maar iets was onherroepelijk verschoven.
Fenna belde begin december.
Heb je je bedacht?
Nee.
Flat verhuren dan?
Ja, makelaar zoekt al huurders.
Hm. Pauze. Mam, mag ik iets vragen?
Natuurlijk.
Denk je niet dat… soms willen we iets nieuws puur omdat het nieuwe fijn lijkt, en dan…
Fenna.
Wat?
Ik ben eenenzestig, geen puber meer. Al veel meegemaakt; ik kan vergelijken.
Ook ouderen kunnen fantaseren.
Klopt, maar dan minder vaak.
Wat als hij níet is wie je dacht?
Dat geldt altijd, Fenna. Al het leven is misschien. Jij wist het ook niet toen je trouwde.
Ik was zevenentwintig.
Ja, en?
Stilte.
Goed, zei Fenna uiteindelijk. Goed. Zal ik helpen met je spullen uitzoeken?
Lange stilte.
Ja, natuurlijk, zei ze. Graag zelfs.
***
Oud en Nieuw bracht Marjolein met Fenna en haar kleindochter Noor door, Norberts zoon Tobias uit Amsterdam kwam ook, het huis zinderde van geluid.
Noor kroop dicht bij haar oma en fluisterde: Dit salade heeft mama zelf gemaakt. Maar deze is uit de winkel zegt mama niet.
Noor, geheimpjes zijn leuk, maar dit was niet de bedoeling.
t Is geen geheimpje, oma. Gewoon tussen ons.
Vlak voor middernacht, de kinderen al bijna slapend, kondigde Fenna aan:
Mam gaat in januari naar Dokkum. Lang.
Niet als mededeling, alleen informatie.
Norberts blik gleed af naar z’n moeder.
Hoe lang blijf je? vroeg hij.
We zien wel, zei Marjolein.
Hij lachte. Noor, half wakker:
Oma, ga je echt?
Ja, Noortje.
Je komt terug?
Natuurlijk.
Oké, mompelde ze en viel weer in slaap.
Marjolein keek naar haar en dacht: zo is het leven. Slapende kinderen, volwassen kinderen, en ergens een man die berichtte: ik wacht.
***
Vijftien januari, Marjolein belde Tamara.
Tamara, ik stop bij het leesgroepje.
Stilte.
Wanneer?
Vanaf februari.
Je vertrekt?
Ja.
Waarheen?
Dokkum.
Naar hem?
Ja. Maar ook naar mezelf.
Goeie reden, zei Tamara. We vinden een vervanger. Het zal wennen zijn, maar dank je, Marjolein. Je was goed.
Dankjewel.
De kinderen gaven haar een gezamenlijke kaart, vol tekeningen van regenbogen en boeken. De jongen van het raam-opstel tekende een raam met gordijnen en schreef: Zo kun je naar binnen kijken.
Ze stopte de kaart bij haar spullen.
***
Drieëntwintig januari. Dokkum. Bart hielp met de koffer naar binnen, een smal kamertje, vensterbank vol met een bloeiende geranium.
Waar vandaan?
Gekocht. Vond dat er een plantje moest staan.
Goed idee.
Ze keek naar buiten, tuin onder een laken van sneeuw.
En? vroeg Bart.
Vraag dat over een maand.
Komt voor elkaar.
Ze draaide zich om.
Bart?
Ja?
Dank dat je me geen druk gaf.
Hij wachtte even.
Dank dat je kwam.
***
Drie maanden gingen voorbij, langzaam Marjolein moest wennen. Dokkum was klein, iedereen kende iedereen en zij was de nieuwe, bekeken met vriendelijke nieuwsgierigheid. Geertje stelde haar voor aan vrouwen van het dorp, waaronder Nynke die haar vroeg bij het leesclubje in het dorpshuis. Tien mensen, samen lezen, praten Marjolein vond het prima.
Met Fenna sprak ze eenmaal per week, af en toe meer. Fenna vroeg eerst nog alles over hoe gaat het maar later steeds vaker ook: Wat lees je nu? en Hoe is Bart? Voorzichtig, gewenning als nachtzicht na te fel licht.
Noor stuurde haar een brief echt, met postzegel en handschrift, scheef en vrolijk. Tekeningen van kerken en water en onderaan: Oma, ik kom in de lente. Geertjes geit heet Grietje, weet je het? Marjolein schreef terug.
***
In april kwam Fenna alleen langs. Uit de trein, dagje weg.
Ze keek rond. Marjolein zag haar dochter, de vloer, de geranium, het keukentje.
Bart bood thee en vertrok discreet naar zijn atelier.
Ze zaten samen.
Het is prettig hier, merkte Fenna verrast op.
Ja.
Klein.
Stil.
Mis je Haarlem?
Ja. En jullie allemaal. Maar toch…
Toch?
Toch.
Fenna draaide de mok.
Is hij lief? vroeg ze, niet kritisch ditmaal.
Ja.
Ben je gelukkig?
Marjolein dacht na.
Ik weet niet of gelukkig het juiste woord is. Maar ik voel me oprecht goed.
Fenna knikte.
Oké.
Wat betekent dat oké?
Het betekent oké, Fenna keek haar aan. Ik blijf bang om jou. Misschien blijft dat gevoel.
Dat weet ik.
Maar ik… probeer het te begrijpen.
Dat is genoeg.
Ze praatten verder over Noor, werk, autos gewone dingen, zonder scherpe noten.
Bij vertrek liep Marjolein mee naar het hek. Aprilgeur, week groen op de takken. Fenna bleef staan.
Mam.
Ja?
Ik snap het niet. Misschien zal ik het nooit helemaal snappen.
Hoeft ook niet.
Maar weet dat ik eraan moet wennen dat afstand nu anders is. Altijd gewend dat je dichtbij bent.
Ik ben er altijd, Fenna. Altijd.
Dat weet ik. Het is gewoon… anders. Daar moet ik aan wennen.
Je went wel.
Fenna keek even terug, glimlachte flauw, een echo uit haar kindertijd.
Ze omhelsden, stevig, zoals altijd.
Op straat draaide Fenna zich om.
Mam!
Ja?
Je geranium bloeit!
Ja, hij bloeit.
Mooi zo!
En ze liep verder.
***
Marjolein keerde terug. Bart was in de keuken, soep op het vuur. Ze keek naar buiten, de straat hupelde voort, Fenna was weg.
Geranium stond in volle bloei.
Alles goed? vroeg Bart, handen in het sop.
Ja, antwoordde ze.
Ze is lief, voegde Marjolein toe. Ze is gewoon bang.
Begrijpelijk, zei Bart, het is voor haar ook nieuw.
Ze schikte borden. Alles voelde gewoon, zoals dingen wennen als je ze de ruimte geeft.
Bart?
Ja?
Is dit juist, denk je?
Hij keek haar recht aan.
Wat denk jij zelf?
Marjolein zweeg.
Ik denk dat dit voor het eerst helemaal van mij is.
Kijk, zei Bart, dat is precies het antwoord.
Ze gingen eten. Buiten fonkelde Dokkum, laatste sneeuw langzaam weggesmolten, nieuw groen in huis.
Marjolein keek naar het raam. Dit was het: niet geluk als resultaat, geen optelsom, enkel een maaltijd, een venster, deze man tegenover haar.
Was het genoeg? Ze wist het niet.
Maar de soep was warm, de plant bloeide, en onder in haar tas lag een kaart met een geverfd raam, met als opschrift: Zodat je naar binnen kan kijken.
***
s Avonds belde Noor.
Oma, mama zegt dat ze bij jou was.
Klopt.
Hadden jullie een goed gesprek?
Ja.
Heeft ze gehuild?
Nee. Waarom vraag je dat?
Soms huilt ze als ze denkt dat ik het niet hoor. Om jou.
Marjolein sloot haar ogen.
Noor.
Ja?
Zeg haar dat ik snel kom. Heel snel.
Oké. Oma?
Ja?
Is het al lente bij jullie?
Bijna. Beetje sneeuw nog.
Bij ons al heel warm. Gek, hè? Zelfde land, andere lente.
Zo is het soms.
Oma, mis je ons?
Marjolein keek naar buiten. Schemer viel. Eerste sterren.
Altijd, fluisterde ze. Heel erg.
Gelukkig maar, zei Noor opgelucht. Anders zou het raar zijn.
Waarom denk je dat?
Als je iemand mist, hou je van hem.
Marjolein kon niets antwoorden.
Doei, oma.
Doei, lieve Noor.
Ze legde haar mobiel neer. In de keuken hoorde ze Bart neuriën. De geranium stond in het schemerlicht. Ergens in de tuin blafte een hond, en dat hoorde er inmiddels helemaal bij net als de Dokkumer stilte.
Marjolein dacht: Noor heeft gelijk. Wie je mist, hou je van. Of wie je liefhebt, mis je zo gaat dat.
Dat is leven: onaf, niet perfect, niet zoals boeken het schilderen. Gewoon leven, met afstand, nabijheid, juiste en minder juiste keuzes die uiteindelijk eenvoudigweg de jouwe worden.
Ze stond op, en samen met Bart ging ze de borden afdrogen.





